RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/127942-25
Datum uitspraak : 26 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] (Suriname),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. M.A.W. Nillesen, advocaat in 's-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is tot nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of andere personen die op dat moment op de Jansbinnensingel, het Willemsplein en/of het Gele Rijders Plein aanwezig waren, opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten met een ((semi)automatisch) vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] en/of voornoemde andere personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Arnhem [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, te schieten met een ((semi) automatisch) vuurwapen, al dan niet in de richting van die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Arnhem, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een Glock 17, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de nacht van 27 april 2025 heeft verdachte met een (semi-)automatisch vuurwapen in de richting van [slachtoffer] geschoten op de Jansbuitensingel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onderdeel ‘met voorbedachten rade’, omdat er geen sprake is van een moment van kalm en rustig beraad. Er is dus geen sprake van poging tot moord. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] fataal zou raken. Verder heeft de officier van justitie verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de poging tot doodslag op andere personen die zich op dat moment op straat bevonden, omdat er onvoldoende bewijs is dat daar op dat moment mensen liepen.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft aangevoerd dat hij weliswaar in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, maar juist bewust niet op [slachtoffer] . Hij heeft juist opzettelijke mis gericht. Hij wilde hem alleen bedreigen. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag, omdat verdachte geen opzet had op de dood van [slachtoffer] dan wel anderen. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Aan het schieten door verdachte ging een conflict vooraf tussen hem en [slachtoffer] . De precieze aard van het conflict is de rechtbank niet duidelijk geworden. Wel is helder dat het al een aantal jaren duurde en dat beide partijen een andere lezing hebben van de situatie. De nacht van het schietincident troffen verdachte en [slachtoffer] elkaar op straat. Op dat moment kwam het conflict ter sprake. Verdachte is naar aanleiding van die woordenwisseling naar huis gereden om een vuurwapen te halen. Hierna vond het schietincident plaats.
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte bij het schieten in de richting van [slachtoffer] (voorwaardelijk) opzet had op diens dood en of hij dat dan met voorbedachte raad heeft gedaan.
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij verdachte uit de bestuurderskant van de auto zag stappen en dat hij zag dat verdachte naar zijn rug reikte. [slachtoffer] is toen gaan rennen. Nadat hij drie stappen had gezet keek hij om en zag hij een wapen. Verdachte richtte op hem en schoot.
Op de beelden van de Jansbinnensingel is volgens de beschrijving van de politie onder meer het volgende te zien.
“Ik zag dat er vanuit de bestuurderskant van het donkergekleurde voertuig een manspersoon, wat later blijkt de verdachte, stapt. Op het moment dat de verdachte uitstapt [01:41:40 uur], zie ik dat [getuige] haar pas versneld en in de richting van de verdachte rent.
Vervolgens zag ik dat de aangever begint te rennen in de richting van het Willemsplein. Ik zag vervolgens dat [getuige] in de richting de verdachte rent en hem vervolgens vast lijkt te pakken. De verdachte strekt op datzelfde moment zijn rechterarm in de richting van de aangever en heeft in zijn rechterhand een donkerkleurig object vast.
Hierna zag ik een lichtflits [01:41:42 uur], mogelijk mondingsvuur, uit het donkergekleurde object komen. Ik zag dat de aangever nog steeds rent en uit beeld verdwijnt.”
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 5 februari 2026 bij het bekijken van de beelden (27-04-25 A-1) de volgende waarnemingen gedaan.
Op 1:41:32 komt boven in beeld de auto met verdachte het beeld in gereden, terwijl onderin beeld [getuige] en [slachtoffer] een gesprek voeren, dat rustig lijkt te verlopen. [getuige] en [slachtoffer] beginnen te lopen. Op 1:41:36 versnelt [slachtoffer] zijn pas. [getuige] zegt of roept iets tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] blijft lopen. Om 1:41:39 gaat de deur van de auto open en op 41:39-41:40 stapt verdachte uit. [slachtoffer] gaat op dat moment harder rennen. [getuige] versnelt haar pas in de richting van verdachte. Verdachte pakt het vuurwapen en schiet. Op het moment dat verdachte schiet, is hij niet tot stilstand gekomen. Dat is te zien omdat hij zowel voor als na het schieten beweegt. Tussen het uit de broeksband pakken van het wapen en het schieten zit ongeveer 3 seconden. Rond 1:41:44 is er contact tussen [getuige] en verdachte en dan gaat ook het vuurwapen omlaag. Verdachte, [getuige] en nog twee personen stappen in de auto en rijden weg.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet weet waar de kogel is beland. Hij heeft niet bewust positie gekozen. Het wapen heeft een switch, dat betekent dat het semi-automatisch of automatisch kan schieten. Het wapen stond op de automatische stand. Hij heeft niet gekeken of het op de automatische stand stond of niet. Het is een gevoelig wapen en door het één keer overhalen van de trekker, kwamen er twee kogels uit. Hij heeft geschoten uit de losse hand, dus zonder steun te geven aan de hand met het pistool. Op het moment van het halen van het vuurwapen en het schieten zat hij ‘hoog in emotie’. Hij wilde links naast [slachtoffer] in de muur schieten om hem te bedreigen en de conflictsituatie te beëindigen.
Opzet
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van vol opzet op de dood van [slachtoffer] .
Daarbij overweegt de rechtbank dat geen twistpunt is dat verdachte en [slachtoffer] een langlopend conflict hadden. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte eerder gedurende het conflict een afbeelding had verspreid van [slachtoffer] met daarbij een dreigende tekst. Verder heeft hij verklaard dat verdachte een week voorafgaand aan het schieten bij een confrontatie tegen hem heeft gezegd dat hij hem ‘kankerdood’ zou schieten. Deze delen van de verklaring van [slachtoffer] worden in het dossier niet ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Ander bewijs dat verdachte daadwerkelijk vol opzet, in de zin van de kwade bedoeling had [slachtoffer] daadwerkelijk te doden is evenmin aanwezig.
Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft in emotioneel geladen toestand geschoten in de richting van het wegrennende slachtoffer. Ook verdachte was in beweging op het moment van schieten. Bovendien schoot hij ‘uit de losse hand’, dus zonder steun te geven aan de hand waarmee hij schoot. In een tijdsbestek van ongeveer 3 seconden is verdachte uit de auto gestapt en heeft hij het schot gelost. Van bewust of rustig positie kiezen en schieten was dan ook geen sprake. Het vuurwapen stond in de automatische stand. Daardoor kwamen er twee kogels uit het wapen terwijl verdachte één keer de trekker overhaalde. Verdachte heeft van tevoren niet gecontroleerd in welke stand het wapen stond. De rechtbank overweegt dat ook al was verdachte een geoefend schutter (hetgeen niet vast is komen te staan) en zelfs al was het zijn bedoeling om mis te schieten, dat uit voornoemde omstandigheden volgt dat verdachte het wapen dusdanig slecht onder controle moet hebben gehad, dat de aanmerkelijke kans op levensgevaarlijk letsel aanwezig was. Door de schoten onder deze omstandigheden toch te lossen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank leidt uit verdachtes handelen voorwaardelijk opzet op de dood af. Van contra-indicaties daarvoor is niet gebleken.
Uit het door de verdediging overgelegde rapport van MSNP-forensics blijkt niets dat deze conclusie weerspreekt, nog daargelaten dat niet is gebleken dat de opsteller van het rapport deskundigheid heeft op het gebied waarover hij in dit rapport schrijft.
Dat verdachte ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij anderen dan [slachtoffer] zou raken, kan niet worden bewezen. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat zich in het schootsveld op dat moment mensen bevonden die door de kogels - al dan niet na afketsen - fataal geraakt hadden kunnen worden. De rechtbank spreekt verdachte vrij van dat deel van de tenlastelegging.
Geen voorbedachte raad
Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat bij de poging tot het doden van [slachtoffer] sprake was van voorbedachte raad.
Weliswaar is verdachte na een ontmoeting met [slachtoffer] die nacht naar huis gereden om zijn vuurwapen te halen, anderzijds volgt uit de verklaring van verdachte - waartegenover geen andersluidende bewijsmiddelen staan - dat hij tijdens die rit zeer geëmotioneerd was. Zoals overwogen is het bestaan van vol opzet op het doden van [slachtoffer] niet komen vast te staan en evenmin dat er door hem eerdere uitlatingen in die zin zijn gedaan. De bedoeling van verdachte met het vuurwapen was, volgens zijn eigen verklaring, om te dreigen, zodat [slachtoffer] hem ‘serieus zou nemen’ en ‘de situatie’ tussen hen zou eindigen. Verder is er geen inzicht gekomen in wat voor en tijdens het begaan van het feit in verdachte is omgegaan. Dat er tijdens die emotionele rit toen hij het wapen haalde (of daarvoor) enig moment is geweest waarop hij zich heeft beraden over hoe hij het vuurwapen feitelijk zou gebruiken en of daarbij dan een kans zou zijn dat hij [slachtoffer] of een ander dodelijk zou raken, is niet gebleken en kan uit de omstandigheden niet worden afgeleid. Hij is direct bij terugkomst uit de auto gesprongen en achter [slachtoffer] aangerend en hij heeft toen binnen enkele seconden geschoten. Ook daaruit volgt niet dat sprake was van enig kalm beraad.
Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad en na kalm beraad heeft geschoten en dat hij moet worden vrijgesproken van moord.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 146-148;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of andere personen die op dat moment op de Jansbinnensingel, het Willemsplein en/of het Gele Rijders Plein aanwezig waren, opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten met een ((semi)automatisch) vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] en/of voornoemde andere personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 27 april 2025 te Arnhem, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een Glock 17, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft in de vroege nacht aansluitend op een drukke uitgaansavond in het centrum van Arnhem met een automatisch vuurwapen op [slachtoffer] geschoten en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Dit heeft voor het slachtoffer een zeer gevaarlijke en bedreigende situatie gecreëerd. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat deze situatie geen (veel) ernstiger gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer. Aanleiding van dit geweldsincident was een langer lopend conflict tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte heeft buitenproportioneel gehandeld en heeft gekozen voor het toepassen van grof vuurwapengeweld, waarbij hij het leven van het slachtoffer in gevaar heeft gebracht. Een dergelijk feit heeft grote impact op het slachtoffer en zorgt daarnaast voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Met het enkele bezit van het automatisch vuurwapen waarmee verdachte het feit heeft gepleegd had verdachte zich - gelet op het inherente grote dodelijke gevaar daarvan en de omstandigheid dat het bezit van zo’n wapen door een particulier geen andere dan criminele doelen kan dienen - al ver begeven buiten de maatschappelijk aanvaarde normen en dit was op zich zelf al een ernstig misdrijf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van Reclassering Nederland van 22 januari 2026. Hieruit komt naar voren dat er voor detentie sprake was van stabiliteit. Er zijn risico’s op het gebied van het psychosociaal functioneren van verdachte. Er is sprake van een (zeer) gebrekkige impulscontrole en inadequate vaardigheden wat betreft zijn probleem-oplossend vermogen. Verdachte heeft zich wel schuldbewust en reflectief getoond op zijn handelen. De reclassering schat het recidiverisico en risico op letsel als gemiddeld in. De reclassering ziet voldoende aanleiding en aanknopingspunten voor interventies om gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidiverisico te beperken. Daarom adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling voor rouwverwerking, copingsvaardigheden en zijn probleemoplossend vermogen. Daarnaast adviseert reclassering vanwege de onderlinge verhoudingen en het daaruit voortgevloeide delict een contact- en locatieverbod met het slachtoffer met elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van wezenlijke duur. Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf zoals geëist voor de duur van 4 jaren passend, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is, voor zowel verdachte als de maatschappij, dat aan verdachte de juiste hulp en begeleiding geboden wordt. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen dan ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd met uitzondering van elektronische monitoring. Gelet op feit dat aan de proeftijd detentie voorafgaat, acht de rechtbank het niet noodzakelijk die voorwaarde met een enkelband te bestendigen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 13.362,05, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.862,05 aan materiële schade, bestaande uit de kosten van de psycholoog (à € 2.862,05) en toekomstige kosten van de psycholoog (à € 3.000,00) en € 7.500,00 aan immateriële schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van de toekomstige kosten van de psycholoog, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de beoordeling hiervan een te zware belasting oplevert voor het strafproces. De toekomstige kosten moeten worden afgewezen en de immateriële schadevordering dient – vanwege de bepleite vrijspraak voor het primair tenlastegelegde – slechts voor een deel te worden toegewezen. Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Daarnaast heeft de benadeelde partij gebruik gemaakt van een zorgverlener die niet wordt vergoed, terwijl de benadeelde de kosten dient te beperken. Verder heeft de behandeling langer geduurd omdat een onbekende derde een bom heeft geplaatst bij de woning van de benadeelde partij. Dit moet niet voor rekening van verdachte komen.
Overweging van de rechtbank
Geen eigen schuld
Het kennelijk zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële (smartengeld) gevoerde eigen schuldverweer wordt verworpen. Niet geconcretiseerd en verder ook niet onderbouwd is welke aan benadeelde toe te rekenen fout/omstandigheid aan de schade heeft bijgedragen in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Door de poging tot doodslag heeft de benadeelde partij immers schade opgelopen, bestaande uit kosten voor de psycholoog. De rechtbank overweegt dat van het onvoldoende beperken van de schade, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, geen sprake is. De benadeelde partij heeft vrije zorgkeuze en door voor niet-verzekerde zorg te kiezen, is het schadebedrag dat voortvloeit uit het onrechtmatig handelen van verdachte niet hoger dan wanneer de benadeelde partij voor wel verzekerde zorg had gekozen. Dat de schade aan het slachtoffer dan (mogelijk) in eerste instantie door de verzekeraar zou zijn vergoed doet daaraan niet af. De schadepost is (verder) voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten van de psycholoog (tot een hoogte van € 2.862,05) kan worden toegewezen.
Behandeling van het overige deel van de vordering tot materiële schade levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Een goede beoordeling van de vordering voor toekomstige kosten van de psycholoog alsmede het causaal verband met het bewezen feit vergt immers een nadere onderbouwing en daaropvolgend een standpuntenuitwisseling waarvoor het strafproces geen ruimte biedt. Dit deel van de vordering van de benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Daarvan is hier sprake. Uit de bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, volgt dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde poging tot doodslag geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarnaast bij het bepalen de hoogte van het smartengeld acht geslagen op de Rotterdamse schaal en heeft aansluiting gezocht bij de categorieën aangaande PTSS.
Daarbij valt naar het oordeel van de rechtbank de schade van de benadeelde partij tenminste in categorie D, ‘minder ernstig’, die geldt voor gevallen waarbij PTSS is vastgesteld en de benadeelde binnen ongeveer één tot twee jaar nagenoeg volledig hersteld is en dan alleen geringe klachten langere tijd aanhouden. Daarbij wordt als uitgangspunt een vergoeding van € 2.675,00 tot € 5.500,00 aangehouden.
Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld inclusief overeenkomstig de LOVS “Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW” een verhoging van 25% vanwege de ernstige verwijtbaarheid van verdachte op een bedrag van (tenminste) € 3.500,00 vaststellen.
Het vaststellen van het resterende deel van de vordering tot smartengeld vergt nader onderzoek, nu de aard en omvang van die schade en het causaal verband zonder nader onderzoek en verder debat tussen partijen niet kan worden vastgesteld. Daarbij weegt de rechtbank mee dat volgens de aangeleverde stukken bij de ontstane psychische schade mogelijk meerdere aspecten spelen, die los staan van het bewezenverklaarde en deels mogelijk daarna hebben plaatsgevonden. Dit nader onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is vanaf 27 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan immateriële schade verschuldigd. Omdat de betalingsdata van de kosten van de psycholoog onbekend zijn, houdt de rechtbank als ingangsdatum van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schade de dag aan dat de vordering is ingediend, te weten 1 februari 2026.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.862,05 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 3.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 2.862,05 aan materiële schade en € 3.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2026 respectievelijk 27 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 56 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.