RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/456755 / HZ ZA 25-263
Vonnis in incident van 7 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser is hoofdzaak / verweerder in incident] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [verweerder in incident] ,
advocaat: mr. G.P.R. Steenmeijer,
tegen
[bedrijfsnaam gedaagde in hoofdzaak / eiser in incident] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser in incident] ,
advocaat: mr. R.C.A.J. Beks.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid
- de conclusie van antwoord in incident onbevoegdheid.
2. Het geschil in het incident
[eiser in incident] vordert de rechtbank zich onbevoegd te verklaren om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, met veroordeling van [verweerder in incident] in de kosten van het incident. [eiser in incident] stelt daartoe – samengevat – dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarop de algemene voorwaarden van [eiser in incident] (hierna: “Algemene voorwaarden”) van toepassing zijn. In artikel 11 lid 2 Algemene voorwaarden is bepaald dat geschillen door de VENIN-geschillencommissie worden beslecht, met uitsluiting van de rechtbank.
[verweerder in incident] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser in incident] in het incident, althans de incidentele vordering af te wijzen, met veroordeling van [eiser in incident] in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van
artikel 6:119(a) van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verweerder in incident] voert daartoe – samengevat – aan dat de Algemene voorwaarden niet (correct) van toepassing zijn verklaard en ook niet aan [verweerder in incident] ter beschikking zijn gesteld. Daarnaast is artikel 11 Algemene voorwaarden onredelijk bezwarend en dus vernietigbaar.
3. De beoordeling in het incident
[eiser in incident] stelt dat de rechtbank op grond van artikel 11 Algemene voorwaarden onbevoegd is om van het geschil tussen partijen in de hoofdzaak kennis te nemen.
Artikel 11 Algemene voorwaarden luidt als volgt:
Alle geschillen die tussen partijen mochten ontstaan, zullen worden beslecht door de VENIN-geschillencommissie conform haar reglement zoals dat luidt op de dag dat deze overeenkomst tot stand kwam. Bevoegdheid van de gewone rechter is uitgesloten tenzij in geval van beslag, voorlopige voorzieningen in kort geding, zaken waarin de Geschillencommissie onbevoegd is of waarin vernietiging van een bindend advies van de Geschillencommissie wordt gevorderd.
Tussen partijen is in geschil of de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de tussen hen gesloten overeenkomst. [eiser in incident] stelt dat voorafgaand aan het huisbezoek aan [verweerder in incident] de offerte per e-mail aan hem is verzonden. Verder staat onder de handtekening van [verweerder in incident] op de offerte: “Met de ondertekening van ons investeringsvoorstel heeft u opdracht gegeven voor het uitvoeren van isolatie aan uw woning en bent u akkoord gegaan met onze algemene voorwaarden.” [verweerder in incident] betwist dat [eiser in incident] de offerte voorafgaand aan het huisbezoek aan hem heeft toegezonden. De toevoeging van de hiervoor geciteerde zin is volgens [verweerder in incident] pas na het ondertekenen van de offerte toegevoegd. [verweerder in incident] meent daarom dat de algemene voorwaarden van [eiser in incident] niet correct van toepassing zijn verklaard en niet aan hem ter beschikking zijn gesteld. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat zonder nadere bewijslevering – waarvoor dit incident zich niet leent – niet kan worden vastgesteld of de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Dit kan echter voor de beoordeling van dit incident in het midden blijven, aangezien de rechtbank van oordeel is dat artikel 11 Algemene voorwaarden, waarop [eiser in incident] zich beroept, onredelijk bezwarend is. Het volgende is daartoe redengevend.
Tussen partijen is geen discussie over de vraag of [verweerder in incident] heeft te gelden als een consument in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub a BW, zodat [verweerder in incident] onder de bescherming valt van afdeling 2b van boek 6 BW. [verweerder in incident] doet een beroep op artikel 6:233 BW juncto artikel 6:236 sub n BW ter vernietiging van artikel 11 Algemene voorwaarden. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het voor de wederpartij onredelijk bezwarend is. Of een beding onredelijk bezwarend is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Op grond van artikel 6:236 sub n BW wordt een beding dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Dit is alleen anders wanneer het beding de consument een termijn gunt van ten minste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens hem op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. In het onderhavige geval wijst het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden de VENIN-geschillencommissie met uitsluiting van de civiele rechter als geschillenbeslechter aan, terwijl de hiervoor bedoelde “tenzij-clausule” uit artikel 6:236 sub n BW ontbreekt. Artikel 11 Algemene voorwaarden dient dan ook te worden aangemerkt als onredelijk bezwarend voor [verweerder in incident] , zodat [verweerder in incident] zicht op vernietiging van dit beding kan beroepen. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal worden afgewezen omdat op grond van het voorgaande de grondslag van de vordering ontbreekt.
Proceskosten
De incidentele vordering van [eiser in incident] wordt afgewezen, zodat zij heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [eiser in incident] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [verweerder in incident] worden begroot op € 792,00
(€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 178,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beoordeling in de hoofzaak
Door [eiser in incident] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak zodat de rechtbank de zaak op de rol zal plaatsen van 18 februari 2026 voor conclusie van antwoord door [eiser in incident] .
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering van [eiser in incident] af,
veroordeelt [eiser in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder in incident] tot op tot op heden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) +
€ 178,00 aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser in incident] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser in incident] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen
uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 februari 2026 voor conclusie van antwoord door [eiser in incident] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op
7 januari 2026.
JV/MS