RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/216017-25
Datum uitspraak : 2 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 mei 2022 tot en met 31 maart 2023 te Ede met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige] , te weten het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [minderjarige] ;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 mei 2022 tot en met 31 maart 2023 en/of op een tijdstip in de periode van 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Ede en/of op de route tussen Nederland en Oostenrijk, althans te Nederland en/of te Bondsrepubliek Duitsland en/of te Oostenrijk met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de borsten en/of de billen en/of de vulva van die [minderjarige] en/of
- het laten betasten van zijn eigen billen door die [minderjarige] en/of
- het wrijven van zijn (onder)lichaam tegen het (onder)lichaam van die [minderjarige] en/of
- het door die [minderjarige] laten wrijven van haar (onder)lichaam tegen zijn (onder)lichaam en/of
- het zoenen van de mond en/of de nek van die [minderjarige] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. De verklaring van aangeefster vindt geen steun in ander bewijs, waardoor niet wordt voldaan aan het bewijsminimum. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken waar het gaat om het zoenen op de mond en het betasten van de borsten. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de (eerste) periode moet worden bekort van 30 juni 2022 tot oktober 2022.
Beoordeling door de rechtbank
[minderjarige] is het stiefzusje van verdachte. Zij heeft verklaard dat het misbruik op 31 mei of 30 juni 2022, op een donderdag of vrijdag begon. Zij was toen 13 jaar oud, verdachte was 17 jaar oud. Het is meerdere keren gebeurd en het gebeurde als zij naar bed ging. De eerste keer kwam [verdachte] haar kamer binnen terwijl zij op bed lag. [minderjarige] had een voorverwarmd elektrisch deken en ze zei tegen [verdachte] dat hij moest voelen hoe lekker warm het was. [verdachte] kwam vervolgens bij haar in bed liggen. Hij lag bovenop haar, begon haar in haar nek te zoenen en maakte seksbewegingen op haar. [minderjarige] heeft verklaard dat het voelde alsof hij met zijn bovenbeenspieren en kontspieren aanspande. Hij bewoog alsof [minderjarige] recht stond, waarbij [verdachte] zijn kont naar achteren en naar voren bewoog. [verdachte] heeft [minderjarige] ook een keer op zich geduwd, waarbij hij haar heupen pakte en haar omhoog en naar beneden duwde. [verdachte] had altijd zijn onderbroek aan en [minderjarige] had altijd een hemd, BH en onderbroek aan. [verdachte] heeft [minderjarige] aangeraakt bij haar bovenbenen, vagina, heupen en armen. Hij heeft nooit aan haar blote borsten gezeten. Ze weet niet of hij wel aan haar borsten heeft gezeten over haar kleding. Als [verdachte] bij [minderjarige] wegging dan zei hij dat ze het niet mocht doorvertellen. Het gebeurde ongeveer vijf tot zeven keer in de week. Het stopte telkens als haar ouders naar bed gingen en het duurde steeds tussen de 20 en 40 minuten. [minderjarige] heeft verklaard dat het eind maart 2023 is gestopt. Daarna is het nog een keer gebeurd in februari 2024 toen ze onderweg waren naar Oostenrijk. [minderjarige] zat samen met [verdachte] en hun broer [naam] op de achterbank. [minderjarige] had tegen [verdachte] en [naam] gezegd dat zij met een kussen op haar schouder konden liggen. Dit ging eerst prima, maar vervolgens legde [verdachte] zijn hand op haar vagina en hij wreef over haar vagina over haar kleding heen. [minderjarige] heeft zijn hand teruggelegd. Dit gebeurde wel veertig keer. [minderjarige] heeft gezegd dat ze het niet fijn vond, waarop [verdachte] stopte.
Verdachte heeft verklaard dat er seksuele handelingen tussen hem en [minderjarige] zijn gebeurd die bestonden uit ‘droogneuken’. De eerste keer was net voor de zomervakantie van 2022, dit was voor het weekend dat [minderjarige] ging kamperen met een vriendin. Verdachte liep op de gang en hij werd geroepen door [minderjarige] die hem welterusten wilde zeggen en hem een knuffel wilde geven. [minderjarige] wilde vervolgens dat verdachte naast hem kwam liggen. Hierna was het ‘droogneuken’. [minderjarige] kuste verdachte hierbij op zijn mond. Verdachte heeft verklaard dat hij [minderjarige] niet in haar nek heeft gekust. Hij heeft één keer haar blote borsten aangeraakt, dit gebeurde toen [minderjarige] zijn handen op haar borsten had gelegd. Hij heeft ook haar billen aangeraakt. [minderjarige] had toen haar onderbroek aan. [minderjarige] heeft verdachte op zijn rug en bij zijn billen aangeraakt, dit was over de onderbroek. Verdachte weet niet precies hoe vaak het is gebeurd, soms gebeurde het twee keer in de week en soms weken niet. Als verdachte naar boven ging riep [minderjarige] hem en dan ging hij naar haar kamer. De eerste keren kwam het initiatief van [minderjarige] , maar later kwam het vanuit twee kanten. [minderjarige] was dertien toen het gebeurde. Verdachte was toen vier jaar ouder dan zij. De laatste keer dat het gebeurde was in de herfstvakantie van 2022. Vervolgens is het nog een keer gebeurd in januari 2024 in de auto richting Oostenrijk. Verdachte heeft toen met zijn hand op de broek van [minderjarige] aan haar vagina gezeten. Toen [minderjarige] zei: ‘niet doen’, is hij gelijk gestopt.
Juridisch kader
Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit. De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat aan de orde. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid Wetboek van Strafvordering (Sv)). Deze bepaling strekt ter waarborging van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de verklaring van één getuige over relevante feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling heeft volgens vaste rechtspraak betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op ieder onderdeel daarvan. De vraag of sprake is van voldoende steunbewijs en dus aan het bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval. In het geval de rechter de verklaringen van een getuige betrouwbaar acht, dan is daarmee nog niet voldaan aan het bewijsminimum. Het voor een veroordeling benodigde steunbewijs kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangenomen op grond van alleen zogenoemde de auditu getuigenverklaring (‘van horen zeggen’), waarbij de getuige geen eigen zelfstandige waarneming deed ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer tijdens of kort na het feit (Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117).
Beoordeling:
De rechtbank concludeert dat het dossier twee lezingen bevat die van elkaar verschillen; die van [verdachte] en die van [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [minderjarige] in beginsel betrouwbaar is: zij vertelt gedetailleerd en consistent over wat er gebeurd zou zijn, de manier waarop het misbruik aan het licht kwam wordt in woord en getoonde emotie bevestigd door verschillende getuigen (stiefvader, moeder) en bovendien wordt het misbruik erkend door verdachte zelf. Dat maakt dat de rechtbank de aangifte van [minderjarige] als bewijsmiddel zal gebruiken. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of voor de verklaring van [minderjarige] voldoende steunbewijs aanwezig is. De verklaring van [minderjarige] wordt ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voor een deel ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, namelijk waar het gaat om het wrijven van het onderlichaam van [verdachte] tegen het onderlichaam van [minderjarige] , het kussen in de nek, het betasten van de vagina van [minderjarige] in auto onderweg naar Oostenrijk, het betasten van de billen van [minderjarige] door [verdachte] en andersom. Daarmee is ten aanzien van dit feit voor wat betreft deze punten voldaan aan het bewijsminimum. Voorts heeft verdachte zelf verklaard de borsten van [minderjarige] te hebben aangeraakt. Onder de genoemde omstandigheden acht de rechtbank dat voldoende voor een bewezenverklaring van dit onderdeel. Deze handelingen zijn, gelet op de familierelatie, de leeftijd van [minderjarige] en het leeftijdsverschil onmiskenbaar ontuchtig van aard. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs voor het zoenen op de mond nu [minderjarige] dit desgevraagd uitdrukkelijk heeft ontkend.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zij het dat de rechtbank hierbij uitgaat van een bewezenverklaarde periode van 30 juni 2022 tot en met 22 oktober 2022 en 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024. Dit zijn immers de perioden waarvan ook verdachte expliciet heeft verklaard dat de handelingen gebeurd zijn, waarbij hij het einde van de eerste periode koppelt aan een herinnering aan een herfstvakantie van [minderjarige] . Voor de periode daarna (tot maart 2023) is er geen ondersteunend bewijs voor de verklaring van [minderjarige] .
Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat dit de meest verstrekkende handeling is die verdachte wordt verweten. [minderjarige] heeft verklaard dat [verdachte] de helft van de keren met zijn hand naar haar vagina ging, waarbij hij haar probeerde te vingeren. Zij heeft verder verklaard dat ze weet dat [verdachte] ook met zijn vinger in haar is geweest, omdat ze zijn scherpe nagel voelde. Dit is een gedetailleerde, consistente verklaring van [minderjarige] . Verdachte heeft echter van begin af aan ontkend dat hij dit heeft gedaan en dat hij bij [minderjarige] is binnengedrongen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verklaring van [minderjarige] op dit punt geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel, waardoor niet wordt voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van haar moeder, dat [minderjarige] haar heeft verteld dat [verdachte] minstens de helft van de keren van het misbruik met zijn vinger in haar vagina heeft gezeten, is geen afzonderlijke bron. De verklaring van haar moeder kan daarom geen steunbewijs opleveren. Enig ander steunbewijs in het dossier ontbreekt. De rechtbank is aldus van oordeel dat het bewijsminimum niet wordt gehaald en spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juni 2022 tot en met 22 oktober 2022 en/of op een tijdstip in de periode van 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Ede en/of op de route tussen Nederland en Oostenrijk, althans te Nederland en/of te Bondsrepubliek Duitsland en/of te Oostenrijk met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de borsten en/of de billen en/of de vulva van die [minderjarige] en/of
- het laten betasten van zijn eigen billen door die [minderjarige] en/of
- het wrijven van zijn (onder)lichaam tegen het (onder)lichaam van die [minderjarige] en/of
- het door die [minderjarige] laten wrijven van haar (onder)lichaam tegen zijn (onder)lichaam en/of
- het zoenen van de mond en/of de nek van die [minderjarige] .
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat toepassing wordt gegeven aan het adolescentenstrafrecht en dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf
van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie en voorts tot drie maanden jeugddetentie voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van twee jaar met de volgende bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd:
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, omdat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit deels minderjarig was en hiertoe aanknopingspunten zijn op basis van de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging onder andere rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop, de impact en de gevolgen van de zaak, het blanco strafblad, de jeugdige leeftijd en verdachtes houding op zitting. Gelet hierop verzoekt de raadsman aan de rechtbank om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen in combinatie met een forse werkstraf.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder die is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
Verdachte heeft seksuele handelingen gepleegd bij zijn jongere (stief)zusje van destijds dertien jaar oud. Verdachte was niet alleen ouder, maar hij was ook de stiefbroer van [minderjarige] met wie hij in hetzelfde huis en in hetzelfde gezin woonde. Gedurende een langere periode heeft verdachte de grenzen van [minderjarige] fors overschreden en hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De rechtbank heeft in het dossier gelezen en ook ter terechtzitting gezien dat dit voor het gehele gezin verstrekkende gevolgen heeft gehad. Verdachte heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt en hij heeft zich schuldbewust getoond door ter terechtzitting zijn excuses aan te bieden aan [minderjarige] .
Strafblad
De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het advies van de reclassering
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van de reclassering van 3 februari 2026. Door de reclassering worden de leefgebieden huisvesting en relatie, partner, gezin en familie geduid als delictgerelateerde criminogene factoren. Ten aanzien van de overige leefgebieden worden door de reclassering geen problemen gezien. Het is voor de reclassering onduidelijk gebleven hoe het delictgedrag langdurig heeft kunnen plaatsvinden. Volgens de reclassering is verdachte ervan uitgegaan dat sprake was van wederzijdse toestemming, zonder dat expliciet om deze toestemming gevraagd is bij aangeefster. Door de reclassering worden twijfels gezien ten aanzien van een forensische behandeling, gelet op de lage risico’s, de goede inbedding in de maatschappij en zijn relatief jonge leeftijd. Anderzijds is uit het onderzoek van de reclassering ook naar voren gekomen dat er veel problemen zijn in het gezinssysteem. De reclassering is van oordeel dat een behandeling hierbij ondersteunend kan zijn voor verdachte. De reclassering adviseert om een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod als bijzondere voorwaarden op te leggen. Door de reclassering worden geen indicaties gezien voor het adviseren van het adolescentenstrafrecht, omdat geen sprake is van lvb-problematiek, verdachte geen kinderlijker gedrag vertoont dan dat van zijn kalenderleeftijd verwacht mag worden en er is geen sprake van pedagogische beïnvloeding of de noodzaak hiertoe.
Straf
De rechtbank staat vervolgens voor de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de leeftijd en de ontwikkelingsfase van verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten.
De rechtbank is met de officier van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke jeugddetentie – vanuit het oogpunt van vergelding en preventie – passend en geboden is. De rechtbank acht het van belang dat verdachte ondersteuning en behandeling krijgt, gelet op de complexe gezinssituatie. De rechtbank komt echter tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, waardoor de rechtbank ook tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 120 uren op en daarnaast een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting. De rechtbank ziet gelet op de familieverhoudingen en de door [minderjarige] uitgesproken mogelijke wens tot contact, op termijn, geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod, zoals door de reclassering is geadviseerd.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het onder feit 2 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat het causaal verband kan onvoldoende worden vastgesteld. De vordering levert hiermee een onevenredige belasting van het strafproces op. Voorts is – door het niet verstrekken van de stukken van de psycholoog – aan de verdediging de mogelijkheid ontnomen om de vordering aanvullend te betwisten. De verdediging heeft daarom primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren en subsidiair de vordering te matigen.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden die binnen één van de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde categorieën valt. Door het feit is de lichamelijke integriteit van de benadeelde aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen van de normschending voor [minderjarige] zo voor de hand liggen dat wordt aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de Rotterdamse schaal.
Het meest vergaande verwijt is echter niet bewezenverklaard, waardoor de rechtbank op een lagere schatting van de schade uitkomt. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 30 april 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Dit betreft het midden van de bewezenverklaarde periode.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 120 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden;
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, [adres] , via het telefoonnummer: 088-8041401.
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 2.000,- (tweeduizend euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan geen gijzeling worden toegepast.
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. L. M. Vogel en mr. M. Hoedeman, kinderrechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2026.
L. Willems is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.