RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/196445-25
Datum uitspraak : 2 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Ravenswaaij, gemeente Buren als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Suzuki), daarmee rijdende op de weg, de Ravenwaaijsesteeg, op de kruising met de N320, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht op kruisend verkeer werd belemmerd door de laagstaande zon en/of terwijl voor voormelde kruising aan de linkerzijde en/of aan de rechterzijde van die weg (de Ravenwaaijsesteeg) in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Stop, verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” waren geplaatst en/of terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Ravenwaaijsesteeg) een stopstreep was aangebracht,
- zonder te remmen, althans zonder (sterk) snelheid te verminderen voornoemde kruising is genaderd en/of opgereden en/of
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de N320) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg verkeer naderde en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 79 jo. bord B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met zijn voertuig voor die op het wegdek van die kruisende weg aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met voormeld bord B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht van rechts genaderd zijnde voertuig (personenauto, merk Citroën) en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Citroën),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Ravenswaaij, gemeente Buren als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Ravenwaaijsesteeg, op de kruising met de N320, terwijl het zicht op kruisend verkeer werd belemmerd door de laagstaande zon
en/of terwijl voor voormelde kruising aan de linkerzijde en/of aan de rechterzijde van die weg (de Ravenwaaijsesteeg) in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Stop, verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” waren geplaatst en/of terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Ravenwaaijsesteeg) een stopstreep was aangebracht,
- zonder te remmen, althans zonder (sterk) snelheid te verminderen voornoemde kruising is genaderd en/of opgereden en/of
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de N320) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg verkeer naderde en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 79 jo. bord B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met zijn voertuig voor die op het wegdek van die kruisende weg aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met voormeld bord B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht van rechts genaderd zijnde voertuig (personenauto, merk Citroën) en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Citroën),
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Ravenswaaij, gemeente Buren als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Ravenwaaijsesteeg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de N320, een bord B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of een verbod inhoudt, immers die kruisende weg zonder te stoppen is opgereden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 15 april 2025 reed verdachte als bestuurder van een personenauto, te weten een Suzuki Celerio, over de Ravenswaaijsesteeg, komende uit de richting Buren en gaande in de richting van Ravenswaaij. Verdachte verleende op de kruising van de Ravenswaaijsesteeg met de N320 geen voorrang aan het van rechts komende voertuig, een Citroën C5, waarin [slachtoffer] reed. Verdachte is niet gestopt voor het stopbord B7 en de stopstreep bij de kruising voor de overgang met de N320. Het zicht van verdachte werd belemmerd door de laagstaande zon. Bij het oprijden van de kruising is het voertuig van verdachte in botsing gekomen met het voertuig van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft door het ongeval aan de linkerzijde een gebroken sleutelbeen opgelopen, waar zij op 25 mei 2025 aan geopereerd is en waardoor zij de eerste zes weken na de operatie haar schouder niet mocht bewegen. [slachtoffer] heeft daarna nog fysiotherapie gehad. [slachtoffer] had daarnaast door het ongeval pijn aan haar rug en bovenbeen, in haar bovenbeen zat een zenuw bekneld. [slachtoffer] heeft door de gevolgen van het ongeval in ieder geval tot 13 mei 2025 niet gewerkt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij ter hoogte van de kruising met de Ravenswaaijsesteeg in haar linkerooghoek plotseling een rode flits zag en bijna gelijktijdig een luide knal hoorde.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 15 april 2025 in een Tesla reed op de N320. Voor hem reden nog twee auto’s. Ze reden allemaal ongeveer dezelfde snelheid van ongeveer 100 km/u. [getuige] zag dat een rode personenauto op de linkerkruisende weg met de N320 reed. [getuige] dacht: “dit komt niet goed”, omdat hij zag dat de auto geen vaart minderde terwijl hij richting de kruising reed. Daarom remde hij zelf af. Hij zag dat de auto voor hem ook remde. [getuige] zag dat de rode personenauto in één beweging de N320 opreed, zonder eerst te stoppen of te remmen. [getuige] zag dat de auto nog een remmende beweging maakte toen hij eenmaal op de N320 reed.
Door een verbalisant van de politie zijn de beelden van de Tesla van getuige [getuige] uitgekeken. Op de beelden is te zien dat een kleine rode personenauto vanaf links, op de Ravenswaaijsesteeg, van buiten het kader het beeld in reed, richting de kruising met de N320. De verbalisant merkt op dat dit gaat om de rode Suzuki Celerio van verdachte. Te zien is dat de Suzuki Celerio op het moment dat hij in beeld verscheen de eerste schuur van het perceel Ravenswaaijsesteeg 35, vanaf de provinciale weg N320 gezien, voorbij reed. De Suzuki Celerio reed vervolgens met de voorwielen de provinciale weg N320 op. De verbalisant zag niet dat de Suzuki Celerio stopte, remde of langzamer ging rijden toen deze richting de kruising reed. De Suzuki Celerio reed met een, naar de indruk van de verbalisant, constante snelheid richting de kruising. Te zien is dat de Suzuki Celerio rechtdoor, vanaf de Ravenswaaijsesteeg gezien, op de provinciale weg N320 reed. De verbalisant zag dat de Suzuki Celerio bij het passeren van de dubbele doorgetrokken streep met de voorkant iets zakte, waarbij de achterkant iets omhoog kwam, alsof deze remde. Op dat moment zag is te zien dat de zwarte Volkswagen Polo, vanaf het camerastandpunt gezien, nog op een afstand van naar schatting twintig meter voor dekruising reed en alle drie de remlichten van deze auto oplichtten. Een fractie later is door de achterruit van de Volkswagen Polo te zien dat de Suzuki Celerio met zijn voorzijde de flank van de Citroen C5 raakte. Kennelijk werd de Citroen C5 met kracht door de Suzuki Celerio geraakt, omdat deze 180 graden om zijn as draaide in het horizontale vlak en de koplampen schenen richting de camera. Na het raken van de Citroen C5 reed de Suzuki Celerio verder over de N320 achter de Citroen C5 langs, waarbij de remlichten van de Suzuki Celerio oplichtten, en door de klap van de aanrijding de achterkant van de Suzuki Celerio omhoogkwam. Te zien is dat deze stuiterend een draai van 90 graden naar links maakte en aan de andere kant van de weg, op een verhoging van stoepranden, tot stilstand kwam, nog steeds met de remlichten brandende.
Conclusie
De rechtbank leidt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen af dat in de ochtend op 15 april 2025 sprake was van een laagstaande zon, waardoor het zicht van verdachte werd belemmerd. Verdachte is bij het stopbord en voor de stopstreep bij de kruising tussen de Ravenswaaijsesteeg en de N320 niet gestopt. Verdachte heeft kennelijk niet of in ieder geval onvoldoende gelet op het van rechts komende verkeer op de N320 en hij is vervolgens de N320 opgereden, terwijl [slachtoffer] op de voorrangsweg (N320) van rechts kwam. Daarbij is door de verbalisant die de beelden heeft uitgekeken gezien dat verdachte met een constante snelheid richting de kruising reed. Pas bij het passeren van de streep is te zien dat verdachte remde, zoals ook getuige [getuige] heeft verklaard. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte – anders dan dat hij zelf heeft verklaard – vóórdat hij het kruispunt opreed zijn snelheid niet heeft verminderd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hierdoor een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd waar medeweggebruikers niet tijdig op konden anticiperen. Het geheel van gedragingen maakt dat naar het oordeel van de rechtbank, het handelen van verdachte te kwalificeren is als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 van de WVW.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval een gebroken sleutelbeen heeft opgelopen, waaraan zij is geopereerd en waardoor zij in ieder geval tot aan 13 mei 2025 (de datum van het verhoor) niet heeft kunnen werken. Het dossier bevat geen informatie over het verloop van het herstel sindsdien. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat gelet op hetgeen de rechtbank uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de aard van het letsel en het herstel ontoereikend is om het letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is wel van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat sprake was van zodanig lichamelijk letsel – ontstaan door het ongeval – dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, daar [slachtoffer] in ieder geval zes weken haar arm niet kon bewegen en waardoor zij een aantal weken niet heeft kunnen werken.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Ravenswaaij, gemeente Buren als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Suzuki), daarmee rijdende op de weg, de Ravenswaaijsesteeg, op de kruising met de N320, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht op kruisend verkeer werd belemmerd door de laagstaande zon en/of terwijl voor voormelde kruising aan de linkerzijde en/of aan de rechterzijde van die weg (de Ravenswaaijsesteeg) in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Stop, verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” waren geplaatst en/of terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Ravenswaaijsesteeg) een stopstreep was aangebracht,
- zonder te remmen, althans zonder (sterk) snelheid te verminderen voornoemde kruising is genaderd en/of opgereden en/of
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende (voorrangs)weg (de N320) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende (voorrangs)weg verkeer naderde en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 79 jo. bord B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met zijn voertuig voor die op het wegdek van die kruisende weg aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met voormeld bord B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht van rechts genaderd zijnde voertuig (personenauto, merk Citroën) en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het voor hem van rechts dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Citroën),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf subsidiair 60 dagen hechtenis en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 15 april 2025 zodanig gedragen als bestuurder van een personenauto, dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is zonder zijn snelheid te verminderen een kruising met een voorrangsweg opgereden. Hij was ermee bekend dat dit een gevaarlijk kruispunt was. Daarbij komt dat het zicht van verdachte werd belemmerd door de laagstaande zon. Dit had voor verdachte temeer reden moeten zijn om beter op te letten en ook daadwerkelijk bij het stopbord en de stopstreep te stoppen, om zich ervan te verzekeren dat er geen verkeer naderde en hij veilig de weg over kon steken. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij in de gegeven omstandigheden zo onvoorzichtig heeft gehandeld.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 15 januari 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring van het letsel dan de officier van justitie. De LOVS-oriëntatiepunten geven bij een ongeval met lichamelijk letsel dat tijdelijke verhindering van de dagelijkse werkzaamheden met zich meebrengt als uitgangspunt een geldboete van 1300 euro en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze straf in beginsel passend en geboden is. Nu verdachte voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur afhankelijk is van zijn rijbewijs en niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen, doch deze dan wel verhogen naar zes maanden.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een geldboete van € 1.300,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis;
ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2026.