RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.301149.24
Datum uitspraak : 10 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1957 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. A.H.T. de Haas, advocaat in Putten.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Ermelo, althans in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handeling heeft gepleegd, te weten (terwijl zowel hij, verdachte, als die [slachtoffer] gekleed waren in zwemkleding)
- het vastpakken van die [slachtoffer] bij haar heupen ter hoogte van haar bikinibroekje en/of
- het achter die [slachtoffer] gaan zitten waardoor de rug van die [slachtoffer] zijn, verdachtes, buik aanraakte en/of
- het naar zijn, verdachtes, lichaam toetrekken van die [slachtoffer] en/of
- het slaan van zijn, verdachtes, arm om de buik van die [slachtoffer] en/of
- het op schoot tillen en/of zetten en/of trekken van die [slachtoffer] en/of
- het (vervolgens) (hierbij) beletten van die [slachtoffer] om weg te komen door die [slachtoffer] (met kracht) vast te houden in haar zijden en/of
- het op en neer bewegen van zijn, verdachtes, benen.
2. De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod en een taakstraf van 120 uren.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ontuchtige handelingen
De rechtbank gaat gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte en de camerabeelden in het dossier uit van het volgende.
Op 10 maart 2024 waren verdachte en de toen 11-jarige [slachtoffer] in het zwembad. Verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar niet of enkel van gezicht.
Verdachte en [slachtoffer] zijn vier keer samen van de glijbaan gegaan: één keer achter elkaar aan en drie keer tegelijkertijd. Daarbij heeft verdachte [slachtoffer] vastgepakt, zodat zij tegen elkaar aan zaten toen zij de glijbaan afgingen. Ook heeft verdachte [slachtoffer] in het bubbelbad naar zich toe getrokken en enige tijd vastgehouden.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de tenlastegelegde handelingen zijn aan te merken als ontuchtige handelingen. Ontuchtige handelingen zijn handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.
Op de camerabeelden van het zwembad is te zien dat verdachte [slachtoffer] heeft aangeraakt bij haar armen, middel, buik en heupen. Deze delen van het lichaam zijn niet per definitie van zodanige aard dat een aanraking daar als een handeling van seksuele aard moet worden geacht, zoals aanrakingen van bijvoorbeeld een geslachtsdeel of borsten dat wel zijn.
De tenlastegelegde handelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan passen bij een spelsituatie. Verdachte en [slachtoffer] zijn samen van de glijbaan gegaan en in het bubbelbad wilde verdachte [slachtoffer] laten drijven. Wanneer verdachte dit niet had gedaan met een onbekend 11-jarig meisje maar met zijn eigen kleindochter van dezelfde leeftijd, had dit waarschijnlijk niet tot enige ophef of verdenking geleid. Juist de omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer] elkaar in dit geval niet kenden, maakt het contact in strijd met de sociaal-ethische norm. Het is echter pas strafbaar als de handelingen ook een seksuele aard hebben.
Verdachte ontkent dat hij met de handelingen een seksuele intentie had, en uit het dossier blijkt ook niet dat bij verdachte sprake was van een seksuele intentie. De camerabeelden, waarop ook te zien is wat er voor en na de tenlastegelegde handelingen gebeurt, geven evenmin aanleiding om uit te gaan van een seksuele intentie bij verdachte. De rechtbank wordt nog verder gesterkt in dit oordeel door de omstandigheid dat [slachtoffer] degene was die contact zocht met verdachte, en niet andersom.
Nu er bij de handelingen geen sprake was van een seksuele aard, worden zij niet aangemerkt als ontuchtige handelingen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.
Ongepast
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt.
Dat geen sprake is van ontuchtige handelingen betekent niet dat [slachtoffer] de situatie niet als vervelend of angstig kan hebben ervaren. [slachtoffer] heeft door deze dag en alles wat daarop volgde een heftige tijd meegemaakt.
Volgens de rechtbank kunnen echter zowel de verklaring en beleving van verdachte als de verklaring en beleving van [slachtoffer] tegelijkertijd naast elkaar bestaan.
De rechtbank merkt verder op dat het gedrag van verdachte, die als oudere man met een onbekend 11-jarig meisje samen van de glijbaan gaat en haar in het bubbelbad vasthoudt, ongepast is. Verdachte had moeten inzien dat dit echt wat anders is dan wanneer hij dit zou doen met zijn eigen kleinkind. Dat gezegd hebbende, gelooft de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij geen verkeerde intenties heeft gehad, maar enkel is ingegaan op het initiatief van [slachtoffer] om mee te gaan in haar spel.
4. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 90,09 aan materiële schade en € 11.500 aan smartengeld (waarvan € 10.000 dient als ophoging in het geval van hoger beroep nu nog geen sprake is van een eindsituatie), allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.