RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-318688-20
VI-zaaknummer: 99-000778-57
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:13 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat in ’s-Hertogenbosch.
De procedure
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 4 mei 2021 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden veroordeeld.
Bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 24 april 2023 is veroordeelde op 23 mei 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast is als bijzondere voorwaarde gesteld dat veroordeelde zich dient te melden bij de reclassering, teneinde een reclasseringsrapportage op te stellen met daarin een advies omtrent de bijzondere voorwaarden tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Veroordeelde is vervolgens op 30 mei 2023 overgedragen aan België voor het uitzitten van een gevangenisstraf van vier jaren. In België is hij op 21 oktober 2024 in vrijheid gesteld, waarna hij zich weer moest melden bij de reclassering. Bij wijzigingsbesluit van 22 januari 2025 zijn aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling nadere bijzondere voorwaarden gesteld, die bij wijzigingsbesluit van 24 maart 2025 gewijzigd zijn. Op 11 juli 2025 zijn de bijzondere voorwaarden opnieuw gewijzigd, waarna de volgende bijzondere voorwaarden gelden:
- veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met:
o [naam 1] geboren op [geboortedatum 2] 1983;
o [naam 2] geboren op [geboortedatum 3] 2002;
o [naam 3] geboren op [geboortedatum 4] 2002;
Op 2 oktober 2025 heeft de officier van justitie de onderhavige vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend. Die vordering strekt ertoe dat de rechtbank beslist dat last zal worden gegeven tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 237 dagen.
Het onderzoek ter terechtzitting
De vordering tot herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling is behandeld op de openbare terechtzittingen van 24 oktober 2025, 7 november 2025 en op 23 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde op 23 januari 2026;
- zijn raadsman;
- deskundigen I.J.B. Evers en M.T.M. Thoonen, beiden reclasseringswerker, en
- de officier van justitie.
De standpunten
De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen. Daaraan is het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Veroordeelde heeft zich tijdens het toezicht zeer zelfbepalend opgesteld en hij heeft zich meerdere keren niet aan de voorwaarden gehouden. De reclassering ziet gelet op de opstelling van veroordeelde geen mogelijkheden het toezicht voort te zetten.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet opportuun is. Hiertoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd. De reclassering heeft aanvankelijk geadviseerd geen bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Enkele maanden na de voorwaardelijke invrijheidsstelling zijn door het openbaar ministerie alsnog voorwaarden opgelegd, waaronder een drugsverbod. Vast staat dat veroordeelde geruime tijd uit detentie is en dat hij sindsdien niet is gerecidiveerd. Hij lijkt zijn leven op orde te hebben. Wanneer de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen wordt, raakt hij alle beschermende factoren die er nu zijn kwijt, waardoor de kans op herhaling juist groter wordt.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit de proeftijd te verlengen onder de algemene voorwaarden, zoals de reclassering aanvankelijk had geadviseerd.
De beoordeling
Uit het reclasseringsrapport van 5 september 2025 en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de gang van zaken rondom de voorwaardelijke invrijheidsstelling van veroordeelde anders is gelopen dan gebruikelijk. De reclassering had aanvankelijk geadviseerd veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid te stellen zonder bijzondere voorwaarden, omdat getwijfeld werd of veroordeelde in staat zou zijn deze voorwaarden na te leven. Later zijn door de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (CVVI) alsnog voorwaarden opgesteld terwijl de proeftijd al liep en de reclassering heeft getracht hier in het toezicht uitvoering aan te geven. Ondanks meerdere pogingen van de reclassering om met veroordeelde mee te denken, heeft hij kenbaar gemaakt niet te zullen stoppen met blowen en geen hulpvraag te hebben in het kader van een ambulante behandeling. Daarmee leeft hij de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden niet na. In dat geval kan de voorwaardelijke invrijheidsstelling worden herroepen.
De rechtbank overweegt dat de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling zijn verbonden ertoe dienen het plegen van nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Niet is gebleken dat veroordeelde sinds zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling is gerecidiveerd, ondanks zijn drugsgebruik in de vorm van blowen. Gelet op de persoon van verdachte acht de rechtbank niet denkbeeldig dat de kans op het opnieuw plegen van strafbare feiten zal toenemen als de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen en veroordeelde terug moet naar de gevangenis. In deze omstandigheden ziet de rechtbank – in dit specifieke geval – en mede gelet op feit dat de bijzondere voorwaarden omtrent het drugsgebruik van veroordeelde pas later in de proeftijd werden geformuleerd, aanleiding de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen. Het enkele feit dat betrokkene zelfbepalend is geweest en lastig bleek in de samenwerking is in dit geval onvoldoende om alsnog tot herroeping over te gaan gelet op het feit dat dit bij de reclassering al lang bekend was en dat mede de reden was waarom aanvankelijk geen bijzondere voorwaarden werden geadviseerd.
De rechtbank stelt vast dat proeftijd van veroordeelde inmiddels is verstreken, zodat verlenging van de proeftijd en aanpassing van de voorwaarden zoals subsidiair is verzocht door de verdediging niet meer aan de orde is.
De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.