ECLI:NL:RBGEL:2026:1845

ECLI:NL:RBGEL:2026:1845

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 24-5210
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Einduitspraak. Parkeerbehoefte beeldentuin met activiteiten en workshops niet duidelijk. Onvoldoende gemotiveerd. Gebrek tussenuitspraak niet hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] en [eiseres], uit [plaats 1], eisers

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] te [plaats 2]

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/5210

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),

en

(gemachtigde: L. Bosch).

(gemachtigde: [gemachtigde]).

1. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college met het parkeeronderzoek het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Het beroep is gegrond omdat er een motiveringsgebrek in het besluit zit. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en draagt het college op opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Procesverloop

2. Het college heeft op 9 november 2023 aan de derde-partij een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een beeldentuin met activiteiten en workshops. Met de beslissing op bezwaar van 27 augustus 2024 is het college, onder het stellen van nadere voorschriften, bij dat besluit gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] namens eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.

In de tussenuitspraak van 9 september 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college ook in de gelegenheid gesteld om een besluit op de ingebrekestelling te nemen. Met het besluit van 16 september 2025 heeft het college op de ingebrekestelling beslist en de hoogte van de verbeurde dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen vastgesteld.

Het college heeft op 20 oktober 2025 een aanvullende motivering met ‘parkeeronderzoek’ ingediend.

Eiser heeft hierop met de e-mail van 13 november 2025 zijn zienswijze gegeven. De derde-partij heeft niet gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 december 2025 gesloten.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank blijft daarom bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

Welk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?

4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de parkeerbehoefte is en hoe in die parkeerbehoefte wordt voorzien. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het college in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moest het college motiveren wat de parkeerbehoefte is en hoe dit wordt opgevangen. Daarbij kan het college betrekken of er parkeerregels in de gemeente gelden. Ook moet het college daarbij betrekken dat het atelier van de derde-partij al een bestaande parkeerbehoefte heeft. Het college kan dit bijvoorbeeld aan de hand van een parkeeronderzoek nader onderbouwen.

Wat is de herstelpoging van het college?

Bestaande parkeerbehoefte werkplaats/atelier

5. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een door het college zelf uitgevoerd parkeeronderzoek ingediend. Volgens het college volgt uit de Nota Parkeernormen Montferland 2024 (Nota Parkeernormen) dat een (toename in) parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgevangen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens het college is de bestaande parkeerbehoefte van de kunstwerkplaats 2,4 parkeerplaats per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak (BVO). Het college gaat daarbij uit van de hoofdcategorie ‘werken’, subcategorie ‘werkplaats’ in gebied D (buitengebied).

Uitsnede Tabel Parkeernota Montferland 2024, bestaande functie.

De loods die als werkplaats in gebruik is heeft een omvang van 320 m2. Het college komt dan op een bestaande parkeerbehoefte van 2,4 / 100 x 320 = 7,7 afgerond 8 parkeerplaatsen.

Parkeerbehoefte beeldentuin

De beeldentuin heeft volgens het college geen grote bekendheid zoals landelijk bekende beeldentuinen. Tijdens openingstijden is het beperkt toegankelijk. Het college verwacht dat de meeste bezoekers voor de beeldentuin uit de omgeving komen en dat het veelal gaat om (recreatieve) passanten die op de fiets komen. Voor bezoekers die met de auto komen, geldt dat zij zo dicht mogelijk bij de beeldentuin in de openbare ruimte parkeren. Hiervoor is volgens het college beperkt ruimte aanwezig op een strook grond bij de entree van de beeldentuin. Het is een strook die op het breedste punt 4 meter is. Dit biedt ruimte voor ongeveer 4 auto’s.

Volgens het college kan gelet op de aard en omvang van de beeldentuin uitgegaan worden van een aantal bezoekers van 10 personen per dag. Naar verwachting komen de bezoekers niet tegelijk maar verspreid over de dag. Volgens het college mag aangenomen worden dat de parkeerruimte voor 4 auto’s volstaat.

Parkeerbehoefte activiteiten en workshops

Het college stelt in het parkeeronderzoek dat er geen duidelijke parkeernorm bestaat voor de vergunde activiteiten en workshops. Het college baseert dit op een AI-tool, waaruit volgt dat voor een workshop met 10 bezoekers 1 tot 2 parkeerplaatsen nodig zijn. Dat komt volgens de AI-tool neer op een parkeernorm van 0,2 parkeerplaats per workshop. Gelet op het georganiseerde karakter van de activiteiten neemt het college aan dat voor de activiteiten in dit geval kan worden volstaan met een parkeernorm van 0,4 per deelnemer, ook omdat niet iedereen met de auto komt. Voor de expositie-openingen, waarbij maximaal 80 aanwezigen zijn, betekent dat een parkeerbehoefte van 32 parkeerplaatsen. De expositie-openingen vinden maximaal 2 keer per jaar plaats. Voor de culturele ontmoetingen en workshops wordt uitgegaan van maximaal 20 deelnemers. Dit betekent dat hiervoor een parkeerbehoefte geldt van 20 x 0,4 = 8 parkeerplaatsen.

Totale parkeerbehoefte

De totale parkeerbehoefte bij activiteiten die met enige regelmaat plaatsvinden bedraagt volgens het college 20 parkeerplaatsen. Dat bestaat uit 8 parkeerplaatsen voor de werkplaats, 4 parkeerplaatsen voor de beeldentuin en 8 parkeerplaatsen voor de activiteiten. Er is sprake van maximaal één activiteit per dag. Volgens de verkeersdeskundige van het college passen er maximaal 9 auto’s op het terrein van de derde-partij. Ook is er ruimte voor 10 langsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Volgens het college heeft de werkplaats echter een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen, waarmee het terrein van de derde-partij volledig in de parkeerbehoefte van de werkplaats voorziet. Gelet op de doelgroep die er werkt en omdat niet iedereen de beschikking heeft over een auto, staat het parkeerterrein niet dagelijks vol.

Volgens het college kan een deel van de benodigde parkeerplaatsen voor de activiteiten en workshops worden opgevangen op het terrein van de werkplaats. Als op dit terrein 2 parkeerplaatsen beschikbaar blijven voor bezoekers, dan is sprake van een tekort van 6 parkeerplaatsen. De [locatie] heeft een rabatstrook waarop volgens het college ook geparkeerd kan worden. In de praktijk wordt daar ook al geparkeerd. Gelet op het beperkte tekort aan parkeerruimte op eigen terrein in het geval van een culturele ontmoeting en het beperkte aantal culturele ontmoetingen per jaar (maximaal 10) stelt het college dat dit tekort zonder problemen in de openbare ruimte kan worden opgevangen.

Met de twee expositieopeningen per jaar is het parkeertekort groter. Op die dagen biedt de rabatstrook volgens het college echter ook voldoende ruimte.

Het college stelt dat de beperkte parkeerruimte op eigen terrein van de derde-partij en het beroep dat in zekere situaties door hem wordt gedaan op de openbare ruimte aanleiding geeft tot enkele aanvullende voorwaarden in de vergunning:

Heeft het college het gebrek hersteld?

6. Eisers betogen dat het college het gebrek niet hersteld heeft. Eisers menen ten eerste dat de parkeerbehoefte van 8 parkeerplekken, die volgens het college volgt uit de Nota Parkeernormen, hoofdcategorie “Werken” niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit is berekend met een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Er komen dusdanig veel mensen op de activiteiten af dat een parkeerbehoefte van 8 parkeerplekken niet realistisch is. Het college heeft volgens eisers ook niet onderbouwd waarom het hanteren van de betreffende norm uit de Nota Parkeernormen als representatieve categorie kan worden gehanteerd. Eisers betogen ook dat het college niet uit mag gaan van een stellingname dat de beeldentuin geen grote bekendheid heeft. Volgens eisers heeft het college geen goed besef wat de parkeerbehoefte van de voorgenomen activiteiten is. Het college houdt volgens eisers geen rekening met de ligging in het buitengebied en het gebrek aan openbaar vervoer binnen een acceptabele loopafstand van het perceel van de derde-partij. Het advies aan bezoekers om niet met de auto te komen is volgens eisers een juridisch nietszeggend advies. Het college heeft daarnaast ten onrechte niet gekeken naar de maximale planologische mogelijkheden die de omgevingsvergunning biedt. Tot slot betogen eisers dat onduidelijk is waarom het college een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats hanteert per deelnemer van de activiteiten. Parkeren op eigen terrein is volgens eisers niet mogelijk. De bestaande werkplaats heeft een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen en op het terrein van de werkplaats zijn 8 parkeerplaatsen aanwezig. Extra parkeerbehoefte kan de derde-partij dus niet op eigen terrein opvangen. Volgens eisers kan deze parkeerbehoefte ook niet in de openbare ruimte worden opgevangen. Dat voldoet volgens eisers ook niet aan de Nota Parkeernormen, waaruit volgt dat op eigen terrein moet worden voorzien in de parkeerbehoefte.

Uit de Nota Parkeernormen volgt dat een 7-stappenplan wordt gehanteerd bij het bepalen van de parkeerbehoefte.

Figuur 1 uit Nota Parkeernormen

De normen voor het berekenen van de parkeervraag volgen uit bijlage 4 van de Nota Parkeernormen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de door eisers eerstgenoemde parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen ziet op het bestaande gebruik van de werkplaats. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college geen rekening gehouden heeft met de bestaande parkeerbehoefte van de werkplaats. Met deze berekening heeft het college aangetoond dat de werkplaats een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen heeft. De rechtbank ziet in dat wat eisers betogen geen aanleiding voor het oordeel dat de bestaande werkplaats niet aansluit bij de hoofdcategorie “Werken” met een parkeernorm van 2,4 per 100 m2 BVO. In zoverre slaagt het betoog niet.

De rechtbank oordeelt evenwel dat niet duidelijk is waarom een norm van 4 parkeerplaatsen volstaat voor de beeldentuin. De functie beeldentuin komt niet voor in bijlage 4 van de Nota Parkeernormen. Volgens artikel 3.3.3. van de Nota Parkeernormen wordt, in het geval een te realiseren functie niet is opgenomen in de bijlage, de meest vergelijkbare functie toegepast. De rechtbank merkt op dat onder de hoofdcategorie “sport, cultuur en ontspanning” bijvoorbeeld een museum en een plantentuin staan. Het college heeft niet gemotiveerd of er sprake is van een vergelijkbare functie. Verder volgt uit artikel 3.3.3. van de Nota Parkeernormen dat wanneer er geen vergelijkbare functie is, het college een aparte berekening uitvoert om de bijbehorende parkeervraag te bepalen. De aanname is dat de beeldentuin geen grote bekendheid geniet en dat bezoekers veelal op de fiets komen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een te weinig concrete uitleg. Het is ook niet duidelijk waar dit op gebaseerd is. Hiermee heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de te verwachte parkeerbehoefte is voor van de beeldentuin.

De rechtbank oordeelt verder dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom voor de activiteiten en workshops een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats gehanteerd kan worden. Zoals onder 6.4. is overwogen, moet het college eerst inzichtelijk maken of er een vergelijkbare functie voorkomt in bijlage 4 van de Nota Parkeernormen. Als dat niet het geval is, moet er een aparte berekening worden gemaakt om de bijbehorende parkeervraag te bepalen. Het college heeft hiervoor een AI-tool geraadpleegd waaruit een parkeerbehoefte van 0,2 parkeerplaats zou volgen. Vervolgens stelt het college dat 0,4 parkeerplaats gehanteerd is. De rechtbank kan niet volgen waarom een AI-tool in dit geval zou volstaan voor het maken van een berekening naar de parkeerbehoefte zoals bedoeld in artikel 3.3.3. van de Nota Parkeernormen. Ook kan de rechtbank niet volgen waarom het college vervolgens een norm van 0,4 parkeerplaats hanteert. Met de aanvullende motivering van het college is niet inzichtelijk geworden wat de parkeerbehoefte voor de activiteiten en workshops daadwerkelijk is. Vervolgens moet bij het berekenen van de parkeerbehoefte ook gekeken worden naar het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Ook daarvan is in de motivering van het college niet gebleken.

De rechtbank stelt vast dat uit de motivering van het college volgt dat geen enkele toename in de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden opgevangen. De parkeerbehoefte die de omgevingsvergunning met zich brengt, moet dus volledig in het openbaar gebied worden opgevangen. Het college baseert zich slechts op de aanname dat de extra parkeerbehoefte in de openbare ruimte kan worden opgevangen. De rechtbank ziet in de motivering niet terug dat ook daadwerkelijk onderzoek gedaan is naar de bezettingsgraad in de openbare ruimte, terwijl het college ook in de motivering opmerkt dat de rabatstrook al gebruik wordt voor parkeren. De voorschriften die het college aan de omgevingsvergunning wil verbinden, maken dit ook niet inzichtelijk. Bovendien geeft het college zelf in de herstelpoging aan dat uit de nota parkeernormen volgt dat wanneer de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden opgevangen, de initiatiefnemer moet aantonen dat de benodigde parkeerbehoefte beschikbaar is in de openbare ruimte door middel van een parkeeronderzoek. Dit is de zevende stap uit het stappenplan van de Nota Parkeernormen en volgt ook uit artikel 6.3.2. van de Nota Parkeernormen. Volgens het college zijn er in het buitengebied geen openbare parkeerplaatsen aanwezig, zodat de parkeerbehoefte in principe volledig op eigen terrein moet worden opgevangen. Verder staat in de motivering dat parkeren in de berm alleen is toegestaan als de berm veilig en juridisch geschikt is voor parkeren en er geen schade ontstaat aan de natuur. Dat dit het geval is, blijkt niet uit de aanvullende motivering van het college. Bovendien volgt uit artikel 6.4 van de Nota Parkeernormen dat in eerste instantie de verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer ligt om een oplossing aan te dragen. Als dat niet lukt, dan is maatwerk mogelijk mits er een goede onderbouwing aan te pas komt. Het college kan op basis van zo’n onderbouwing in zeer uitzonderlijke gevallen besluiten om een (gedeeltelijke) afwijking van de parkeereis toe te staan. In dit geval wordt de hardheidsclausule toegepast. Als de onderbouwing van maatwerk door het college niet akkoord wordt bevonden, dan geldt het niet voldoen aan de parkeereis als weigeringsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelt dat met de aanvullende motivering van het college niet gebleken is dat hij de hardheidsclausule heeft toegepast. Ook is niet gemotiveerd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval om een afwijking van de parkeereis toe te staan.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet is hersteld.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het college het gebrek in zijn reactie op de tussenuitspraak niet heeft hersteld. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 27 augustus 2024. Dit betekent dat het college opnieuw op het bezwaar van eisers moet beslissen.

Het college zal daadwerkelijk onderzoek moeten doen naar de parkeerbehoefte die de omgevingsvergunning met zich brengt. Voor de beeldentuin en de activiteiten en workshops moet het college in kaart brengen wat de te verwachte parkeerbehoefte is. Op voorhand is al duidelijk dat dit niet op eigen terrein kan worden opgevangen, omdat de bestaande parkeerbehoefte van de werkplaats al volledig beslag legt op de parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college moet daarom aan de hand van een parkeeronderzoek bezien of de bezettingsgraad in de openbare ruimte het toelaat om de parkeerbehoefte op te vangen, zoals volgt uit artikel 6.3.2. van de Nota Parkeernormen. Daarbij moet ook worden in gegaan op de vraag of de berm en de rabatstrook veilig zijn om te parkeren en dat daar mag worden geparkeerd. Als blijkt dat de parkeerbehoefte in de openbare ruimte niet kan worden opgevangen, dan moet het college beoordelen of er reden is om de hardheidsclausule toe te passen of dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 27 augustus 2024;

- draagt het college op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van Harten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?