ECLI:NL:RBGEL:2026:1849

ECLI:NL:RBGEL:2026:1849

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 05/308059-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Deels voorwaardelijke celstraf en taakstraf voor zware mishandeling (steken met kapot geslagen bierfles in het gezicht). Noodweer verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/308059-25

Datum uitspraak : 11 maart 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

Raadsvrouw: mr. J. de Haan, advocaat in Koog aan de Zaan.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 november 2025 te Arnhemaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel (te weten (een) steek/snijwond(en) in het gezicht en/of dezijkant van het hoofd, lopende vanaf de (rechter)slaap en/of het (rechter) oor vandie [slachtoffer] tot aan de (rechter)onderkaak(, waarvoor 18 hechtingen moesten wordengezet/geplaatst, teneinde de wond(en) te dichten), heeft toegebracht, immers heefthij -verdachte- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, met een -door hemverdachte- kapot geslagen (glazen) fles, althans een daarop gelijkend scherp en ofpuntig en/of snijdend voorwerp, (met kracht) in de zijkant van het gezicht, althanshet hoofd gestoken/gesneden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 november 2025 te Arnhemter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij -verdachte- die [slachtoffer]meerdere malen, althans eenmaal, met een -door hem verdachte- kapot geslagen(glazen) fles, althans een daarop gelijkend scherp en of puntig en/of snijdendvoorwerp, (met kracht) in de zijkant van het gezicht, althans het hoofdgestoken/gesneden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak voor het primair tenlastegelegde feit bepleit, omdat het letsel van [slachtoffer] niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan volgens haar wel worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 14 november 2025 bij de Albert Heijn in Arnhem bij ‘ [getuige] ’ stond. Een onbekende man (dit bleek later verdachte te zijn) kwam opeens naar hem toe gelopen. Deze man ging neus tegen neus met hem staan. Hij heeft de man vervolgens van zich af geduwd en tussen de fietsen naar de grond gewerkt. Hij hield de man op de grond. Hij zag dat de man een bierflesje in de hand had, deze kapotsloeg en daarmee in zijn gezicht begon te steken. Hij voelde direct pijn en het bloed liep over zijn wang.

Een politieagent die kort na het incident ter plaatse kwam en de wonden van [slachtoffer] heeft verzorgd, heeft hierover geverbaliseerd dat hij zag dat [slachtoffer] minimaal twee grote sneeën in zijn rechterwang had. Deze sneeën waren ongeveer 10 cm lang en ook wat dieper, waardoor het bloed er nog steeds uitliep. Uit het verslag van het Rijnstate ziekenhuis volgt dat [slachtoffer] meerdere snijwonden in het gezicht en de zijkant van het hoofd had, lopend vanaf de rechterslaap tot aan de rechteronderkaak. Er zijn in totaal 18 hechtingen in het gezicht van [slachtoffer] gezet om de wonden te dichten.

Verdachte erkent met een kapot bierflesje een zwaaibeweging in de richting van [slachtoffer] te hebben gemaakt. Hij zou dit hebben gedaan uit zelfverdediging.

Ten aanzien van de toedracht van het incident lopen de verklaringen van verdachte en aangever op onderdelen uiteen. De rechtbank acht in dit verband de volgende verklaring van belang.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 14 november 2025 in Arnhem met het slachtoffer ( [slachtoffer] ) in gesprek was. Verdachte stond op dat moment met een flesje bier in zijn handen iets verderop. Er ontstond vervolgens een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer. [getuige] weet niet waar de ruzie over ging, maar volgens hem was het verdachte die het verbaal uitlokte. Hij zag dat verdachte en het slachtoffer dicht tegenover elkaar gingen staan en verdachte zijn hoofd tegen het hoofd van het slachtoffer aan duwde. Het slachtoffer duwde verdachte weg. Hij zag dat ze vervolgens beiden tussen de fietsen vielen en begonnen te vechten. Ze sloegen elkaar in het gezicht. Opeens hoorde hij glasgerinkel. Hij zag dat verdachte het bierflesje kapot sloeg tegen het fietsenrek. Hij hoorde ineens het slachtoffer zeggen “je bent me aan het steken”. Het steken zelf heeft hij niet gezien, maar hij zag wel dat verdachte zijn arm vooruit stak met het kapotte bierflesje in zijn handen rechtstreeks richting het gezicht van het slachtoffer. Hij hoorde het slachtoffer schreeuwen “bel de politie”. Hij zag daarna dat het slachtoffer in zijn gezicht was gestoken. Het slachtoffer hield verdachte op de grond om zichzelf te beschermen.

De rechtbank acht de verklaring van [getuige] betrouwbaar, nu [getuige] de enige getuige is die het incident heeft waargenomen en zeer kort (10 minuten) na het voorval is gehoord, nota bene nog voordat aangever een verklaring had afgelegd. De verklaring van [getuige] vindt bovendien op relevante onderdelen (zoals het opzoeken van de confrontatie, het bewust kapotslaan van het bierflesje en het op de grond houden van verdachte) steun in de verklaring van aangever en de medische bevindingen met betrekking tot het letsel van aangever. Gezien de hoeveelheid en de locaties van de verwondingen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte meermaals heeft gestoken.

Zwaar lichamelijk letsel

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat aangever als gevolg van de door verdachte verrichte handelingen letsel heeft opgelopen, namelijk meerdere snijverwondingen aan het hoofd en in het gezicht. Aangever heeft het ziekenhuis moeten bezoeken om zijn letsel te laten behandelen. Gelet op de aard van dit letsel, de omvang van de ontsierende littekens in het gezicht en de zichtbaarheid van deze littekens – op de door de politie gemaakte foto’s die op 19 februari 2026 aan het dossier zijn toegevoegd zijn deze (nog steeds) duidelijk zichtbaar – en het medische ingrijpen, dient het letsel naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel.

Opzet

Gelet op de aard van het gebruikte voorwerp – een kapotgeslagen bierflesje – en de wijze waarop verdachte daarmee op korte afstand en met kracht in de richting van het gezicht van aangever heeft gestoken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het gezicht en hoofd zijn kwetsbare delen van het lichaam en het gebruik van een scherp en gebroken glazen voorwerp brengt een aanzienlijke kans op ernstig en blijvend letsel met zich.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 14 november 2025 te Arnhemaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel (te weten (een) steek/snijwond(en) in het gezicht en/of dezijkant van het hoofd, lopende vanaf de (rechter)slaap en/of het (rechter) oor vandie [slachtoffer] tot aan de (rechter)onderkaak, waarvoor 18 hechtingen moesten wordengezet/geplaatst, teneinde de wond(en) te dichten, heeft toegebracht, immers heefthij -verdachte- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, met een -door hemverdachte- kapot geslagen (glazen) fles, althans een daarop gelijkend scherp en ofpuntig en/of snijdend voorwerp,(met kracht) in de zijkant van het gezicht, althanshet hoofd gestoken/gesneden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

5. De strafbaarheid van het feit

Noodweer

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan. Daartoe is aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit een noodzakelijke verdediging van zijn lijf, dan wel redelijkerwijs mocht menen dat hij zich tegen een wederrechtelijke aanranding mocht verdedigen. Zijn reactie was passen en geboden volgens de verdediging; hij heeft van zich afgeslagen met wat voorhanden was, omdat hij op de grond lag tussen de fietsenrekken met [slachtoffer] bovenop zich.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor bij de beoordeling van het bewijs heeft vastgesteld over de feitelijke toedracht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. Immers, zoals blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] die de rechtbank als betrouwbaar heeft aangemerkt, is het verdachte geweest die slachtoffer [slachtoffer] heeft geprovoceerd waarbij hij het slachtoffer eerst verbaal heeft uitgedaagd en vervolgens hoofd aan hoofd met het slachtoffer is gaan staan. Het slachtoffer heeft verdachte daarop van zich afgeduwd, waarna een vechtpartij is ontstaan waarbij verdachte het slachtoffer met een kapotgeslagen flesje in zijn gezicht heeft gestoken/gesneden. Gelet op de voornoemde gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ‘culpa in causa’, oftewel eigen schuld aan de zijde van de verdachte, en dat staat aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – ingeval van een bewezenverklaring voor het subsidiair tenlastegelegde feit – verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met (eventueel) daaraan verbonden het meewerken aan reclasseringstoezicht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Hij heeft het slachtoffer geprovoceerd en op het moment dat het slachtoffer hierop reageerde en het uitmondde in een gevecht, meermalen uitgehaald met een kapotgeslagen bierflesje. Dergelijk geweld is ernstig en heeft in dit geval blijvende gevolgen voor het slachtoffer. Het slachtoffer heeft meerdere snijverwondingen in het gezicht opgelopen die moesten worden gehecht. Uit het dossier blijkt dat er duidelijk zichtbare littekens in het gezicht aanwezig zijn.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2023 een strafbeschikking heeft gehad voor mishandeling. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden opnieuw geweld te gebruiken.

Uit het reclasseringsadvies van 10 februari 2026 volgt dat er zorgen bestaan over de wijze waarop verdachte met zijn verdriet en verlieservaringen omgaat en over zijn forse alcoholgebruik. In het verleden dronk verdachte naar eigen zeggen tot wel achttien halve liters bier per dag en ook recentelijk is nog sprake van een zeer aanzienlijk alcoholgebruik. Ook ten tijde van het onderhavige incident was sprake van fors alcoholgebruik. Verdachte stelt echter dat geen sprake is van een alcoholverslaving en heeft, ook ter zitting, duidelijk aangegeven niet te willen meewerken aan hulpverlening. Gelet op deze weigerachtige houding acht de rechtbank het, ondanks het feit dat de rechtbank met de reclassering van oordeel is dat hulpverlening ten aanzien van de verslavingsproblematiek bij verdachte noodzakelijk is, niet opportuun om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante behandeling, op te leggen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor soortgelijke feiten. Bij het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) gaan deze oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf van zeven maanden. Hoewel het bewezenverklaarde juridisch kwalificeert als zware mishandeling, merkt de rechtbank op dat, zonder af te willen doen aan de ernst van het letsel, onderhavig feit gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval aan de ondergrens van deze strafbepaling raakt. Verder neemt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot onwenselijk gevolg zou hebben dat de hulpverlening die verdachte op dit moment heeft (waaronder het verblijf in een beschermde woonvorm en de door verdachte ervaren begeleiding van zijn hond in verband met PTSS-klachten) wordt doorkruist. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Dat betekent dat verdachte niet terug de gevangenis in hoeft, maar een fors voorwaardelijk deel als stok achter de deur houdt om herhaling te voorkomen. Verder acht de rechtbank het van belang dat verdachte ook daadwerkelijk de gevolgen van zijn handelen ondervindt. Om die reden zal zij daarnaast nog een taakstraf opleggen.

Alles overziend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast legt zij nog een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis op. Het

-geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 136 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 legt daarnaast op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen; en

 heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen en A.P. Stigter, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Jansen
  • mr. P.J. Verbeek

Griffier

  • mr. L.H.M. van Keulen en A.P. Stigter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?