RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-108069-20
v.i. nummer : 89-000166-88
raadkamernummer : 26-004409
datum : 6 maart 2026
Voorwaardelijke invrijheidstelling
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem,
hierna te noemen: veroordeelde.
Voor een meer uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis verwijst de rechtbank naar haar vorige uitspraak van 7 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10007.
1. De procedurele gang van zaken
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 21 november 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 maart 2025 de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde
gevangenisstraf en bepaald dat deze i 38 maanden bedraagt.
Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2025 veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling verleend met ingang van de datum dat de beslissing aan veroordeelde wordt betekend. Daarbij zijn alleen een meldplicht en contactverbod als bijzondere voorwaarden opgelegd. Dit besluit is nooit geëffectueerd en op 29 september 2025 heeft het openbaar ministerie beslist betrokkene niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Dit besluit is op 7 november 2025 door de rechtbank vernietigd met de bepaling dat betrokkene op 12 november 2025 alsnog voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
Veroordeelde is op 12 november 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Daarbij zijn, kort weergegeven, de volgende voorwaarden gesteld;
- meldplicht bij de reclassering Zwolle. o.m voor nader onderzoek naar de te stellen voorwaarden;
- verbod op drugs en alcohol;
- agressieregulatietraining bij I respect.
De reclassering heeft 21 januari 2026 een rapport uitgebracht en daarbij geadviseerd de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Uit dat rapport blijkt het volgende.
- 19 nov 2025: eerste contact, waarbij betrokkene veel weestand toont tegen de voorwaarden, die onhaalbaar zijn. Zijn verschijnen op alle afspraken is niet verenigbaar met zijn full time baan en de werkstraf. Hij geeft aan geen problemen te hebben met drugsverbod, want hij gebruikt al lange tijd niet meer (maar wil niet meewerken aan drugstest die dag).- 28 november 2025: UC bij Tactus is positief op alcohol, xtc, amfetamine, cocaïne en cannabis en de aangetoonde gehaltes wijzen op recent gebruik;- 4 december 2025: schriftelijke waarschuwing; - nadien afnemende waardes bij UC’s; - 18 december 2025: UC negatief;- 19 januari 2026: positief op speed. Betrokkene geeft aan abstinentie van drugs niet langer te kunnen volhouden. Hij heeft speed gebruikt om zijn werk als stratenmaker vol te houden en een privé leven te hebben; zonder speed valt hij meteen in slaap.Voor het overige heeft hij zich wel aan de voorwaarden gehouden.
Het openbaar ministerie heeft op 22 januari 2026 de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde herroepen, welke beslissing op 29 januari 2026 aan hem is uitgereikt.
2. Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 12 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 6 maart 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord veroordeelde, zijn raadsman, mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem en de officier van justitie, mr Kolkman.
3. Bezwaar
De kern van het bezwaar is gericht tegen de voorwaarde van een absoluut verbod op het gebruik van drugs en alcohol. Gesteld wordt dat een dergelijk verbod voor de duur van de proeftijd van een jaar disproportioneel is en in strijd met artikel 8 EVRM. Dat geldt temeer nu bij eerdere VI-besluiten die voorwaarde in het geheel niet werd gesteld. Een meer beperkt verbod tot enkele maanden zou eerder proportioneel zijn.
4. Beoordeling
Veroordeelde heeft een uitgebreid strafblad met een keur aan vermogensdelicten, gewelds- delicten en verkeersdelicten. De reclassering heeft in zijn advies gesteld dat betrokkene een uitgebreid delictverleden kent, dat het plegen van delicten vaak gepaard gaat met middelengebruik en dat de risico’s als hoog ingeschat worden. Tegen die achtergrond is het zonder meer begrijpelijk dat het openbaar ministerie een verbod op het gebruik van alcohol en drugs met bijbehorende controle heeft opgelegd.
Het is duidelijk dat betrokkene dit verbod willens en wetens heeft overtreden, Het reclasseringsrapport vermeldt:
“Er is nog met betrokkene besproken of hij open zou staan voor een verslavings-behandeling om zo het middelengebruik te stoppen en daarmee de risico’s te verminderen. [veroordeelde] geeft echter heel duidelijk aan daar niet open voor te staan. Hij geeft aan dat het geen optie is omdat hij naar zijn mening middels zijn speedgebruik in staat is zijn werk te doen en zo op het ‘rechte pad’ te blijven. Hij geeft zelf aan dat als de voorwaarde van het algehele middelenverbod niet gewijzigd kan worden, hij zichzelf genoodzaakt ziet zijn strafrestant uit te gaan zitten.”
De volgende uitgangspunten moeten worden voorop gesteld:
- het openbaar ministerie bepaalt de voorwaarden waaronder de invrijheidstelling plaatsvindt, niet de rechtbank, noch de veroordeelde;
- dat in eerdere VI-besluiten geen middelenverbod was opgenomen, betekent niet dat dit in opvolgende besluiten niet meer zou mogen;
- tegen de vaststelling van de voorwaarden als zodanig staat geen rechtsmiddel open, in beginsel ook niet via de achterdeur van een bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens schending van een gewraakte voorwaarde.
In onderhavige zaak was er meer aan de hand dan een enkele foute UC. Bij de eerste UC werd betrokkene positief getest op een cocktail van de halve lijst I Opiumwet: alcohol, xtc, amfetamine, cocaïne en cannabis en de aangetoonde gehaltes wijzen op recent gebruik. Terwijl betrokkene wist dat hij die dag een UC zou krijgen. Daarna is er nog een positieve UC geweest. Daarbij komt dat betrokkene zelf aangeeft drugs te hebben gebruikt, daarmee niet te zullen stoppen en liever het resterende strafdeel te gaan uitzitten.
In het licht hiervan kan de rechtbank de beslissing van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling billijken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van
R.M.J. van den Bogaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.