ECLI:NL:RBGEL:2026:1913

ECLI:NL:RBGEL:2026:1913

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 05/033618-26; 89-000157-16; 26-005700
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Uitstel beslissing VI (art. 6.2.13 Sv). Bezwaar gegrond wegens onevenwichtige belangenafweging door OM. Besluitvorming tot overname buitenlandse veroordeling heeft buitengewoon veel vertraging opgelopen (art 2:10 WETS), waardoor veroordeelde ernstig is benadeeld nu hij pas 3 weken vóór VI datum naar Nederland is overgebracht waardoor er geen tijd meer was voor adviezen DJI en reclassering. OM heeft hiermee op geen enkele wijze rekening gehouden. Evenmin met gegeven dat veroordeelde aansluitend op gevangenisstraf nog bijna 1 jaar vervangende hechtenis heeft te ondergaan. Termijn van uitstel wordt terug gebracht naar drie weken voor uitbrengen adviezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

parketnummer : 05-033618-26

v.i. nummer : 89-000157-16

raadkamernummer : 26-005700

datum zitting : 4 maart 2026

datum uitspraak : 11 maart 2026

Voorwaardelijke invrijheidstelling

Beslissing van de enkelvoudig raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het [woonplaats]

,

hierna te noemen: veroordeelde of betrokkene.

1. De procedurele gang van zaken

Het Landesgericht für Strafsachen Graz (Oostenrijk) heeft betrokkene bij vonnis van

7 november 2023 wegens een aansluitende reeks van ernstige diefstallen veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Deze straf is door het Oberlandesgericht Graz bij vonnis van 14 februari 2024 terug gebracht tot vier jaren. Deze veroordeling is onherroepelijk.

Ingevolge het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS), is de tenuitvoerlegging van deze straf overgedragen aan Nederland.

Op 21 februari 2025 heeft het ministerie van justitie en veiligheid van de Oostenrijkse autoriteiten het certificaat als bedoeld in artikel 4 van het Kaderbesluit ontvangen met verzoek deze gevangenisstraf over te nemen.

De staatssecretaris van justitie en veiligheid heeft bij besluit van 6 januari 2026 ingevolge artikel 2:12 WETS beslist dat de betreffende veroordeling door Nederland wordt erkend en dat de gevangenisstraf van 1.461 dagen in Nederland kan worden ten uitvoergelegd. Daarbij is tevens overwogen dat in Oostenrijk de toepassing van voorwaardelijke invrijheidstelling niet zeker is en dat daarom de Nederlande regeling omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is en dat veroordeelde met het oog op tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgebracht naar een penitentiaire inrichting.

Veroordeelde is op 11 februari 2026 overgedragen aan Nederland.

Bij besluit van 12 februari 2026 heeft het openbaar ministerie besloten de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen met 60 dagen, tot uiterlijk 5 mei 2026 .

Een brief van DJI van 3 februari 2026 aan enkele justitiële diensten vermeldt de volgende informatie:

Buitenlandse veroordeling

Land

Oostenrijk

Buitenlandse rechtbank

Landesgericht für Strafsachen Graz

i.c.m. Oberlandesgericht Graz

Datum uitspraak

07-11-2023

Datum onherroepelijk

14-02-2024

Duur gevangenisstraf

1.461 dagen

Feiten

Betrokkenheid bij het zich in de periode van 11 april 2023 tot en met 6 juli 2023 plegen van zes diefstallen en één poging daartoe

Datum oordeel gerechtshof

22-09-2025

Datum erkenningsbeslissing

06-01-2026

Detentie

Duur gevangenisstraf

1.461 dagen

Begindatum

06-07-2023

(Eerst mogelijke) v.i. datum

06-03-2026

Duur buitenlandse detentie

951 dagen

Duur voorwaardelijke invrijheidstelling

487 dagen

Aftrekdagen overleveringsdetentie/

hechtenis buitenland

-

Nieuwe of oude v.i. regeling

Nieuwe (het buitenlandse vonnis is gewezen op of na 1 juli 2021

Bijzonderheden v.i.

-

Betrokkene heeft wegens het niet betalen van een schadevergoedingsmaatregel (307 dagen) en enkele geldboetes vervangende hechtenis open staan van in totaal 350 dagen. Uitgaande van de reguliere VI-datum van 6 maart 2026 zou het einde van de vervangende hechtenis bij executie hiervan uitkomen op 1 maart 2027 . Uitgaande van de einddatum gevangenisstraf (zonder VI) zou dat 20 juni 2028 zijn.

2. De procedure

Veroordeelde heeft op 25 februari 2026 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van het openbaar ministerie van 12 februari 2026.

Het openbaar ministerie heeft op 3 maart 2026 gereageerd.

Het bezwaar is op 4 maart 2026 in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord:

- veroordeelde,

- zijn raadsman, mr. G.F. Schadd,

- de officier van justitie.

3. Het bezwaar

Het namens veroordeelde naar voren gebrachte bezwaar tegen het besluit tot uitstel is drieledig.

Het heeft een jaar geduurd voordat de minister een besluit heeft genomen over de erkenning van het Oostenrijkse vonnis en de voortzetting van de tenuitvoerlegging in Nederland terwijl dit volgens artikel 2:10 WETS binnen negentig dagen zou moeten geschieden. Deze vertraging zou te maken hebben met capaciteitsgebrek bij de betreffende afdeling van het ministerie. Veroordeelde is hierdoor ernstig benadeeld.

Als de Oostenrijkse straf niet was overgedragen aan Nederland, zou veroordeelde volgens de regels van het Oostenrijkse strafrecht ook al veel eerder, namelijk na de helft, maar in ieder geval na twee derde van de straf, in vrijheid zijn gesteld. Omdat het zo lang duurde voordat hij werd overgebracht, heeft veroordeelde naar eigen zeggen in Oostenrijk allerlei extra verlofmogelijkheden gekregen.

Het is onredelijk om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen nu veroordeelde nog tenminste 350 dagen vervangende hechtenis heeft uit te zitten. Hij kan beter alvast een begin maken daarmee.

4. De beoordeling van het bezwaar

De WETS-perikelen

Het stramien van de WETS is dat het veroordelend land een certificaat opstelt met de vereiste informatie over de veroordeling en dat certificaat met bijbehorende bescheiden, waaronder het veroordelend vonnis, aan de uitvoerende staat zendt. Dat certificaat is ontvangen op 21 februari 2025 (zie 1.3). Vervolgens vraagt de minister ingevolge artikel 2:11 WETS het oordeel van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die beoordeelt of er verplichte weigeringsgronden zijn, of het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld ook naar Nederlands recht strafbaar is en of de opgelegde sanctie aanpassing behoeft. Het gerechtshof beslist binnen zes weken na ontvangst van het certificaat (lid 8). Vervolgens beslist de minister, met inachtneming van het oordeel van het gerechtshof, over de erkenning van het vonnis en de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de buitenlandse straf. Hij doet dat binnen negentig dagen na ontvangst van het certificaat, tenzij er procedurele redenen zijn die beslissing uit te stellen (het verkrijgen van een vertaling, van een aanvulling bij kennelijke gebreken of anders vanwege uitzonderlijke omstandigheden waardoor het niet mogelijk is deze termijn te halen (artikel 2.10 WETS). De veroordeelde wordt vervolgens binnen dertig dagen na de erkenning naar Nederland overgebracht (artikel 2:16 WETS).

Het openbaar ministerie heeft zijn beslissing inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling met zestig dagen uitgesteld omdat er na de overbrenging van veroordeelde naar Nederland op 11 februari 2026 geen mogelijkheid is geweest om tijdig voor de reguliere VI-datum van 6 maart 2026 de vereiste adviezen van DJI en reclassering te laten opstellen.

De wettelijke beslistermijn van artikel 2:10 WETS is bij lange na niet gehaald. De erkenningsbeslissing is genomen 320 dagen na ontvangst van het certificaat. Hoewel dit het belangrijkste argument is van veroordeelde, wordt hierop door het openbaar ministerie in het geheel niet ingegaan, niet in de schriftelijke conclusie en niet ter zitting. Desgevraagd kon de officier van justitie hierover geen uitsluitsel geven. Het is evenmin duidelijk of het ministerie van justitie hieromtrent opheldering is gevraagd.

Als de beslissing met betrekking tot de erkenning tijdig was genomen (dat wil zeggen vóór 26 mei 2025), was er ruim gelegenheid geweest de benodigde adviezen te laten opmaken vóór de reguliere VI-datum van 6 maart 2026. Niet gesteld of gebleken is dat er nu al omstandigheden bekend zijn die wijzen op gronden voor uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het lijkt een redelijke aanname dat betrokkene dan per 6 maart 2026 in vrijheid zou zijn gesteld.

Hij is dus ernstig geschaad in zijn belangen door deze aanzienlijke vertraging en op ‘justitie’ rust daarom een zware inspanningsverplichting om aan deze belangen tegemoet te komen.

De vervangende hechtenis

Blijkens artikel 1.4 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen worden vrijheidsbenemende sancties zoveel mogelijk aaneensluitend op elkaar ten uitvoer gelegd overeenkomstig de navolgende volgorde, voor zover van belang:

c. vrijheidsstraf die in het buitenland is opgelegd en die ingevolge wederzijdse erkenning of overdracht in Nederland ten uitvoer wordt gelegd;

h. vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie ter zake van vrijheidsbeperkende sancties, waaronder taakstraffen;

i. vervangende hechtenis ter zake van geldboetes of buitenlandse geldelijke sancties, waaronder buitenlandse confiscatiebeslissingen;

k. gijzeling of vervangende hechtenis ter zake van schadevergoedingsmaatregelen, ontnemingsmaatregelen en strafbeschikkingen strekkende tot de betaling van een geldsom, alsmede lijfsdwang bij ontnemingsmaatregelen;

Het ligt in de rede dat betrokkene aansluitend op de gevangenisstraf die hij nu uitzit, de 350 dagen vervangende hechtenis zal moeten ondergaan, zoals ook gebruikelijk is. Redenen waarom dat anders zou zijn, zijn niet gesteld of gebleken.

Waarom het karakter van de vervangende hechtenis als drukmiddel om de boetes en schadevergoeding te betalen zich ertegen verzet om ‘nu alvast’ VI te verlenen, zoals het openbaar ministerie aanvoert (conclusie 3 maart 2026, p. 3), is niet duidelijk. Of hij nú begint met die hechtenis dan wel over twee maanden, dan wel na expiratie van de volledige straf op 6 juli 2027 , hij zal deze dagen moeten uitzitten tenzij alsnog betaling komt. Dat kan op zichzelf geen reden zijn de reguliere voorwaardelijke invrijheidstelling anders in te vullen. Datzelfde geldt immers voor combinatievonnissen waarbij zowel gevangenisstraf als terbeschikkingstelling is opgelegd (vgl. artikel 5.3 Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling). Die maatregel gaat doorgaans in als na twee derde van de gevangenisstraf voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

De redenering van het openbaar ministerie komt er in feite op neer dat het moeten uitzitten van vervangende hechtenis op zichzelf al grond zou zijn voor uitstel of zelfs afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling en dat zal niet de bedoeling zijn.

De raadsman heeft de suggestie gedaan om aan de VI-verlening de voorwaarde te verbinden dat betrokkene de vervangende hechtenis uitzit, zodat de mogelijkheid bestaat de VI te herroepen als hij niet meewerkt. Volgens het openbaar ministerie is dat niet toelaatbaar omdat betrokkene dan op basis van die bijzondere voorwaarde verplicht zou worden gesteld om mee te werken aan vrijheidsbeneming.

Het is in beginsel niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over de toelaatbaarheid of opportuniteit van een specifieke bijzondere voorwaarde, maar zij wijst wel op het gegeven dat veroordeelden worden opgenomen in instellingen of klinieken met vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking tot gevolg, op basis van instemming met voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, voorwaardelijke gevangenisstraf of TBS met voorwaarden of voorwaardelijke ISD. Bovendien is het uitzitten van vervangende hechtenis niet echt een vrijwillige keuze van betrokkene; dit kan ook tegen zijn wil worden geëxecuteerd zodra er een voor tenuitvoerlegging vatbare titel is. En die is er.

5. Slotsom

De beslissing van het openbaar ministerie tot uitstel van het VI-besluit is gebaseerd op een onevenwichtige belangenafweging. Er is geen enkele aandacht besteed aan de aanzienlijke vertraging in de besluitvorming van de minister over de erkenning van het Oostenrijkse vonnis, ook niet tijdens de bezwaarprocedure (rov. 4.1 en 4.3). Er is niet kenbaar een poging gedaan de oorzaak van deze vertraging te achterhalen. Dat is minst genomen opmerkelijk, want deze vertraging is bijzonder nadelig voor veroordeelde (rov. 4.4).

Het gegeven dat betrokkene nog 350 dagen vervangende hechtenis tegemoet kan zien, wordt om niet overtuigende redenen aangegrepen om zich te verzetten tegen voorwaardelijke invrijheidstelling (rov. 4.8 – 4.9).

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen om het VI besluit met twee maanden uit te stellen. In zoverre is het bezwaar gegrond en zal de rechtbank die beslissing wijzigen.

Het is juist dat de wet voorschrijft dat het openbaar ministerie bij de besluitvorming over de voorwaardelijke invrijheidstelling het advies inwint van DJI en reclassering.

In de conclusie wordt opgemerkt dat de adviezen uiterlijk “medio tweede helft” van maart 2026 worden verwacht.

De rechtbank gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van betrokkene per 1 april 2026 . Dat geeft het openbaar ministerie de gelegenheid nog de nodige adviezen in te winnen, gezien de wettelijke verplichting daartoe, en zo nodig voorwaarden te stellen. De rechtbank gaat er van uit dat vervolgens de diverse vervangende hechtenistitels ten uitvoer zullen worden gelegd.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Deze casus lijkt een complicatie bloot te leggen in de VI-praktijk. Het openbaar ministerie moet beslissen over de voorwaardelijke invrijheidstelling en is verplicht daarbij advies in te winnen van DJI en reclassering. Die adviezen zien doorgaans op het stellen van voorwaarden om recidive te beperken en veroordeelde te begeleiden bij een terugkeer in de samenleving. In dat kader kan worden gedacht aan onderdak (zelfstandige woning, inwoning bij familie/vrienden, RIBW), aan dagbesteding (betaald werk, vrijwilligerswerk etc), behandeling (klinische opname of ambulant) etc. Gezien onderhavige casus komt dan toch vraag op naar het nut van deze adviezen als duidelijk is dat betrokkene nog een jaar vrijheidsbeneming uit anderen hoofde (in casu vervangende hechtenis) te wachten staat.

Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis schorst de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 6.1.18 lid 3 Sv), die weer herleeft na beëindiging van die vrijheidsbeneming. Het openbaar ministerie kan vervolgens desgewenst de voorwaarden aanpassen aan de dan bestaande situatie. Ook tijdens de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis kan immers een advies van DJI en reclassering worden ingewonnen.

6. Tenslotte

Mochten de hierop volgende besluitvorming en aansluitende ontwikkelingen aanleiding zijn voor een nieuwe procedure, dan dient deze te worden aangebracht bij dezelfde rechter.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het bezwaar deels gegrond en wijzigt de bestreden beslissing in zoverre;

- gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde per 1 april 2026 .

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van

R.M.J. van den Bogaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. De griffier is buiten staat

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.J.H. Hovens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?