RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoektser], uit [plaats 1], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/624
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
(gemachtigde: mr. C. Aalders).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 6 januari 2026, waarin verzoekster met ingang van 1 januari 2026 is ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) op het adres [locatie] in [plaats 2]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 6 maart 2019 is aan verzoekster een briefadres toegekend. Dit briefadres is laatstelijk verlengd tot 1 april 2025. Bij brief van 25 september 2025 heeft het college verzoekster geïnformeerd dat in het verleden ten onrechte een briefadres aan verzoekster is toegekend. Omdat die situatie langere tijd heeft geduurd, heeft het college verzoekster een gewenningsperiode gegund door het briefadres feitelijk niet uit de Brp te verwijderen tot 1 januari 2026. Het college heeft daarbij aangekondigd dat, als verzoekster niet tot aangifte van verhuizing zou overgaan, ambtshalve zou worden besloten tot inschrijving op een adres. Verzoekster heeft zich niet op een adres in de (of een andere) gemeente laten inschrijven.
Bij besluit van 6 januari 2026 heeft het college besloten verzoekster met ingang van 1 januari 2026 in te schrijven in de Brp op het adres: [locatie] in [plaats 2].
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en mr. W. de Korte. Verzoekster is niet op zitting verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb luidt als volgt. Indien tegen een besluit bij de
bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen dan is onverwijlde spoed vereist. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Hierbij valt onder andere te denken aan de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van de uitvoering van het besluit nog te herstellen, oftewel er dient sprake te zijn van de mogelijkheid dat een onomkeerbare situatie ontstaat.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster leidt een zwervend bestaan en beschikt reeds jarenlang, met toestemming van het college, over een briefadres. Het adres [locatie] kan niet als woonadres worden aangemerkt en inschrijving op dat adres is derhalve niet mogelijk. Ook het bestuur van de watersportvereniging heeft aangegeven hier niet aan mee te willen werken. Verzoekster kan op voormeld adres geen post ontvangen. Zij loopt het reële risico termijn gebonden en rechtsgevolg dragende post te missen.
Het college betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het adres waarop verzoekster is ingeschreven betreft een feitelijk adres en op dit adres kan post worden ontvangen. In het verleden hebben meerdere personen op dit adres ingeschreven gestaan en op dit moment staat de havenmeester er ingeschreven. Verzoekster heeft haar stelling dat het havenadres geen feitelijk woonadres is en dat daar geen post kan worden ontvangen, niet nader onderbouwd.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster op zitting voldoende heeft toegelicht waarom zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De post wordt nu aangenomen door de havenmeester, maar de havenmeester heeft verzoekster duidelijk gemaakt dat hij haar post niet langer in ontvangst wil nemen. Het is dus onzeker hoe lang verzoekster haar post nog zal krijgen. Het mislopen van belangrijke post kan grote gevolgen hebben voor verzoekster. Om die reden zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aannemen.
Wat kan verzoekster met het verzoek bereiken?
4. Verzoekster betoogt dat zij niet op het adres aan de [locatie] in [plaats 2] woont en dat vanwege haar zwervende bestaan een briefadres aangewezen is. Verzoekster wil daarom dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat hangende de bezwaarprocedure het briefadres herleeft.
De voorzieningenrechter overweegt dat een schorsing van het bestreden besluit niet kan leiden tot herleving van het briefadres, zoals door verzoekster wordt gewenst, maar enkel tot een schorsing van de inschrijving op het woonadres. Het besluit ziet immers alleen op de inschrijving van verzoekster op het woonadres en niet op het briefadres. Het briefadres is al per 1 april 2025 beëindigd. Omdat verzoekster ook te kennen geeft dat zij niet woont op het woonadres en daar niet ingeschreven wil staan heeft zij belang bij de beoordeling van haar verzoek. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk behandelen.
Toetsingskader
5. Uit artikel 1.1., onder o, van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp) blijkt dat onder woonadres wordt verstaan:
1. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
2. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.
Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet Brp wordt degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft. Het tweede lid bepaalt dat indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, het college ambtshalve zorgdraagt voor de inschrijving.
Heeft het college verzoekster terecht op het woonadres ingeschreven?
6. Verzoekster stelt dat uit het besluit niet blijkt dat haar situatie deugdelijk is onderzocht. Het college maakt niet kenbaar op welke verifieerbare feiten, bronnen en onderzoeksbevindingen het besluit berust en hoe deze zijn gewogen. Daardoor is de besluitvorming voor verzoekster niet controleerbaar. Ook heeft het college onvoldoende, althans niet kenbaar, gewicht toegekend aan de consistente verklaring van verzoekster dat zij een zwervend bestaan leidt en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Bovendien staat de jachthaven verzoekster niet toe om permanent op de boot te wonen en kan verzoekster dus niet ingeschreven worden op dit adres. Tot slot merkt verzoekster op dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat zij haar briefadres kon voortzetten, omdat deze telkens zonder problemen door het college is verlengd.
7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat het doel is dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de basisregistratie gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Bij de toepassing van de Wet Brp moet aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont, waarbij de plaats waar de betrokkene ’s nachts pleegt te slapen een grote betekenis kan hebben.
Vast staat dat het college voor de vaststelling van de feitelijke verblijfplaats van verzoekster heeft aangesloten bij de door verzoekster in 2019 afgelegde verklaring dat zij op een boot woont en slaapt, gelegen in de jachthaven aan de [locatie] te [plaats 2]. Af en toe verblijft ze in het buitenland. Nadien is er meerdere keren contact geweest tussen het college en verzoekster en heeft verzoekster niet aangegeven dat deze situatie gewijzigd is. Recent heeft verzoekster dit nogmaals bevestigd in een zienswijze aan het college van 25 augustus 2025. In haar bezwaarschrift tegen het bestreden besluit stelt verzoekster voor het eerst dat zij een zwervend bestaan leidt en dat zij niet het merendeel van de tijd op de boot verblijft. Deze stelling heeft verzoekster niet onderbouwd. Dat het college meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van verzoekster, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college van het feitelijk verblijf van verzoekster op de boot uitgaan. Voor zover dit volgens verzoekster niet de feitelijke situatie (meer) is, dan kan zij dit in bezwaar nader onderbouwen. Dit dient dan door het college meegenomen te worden bij de beoordeling van haar bezwaar. De enkele niet onderbouwde stelling is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaar reeds hierom redelijke kans van slagen heeft.
Evenmin slaagt het betoog van verzoekster dat zij niet in de jachthaven mag wonen en dat daarom een inschrijving op dat adres niet mogelijk is. De voorzieningenrechter overweegt dat het niet van belang is bij de beoordeling of er sprake is van een woonadres of het iemand niet is toegestaan om (permanent) te verblijven op een adres. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp (Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6, blz. 67-69) volgt dat het woonadres in feitelijke zin wordt opgevat. Hieruit volgt eveneens dat wanneer een verblijfplaats niet bestemd is voor bewoning, dit geen reden is om de betrokkene niet op dat adres in te schrijven. Het uitgangspunt van de Wet brp is namelijk om de feitelijke situatie vast te leggen, ongeacht of deze situatie wettelijk is toegestaan of gewenst is.
Verzoekster heeft verder nog gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat haar briefadres werd voortgezet, omdat dit in het verleden ook altijd is gedaan. De voorzieningenrechter begrijpt dit zo dat verzoekster hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel.. Nog daargelaten dat verzoekster dat voor het eerst op zitting aanvoert, ziet het bestreden besluit op de inschrijving op het woonadres en niet op de inschrijving van een briefadres. Bovendien blijkt uit het dossier dat er veelvuldig met verzoekster is gecorrespondeerd alvorens het briefadres is beëindigd.
Voor zover verzoekster heeft beoogd te betogen dat het besluit onevenredig is, merkt de voorzieningenrechter op dat het besluit om al dan niet een woonadres in de Brp op te nemen, een besluit betreft waarbij het college uitsluitend een beoordeling geeft over de feiten. Het betreft geen besluit waarbij het college een belangenafweging moet maken.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: