RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/569
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en
(gemachtigde: M.M.J. de Vries).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een verklaring van woonurgentie. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft twee kinderen en woont met haar kinderen in het huis van haar moeder, samen met haar jongere zus. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van woonurgentie bij de urgentiecommissie. Zij heeft aangegeven dat de woning te klein is, dat er thuis ruzie en spanning is tussen verzoekster en haar zus en dat haar zus cannabis gebruikt.
Het college heeft een deskundige gevraagd om de woonsituatie van verzoekster te beoordelen. De deskundige heeft op 28 november 2025 gerapporteerd. Verzoekster heeft gereageerd op dit rapport. Het college heeft op 16 januari 2026 beslist dat verzoekster geen verklaring van woonurgentie krijgt.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?
3. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
Verzoekster heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben, omdat de huidige woonsituatie onhoudbaar is voor haar en haar twee kinderen. De spanningen tussen verzoekster en haar zus en het gebruik van cannabis binnenshuis door de zus leveren risico’s op voor de gezondheid en veiligheid van verzoekster en haar kinderen.
De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang aan. Hoewel verzoekster niet met medische stukken heeft onderbouwd dat er sprake is van gezondheidsproblemen, is het voorstelbaar dat de huidige woonsituatie niet bevorderlijk is voor verzoekster en haar kinderen. Dit komt ook naar voren in de verschillende verklaringen van de bij het gezin betrokken begeleiders. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
Is er sprake van een woonnoodsituatie?
5. Het college heeft in de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) bepaald wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een verklaring van woonurgentie.
In het vierde lid van artikel 10 van Verordening is bepaald:
4. Het college van burgemeester en wethouders kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; en
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald:
Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
- het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie,
- de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en
- de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
Het college heeft beslist dat verzoekster geen verklaring van woonurgentie krijgt, omdat onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een woonnoodsituatie. Onder verwijzing naar het rapport van de deskundige geeft het college aan dat het gebrek aan ruimte opgelost kan worden door de derde slaapkamer in gebruik te nemen als slaapkamer. Verder kan de betrokken hulpverlening begeleiden bij de gezinsproblemen. Er is onvoldoende gebruik gemaakt van andere mogelijkheden om de woonproblemen op te lossen.
Verzoekster vindt dat er wel sprake is van een woonnoodsituatie. Het college heeft volgens haar onvoldoende meegewogen in hoeverre het verantwoord is dat zij en haar twee kinderen in een woonomgeving moeten verblijven waar zij ruzie heeft met haar zus en waar door haar zus cannabis wordt gerookt. Verzoekster verwijst naar de overgelegde verklaringen van de betrokken begeleiders. Zij beschrijven de thuissituatie als instabiel en onhoudbaar en verklaren dat het niet is gelukt een oplossing te vinden in de huidige situatie. Verzoekster stelt verder dat het niet mogelijk is om de derde slaapkamer als slaapkamer in gebruik te nemen vanwege het tekort aan opbergmogelijkheden en omdat de zus niet zal meewerken. Bovendien past volgens verzoekster geen bed in de derde slaapkamer.
Het betoog van verzoekster slaagt niet. De voorzieningenrechter begrijpt dat de woonsituatie van verzoekster met haar twee kinderen niet gunstig is en dat zij gebaat zijn bij een zelfstandige woonruimte. Verzoekster heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een woonnoodsituatie die binnen vier maanden opgelost moet worden.
De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de woonruimte dat van het gehele huishouden verwacht mag worden dat de woning zo wordt ingericht dat de woonruimte optimaal wordt benut, in die zin dat ook verzoekster over een eigen slaapkamer beschikt. Gelet op de plattegrond van de woning volgt de voorzieningenrechter niet dat in de kleinste slaapkamer geen bed zou passen. De deskundige heeft in het rapport van 28 november 2025 toegelicht dat de kleinste slaapkamer leeg gemaakt kan worden, zodat de zus deze kamer in gebruik kan nemen. Verzoekster kan dan samen met haar kinderen de vrijgekomen slaapkamer in gebruik nemen. Dit lijkt de voorzieningenrechter niet een onredelijke oplossing. De voorzieningenrechter wenst te benadrukken dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster, haar moeder en haar zus behoort om de woning zo in te richten, dat verzoekster (samen met haar kinderen) net als de moeder en de zus over een eigen slaapkamer kan beschikken. Verzoekster en haar kinderen hebben dan een eigen ruimte waar zij zich naar kunnen terugtrekken. De enkele stelling dat de zus hier niet aan mee zou willen werken, heeft niet tot gevolg dat verzoekster, haar moeder en haar zus niet langer verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor een adequate inrichting van de woning. Ten aanzien van het opbergen van spullen in de kleinste slaapkamer overweegt de voorzieningenrechter, dat ook dit niet in de weg staat aan het realiseren van een oplossing voor het gebruik van de woonruimte. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor de spullen geen andere oplossing mogelijk is, zoals bijvoorbeeld opruimen en/of ergens anders opbergen.
Ten aanzien van de spanningen thuis en het cannabisgebruik van de zus is niet gebleken dat er sprake is van een acute (medische) noodsituatie. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verzoekster al langere tijd met haar eerste kind woont bij haar moeder en zus. De betrokken begeleiders beschrijven dat er sprake is van spanningen, conflict en een instabiele thuissituatie. De voorzieningenrechter begrijpt dat de huidige woonsituatie niet ideaal en bevorderlijk is voor verzoekster en haar kinderen, maar acht dat onvoldoende om te spreken van een woonnoodsituatie. Uit de verklaringen van de begeleiders kan niet worden afgeleid dat nu, in afwijking van de voorgaande jaren, een concrete (medische) noodsituatie dreigt. Concrete aanknopingspunten dat de veiligheid of ontwikkeling van de kinderen in het gedrang raken zijn niet gebleken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een zodanig ernstige noodsituatie, dat het onverantwoord is om deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan.
Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het college op goede gronden heeft beslist dat er geen woonnoodsituatie is, komt zij niet toe aan de vraag of verzoekster zelf de woonnood kan oplossen via (bijvoorbeeld) begeleid wonen.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
6. In artikel 22 van de Verordening is bepaald:
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
Verzoekster vindt dat het college toepassing had moeten geven aan bovengenoemde bepaling in het belang van het pasgeboren kind. Het is onwenselijk dat twee jonge kinderen moeten verblijven in een woning waar drugs wordt gebruikt, structurele spanningen zijn en waar sprake is van een instabiele thuissituatie.
Het college heeft in het verweerschrift gesteld dat, voor zover er sprake is van een situatie waarbij toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is, verzoekster dan nog geen recht heeft op een urgentieverklaring, omdat zij niet zelfstandig kan wonen.
De voorzieningenrechter overweegt dat het standpunt van het college geen antwoord geeft op de vraag of er sprake is van een situatie waarbij de hardheidsclausule moet worden toegepast. Aangezien bij de toepassing beoordelingsruimte toekomt aan het college, acht de voorzieningenrechter het aangewezen dat het college eerst hierover een standpunt inneemt. Dit kan in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat deze bezwaargrond evident slaagt. Verzoekster heeft voor haar beroep op de hardheidsclausule dezelfde argumenten aangedragen als voor haar stelling dat sprake is van een woonnoodsituatie. Nu de voorzieningenrechter over die argumenten al heeft geoordeeld dat die niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een woonnoodsituatie, ligt het niet voor de hand dat op basis van dezelfde argumenten sprake is van een bijzondere hardheid.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: