RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/145712-23
Datum uitspraak : 16 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonend aan de [adres] , [postcode] in [plaats] ,
raadsvrouw: mr. L. Janse, advocaat in Den Haag.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing ter terechtzitting van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 augustus 2022 te Zwolle, in ieder geval in Nederland,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid, een persoon, te weten [slachtoffer] ,
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede bestaande uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
immers heeft verdachte
terwijl verdachte bij het verrichten van die handelingen die [slachtoffer] in bedwang heeft
gehouden en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, althans (krachtig) heeft vastgepakt en/of voorbij is gegaan aan de verbale
en non-verbale uitingen van protest/weerstand van die [slachtoffer] en/of bij die [slachtoffer] in
bed is gaan liggen en onverhoeds haar borsten, althans haar lichaam heeft betast.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 18 augustus 2022 is aangeefster in de avond met haar nichtje [getuige 1] naar café Bloopers in Zwolle gegaan. Daar hebben verdachte en aangeefster elkaar ontmoet. In de nacht van 19 augustus 2022 is verdachte met aangeefster mee naar haar woning gegaan, eveneens in Zwolle. Verdachte en aangeefster hebben hier seks gehad. Aangeefster heeft verdachte gepijpt en verdachte heeft aangeefster met zijn geslachtsdeel gepenetreerd in haar vagina.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang. Zij heeft de militaire kamer daarom gevraagd verdachte integraal vrij te spreken van de ten laste gelegde verkrachting. Daarnaast heeft de raadsvrouw opgemerkt dat uit de verklaringen van aangeefster en de overige dossierstukken niet volgt dat sprake is geweest van bedreiging. Zij heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat verdachte in elk geval voor dit onderdeel van de tenlastelegging (bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid) moet worden vrijgesproken.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde verkrachting, als bedoeld in artikel 242 (oud) Sr. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, stelt de militaire kamer allereerst vast dat verdachte heeft erkend dat hij seks heeft gehad met aangeefster en dat hij hierbij is binnengedrongen in haar lichaam. Verdachte heeft verklaard dat de seks met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, maar volgens aangeefster is daarvan geen sprake geweest en hebben de seksuele handelingen, waaronder het binnendringen, tegen haar wil plaatsgevonden.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de militaire kamer voorop dat zich in zedenzaken regelmatig de situatie voordoet dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een verdachte die ontkent brengt dit met zich dat extra zorgvuldig naar de afgelegde verklaring van aangeefster moet worden gekeken.
De verklaring van aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte bij haar achter op de fiets zat toen zij naar huis fietsten. Hij maakte haar beha los. Aangeefster zei dat ze dat niet fijn vond en vroeg verdachte haar beha weer vast te maken. Bij aangeefster thuis werd er nog iets gedronken en een sigaret gerookt op het balkon. Aangeefster zat bij verdachte op schoot. Verdachte zat aan de borsten van aangeefster. Aangeefster duwde zijn hand weg en zei dat ze dat niet wilde. Nadat haar sigaret op was, is aangeefster naar binnen gegaan om te slapen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij veel details wil vertellen over de handelingen die in bed plaatsvonden, maar dat zij die niet meer weet. Zij heeft het gevoel dat zij dingen geblokt heeft. Zij vindt dat frustrerend. Zij wil geen dingen verzinnen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij handen op haar buik en borsten en over haar lichaam voelde toen zij in haar bed lag en al half in slaap was. Aangeefster draaide zich om en zag dat het verdachte was. Ze schrok en haar lichaam verstijfde. Zij kreeg het gevoel dat zij heel hard wilde schreeuwen, maar dat lukte niet. Ze had ook geen controle meer over haar spieren. Zij kon niets. Aangeefster voelde de handen van verdachte vervolgens weer over haar borsten gaan. Aangeefster zei tegen hem dat dit niet haar intentie was, maar verdachte reageerde niet en ging door. Verdachte pakte de linkerarm van aangeefster vast. Hij befte aangeefster en zij pijpte hem. Aangeefster wilde verdachte niet pijpen, maar ze deed het toch zodat het zo snel mogelijk klaar zou zijn. Daarna duwde verdachte aangeefster op haar rug. Hij kwam op haar liggen en duwde haar benen uit elkaar. Aangeefster was niet opgewonden. Verdachte spuugde op zijn vingers en smeerde dat op aangeefster. Daarna kwam hij met zijn piemel in haar. Met zijn linkerhand pakte hij haar keel vast en hij leunde op haar. Verdachte drukte de keel van aangeefster naar achteren en kneep er heel hard in. Dit duurde enkele minuten en aangeefster werd hierdoor licht in haar hoofd. Ze dacht dat ze knock-out ging. Aangeefster pakte de arm van verdachte vast en probeerde hem weg te duwen, maar dat lukte niet. Toen verdachte de keel van aangeefster weer losliet, zei aangeefster tegen hem dat zij zich niet op haar gemak voelde en dat ze het niet fijn vond. Hij stopte niet. Verdachte vroeg waar ze wilde dat hij klaar zou komen. Aangeefster zei: “alles behalve in mij.” Daarna kwam verdachte klaar over haar buik en borsten.
De verklaringen die aangeefster heeft afgelegd, zijn naar het oordeel van de militaire kamer gedetailleerd en consistent. Zowel in het informatieve gesprek als tijdens de aangifte heeft aangeefster verklaard over hoe ze verdachte heeft ontmoet in het café, wat er gebeurde toen verdachte met haar op de fiets mee naar haar huis ging en wat er vervolgens is gebeurd, in eerste instantie op het balkon en later in de slaapkamer. Ook heeft aangeefster gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden, hoe verdachte haar daartoe heeft gedwongen en hoe zij meerdere malen aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks met hem wilde. Deze verklaringen komen bovendien authentiek over. Zij is open geweest over haar eigen aandeel bij de seksuele handelingen en heeft aangegeven geen details te willen verzinnen. De militaire kamer heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen.
Bewijsminimum
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs. De militaire kamer is van oordeel dat voldaan is aan dit bewijsminimum. De verklaring van aangeefster wordt op cruciale punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bronnen.
Het steunbewijs
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze met aangeefster in café Bloopers was. Daar heeft [getuige 1] een jongen ontmoet met wie zij het gezellig had. Hij heette [getuige 2] . Aangeefster heeft ook een jongen ontmoet. Dat was verdachte. Verdachte en [getuige 2] gingen met aangeefster en [getuige 1] mee naar de woning van aangeefster. Aangeefster gaf gelijk al aan dat ze niets met verdachte wilde doen. Op de terugweg naar huis zat verdachte achter op de fiets bij aangeefster. Terwijl ze op de fiets zaten, zat verdachte de hele tijd aan aangeefster. [getuige 1] hoorde dat aangeefster een aantal keren zei dat ze dit niet fijn vond en ze zag dat verdachte met zijn handen onder het shirt van aangeefster ging. Toen ze bij aangeefster thuis waren, zijn ze met zijn vieren een sigaret gaan roken op het balkon. Aangeefster zat bij verdachte op schoot. Verdachte deed zijn handen onder het shirt van aangeefster en zat aan haar borsten. Aangeefster zei dat ze dit niet wilde en duwde de handen van verdachte weg. Daarna ging aangeefster naar binnen. Iets later ging ook verdachte naar binnen. Na enige tijd vroeg [getuige 1] zich ineens af waar aangeefster was en waar verdachte was. [getuige 1] ging naar de slaapkamer. Ze zag aangeefster in bed liggen. Verdachte lag naast haar. Aangeefster lag een beetje opgekruld, met haar rug naar verdachte toe. [getuige 1] ging bij aangeefster zitten en ze merkte dat er iets met aangeefster was. [getuige 1] vroeg aan aangeefster waarom verdachte naast haar in bed lag. Aangeefster vertelde haar in tranen dat verdachte aan haar had gezeten, dat haar vagina droog was, dat zij geen zin had en dat verdachte toch in haar was geweest. Ze vertelde ook dat ze verdachte duidelijk had gezegd dat zij het niet wilde. Toen verdachte weg was, ging aangeefster douchen. Aangeefster zat in een soort van shock. [getuige 1] zag dat ze er kapot van was. Ze had aangeefster nog nooit zo kapot gezien.
Getuige [getuige 2] was aanwezig in de woning van aangeefster in de nacht van 19 augustus 2022. Hij heeft verklaard dat [getuige 1] en aangeefster op enig moment tegen verdachte zeiden dat hij naar huis moest gaan. [getuige 2] kon aan de gezichtsuitdrukking van aangeefster zien dat er iets was gebeurd wat zij niet wilde. Aangeefster kwam verdrietig op hem over. Toen verdachte weg was, heeft aangeefster aan [getuige 2] verteld dat verdachte iets had gedaan wat zij niet wilde.
Getuige [getuige 3] werd in de nacht van 19 augustus 2022 gebeld door aangeefster. Toen [getuige 3] bij het huis van aangeefster kwam, trof hij haar in tranen aan. Haar gemoedstoestand was chaotisch. Aangeefster wist niet meer goed wat er was gebeurd. [getuige 3] had het idee dat aangeefster een beetje in shock was.
Op 10 mei 2023 heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat hij met aangeefster in bed lag. Het begon met strelen en zoenen. Vervolgens lag hij op haar en hebben ze normale seks gehad. Op de vraag “Wat is een normale manier van seks? Omschrijf eens hoe het ging?” heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster met zijn handen bij haar middel heeft gepakt en bij de zijkant van de armen. Ook heeft hij verklaard: “Soms leg ik mijn hand op de borst, in de buurt van haar keel, misschien heeft ze dat als onprettig ervaren, maar dat is mij nooit verteld. Ze heeft niet gezegd dat ze het niet fijn vond.”
Op 24 augustus 2022 is forensisch onderzoek uitgevoerd bij aangeefster. Op verzoek van de aanwezige arts werden enkele foto's gemaakt van het zichtbare letsel op de rechterborst en linkerarm van aangeefster. De plekken van het geconstateerde letsel werden ook omcirkeld in het verslag van forensisch onderzoek. In het verslag van het informatief gesprek zeden van 24 augustus 2022 staat dat aangeefster een beurs gevoel aan haar nek heeft.
De militaire kamer is van oordeel dat de verklaring van aangeefster, dat de seksuele handelingen door verdachte, waaronder het binnendringen van haar lichaam, tegen haar wil hebben plaatsgevonden, in voldoende mate door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden ondersteund. [getuige 1] verklaart dat aangeefster tegen haar zei dat ze niets met verdachte wilde doen en bevestigt dat aangeefster op de fiets terug naar de woning en later op het balkon duidelijk heeft aangegeven dat zij niet gediend was van de handtastelijkheden van verdachte. Ook de verklaring van aangeefster dat zij eerst naar binnen ging en dat verdachte pas later naar haar slaapkamer kwam, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] .
Tijdens het forensisch onderzoek dat plaatsvond op 24 augustus 2022 (5 dagen na het seksuele contact) werd door de arts geconstateerd dat aangeefster letsel had op de rechterborst en aan haar linkerarm. Deze constatering past bij de verklaring van aangeefster én bij de verklaring van verdachte zelf over de manier waarop de seks tussen hen beiden heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting is aangevoerd dat verdachte in het verhoor in algemene zin heeft geantwoord op de vraag hoe hij op een normale manier seks heeft en dat hij niet heeft verklaard over een concrete handeling jegens aangeefster. De militaire kamer vindt deze lezing, gelet op de vraagstelling en de wijze van antwoorden, niet geloofwaardig en passeert het verweer dat deze verklaring niet als steunbewijs kan worden gebruikt.
Tot slot hebben zowel [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] verklaard over de heftige emoties die zij bij aangeefster hebben waargenomen. Zij was verdrietig, in tranen en zij leek in shock.
Dwang
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat het seksuele contact tussen haar en verdachte onder dwang heeft plaatsgevonden. Verdachte is bij aangeefster in bed gaan liggen toen zij al was weggedommeld. Daarbij werd aangeefster onverhoeds door verdachte betast. Ook is verdachte op aangeefster gaan liggen en heeft hij haar keel vastgepakt, waarbij hij op aangeefster leunde. Hierdoor kreeg aangeefster geen lucht en werd zij licht in haar hoofd. Daarbij is letsel ontstaan dat 5 dagen later nog steeds zichtbaar was.
Aangeefster heeft zowel verbaal als non-verbaal kenbaar gemaakt dat zij geen seks wilde met verdachte. Al op de fiets en op het balkon heeft aangeefster meerdere keren tegen verdachte gezegd dat zij niet wilde dat hij aan haar borsten zat. Op het balkon heeft aangeefster daarbij ook de hand van verdachte weggeduwd. Daarna is zij naar binnen gegaan om te gaan slapen. Verdachte is kort daarna naar de slaapkamer van aangeefster gegaan, bij haar in bed gaan liggen en heeft haar betast. Op dat moment heeft aangeefster verdachte gezegd dat dit niet haar intentie was. Tot slot heeft aangeefster verdachte gezegd dat zij zich niet op haar gemak voelde toen hij tijdens het penetreren haar keel na enkele minuten losliet. Verdachte heeft deze duidelijke signalen van verzet van aangeefster genegeerd en is doorgegaan met de seksuele handelingen. Door het onverhoeds handelen, haar krachtig vast te pakken, haar keel dicht te knijpen en door geen gehoor te geven aan de verbale en non-verbale signalen van verzet van aangeefster, heeft verdachte haar ertoe gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.
Conclusie
De militaire kamer komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierna vermeld in de bewezenverklaring.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 19 augustus 2022 te Zwolle, in ieder geval in Nederland,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid, een persoon, te weten [slachtoffer] ,
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede bestaande uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
immers heeft verdachte
terwijl verdachte bij het verrichten van die handelingen die [slachtoffer] in bedwang heeft
gehouden en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, althans (krachtig) heeft vastgepakt en/of voorbij is gegaan aan de verbale
en non-verbale uitingen van protest/weerstand van die [slachtoffer] en/of bij die [slachtoffer] in
bed is gaan liggen en onverhoeds haar borsten, althans haar lichaam heeft betast.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting .
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte ter terechtzitting heeft geprobeerd openheid te geven over hoe het contact met aangeefster volgens hem is verlopen. Gelet op de spanningen voor de zitting en het tijdsverloop is het voor verdachte echter lastig om antwoord te geven op vragen. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte zijn baan kan verliezen als hij zou worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport ziet de raadsvrouw niet het belang van een voorwaardelijk strafdeel.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkrachting. In de woning van aangeefster, een plek waar aangeefster zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen, heeft verdachte aangeefster overrompeld door zonder toestemming bij haar in bed te gaan liggen toen aangeefster al half sliep en haar te betasten. Uit de verklaring van aangeefster komt naar voren dat bij haar een freeze-reactie volgde. Zij wilde hard schreeuwen, maar dat lukte haar niet. Ze wilde alleen maar dat het zo snel mogelijk klaar zou zijn, dan zou ze ervan af zijn. Toen zij bij haar keel werd gepakt dacht ze dat ze zou stikken. Door de verkrachting heeft aangeefster letsel opgelopen, in de vorm van blauwe en beurse plekken. Met zijn handelen heeft verdachte aangeefster onherstelbaar leed aangedaan. Het is bekend dat een verkrachting door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige gevolgen op emotioneel en seksueel gebied voor het slachtoffer met zich mee kan brengen. Dat het gebeuren een diepe indruk heeft achtergelaten op aangeefster blijkt uit de indringende schriftelijke slachtofferverklaring die tijdens de terechtzitting door haar is voorgelezen. De militaire kamer beschouwt het bewezenverklaarde als een zeer ernstig feit. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Hij heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen behoeften en daarbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die deze handelingen voor aangeefster zouden kunnen hebben. Verdachte had zich moeten realiseren dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 26 januari 2026 van verdachte blijkt dat hij niet eerder door een rechter is veroordeeld voor strafbare feiten.
Uit de rapportage van de reclassering van 23 februari 2026 komt naar voren dat er in de situatie van verdachte geen problemen op de verschillende leefgebieden zijn geconstateerd waar de reclassering eventuele interventies op zou kunnen inzetten. Betrokkene heeft een koopwoning, een fulltime baan, geen financiële problemen en een ondersteunende relatie met zijn vriendin, familie en sociale contacten. Er zijn geen signalen van middelenproblematiek, eventuele psychische problematiek en uitgaande van zijn verhaal zijn er geen deviante gedachten waargenomen aangaande seksualiteit en intimiteit. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor het opstellen van een plan van aanpak met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen bij een bewezenverklaring.
Gezien de ernst van het feit is de militaire kamer van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
Alles afwegende vindt de militaire kamer een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De militaire kamer heeft de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Bij het bepalen van de straf is verder rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte, het grote tijdsverloop door het eerdere sepot en het gevolg dat de veroordeling waarschijnlijk zal hebben voor de baan van verdachte, te weten ontslag.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de bewezenverklaarde verkrachting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.319,56 aan materiële schade. Dit bedrag is samengesteld uit € 737,96 ten behoeve van de aanschaf van bed en beddengoed, € 381,30 betreft de niet door de zorgverzekeraar vergoede kosten van 9 behandelingen door een GZ-psycholoog, en het restant € 199,80 betreft de reiskosten die zijn gemaakt naar die GZ-psycholoog. Daarnaast wordt € 5.000,- aan smartengeld gevorderd. Ten aanzien van beide onderdelen van de vordering wordt aanspraak gemaakt op de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van het bed en het beddengoed betwist de verdediging het causaal verband met het tenlastegelegde feit. Met betrekking tot het eigen risico en de reiskosten is aangevoerd dat uit de vordering niet kan worden opgemaakt hoeveel behandelingen van de GZ-psycholoog verband hielden met het tenlastegelegde. De benadeelde partij was al in behandeling was in verband met PTSS als gevolg van een eerder trauma. Onduidelijk is of de behandelingen daarmee verband hielden. Dat verband kan niet binnen het strafproces worden vastgesteld. De verdediging heeft de militaire kamer daarom gevraagd de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Over de immateriële schade is naar voren gebracht dat de gediagnosticeerde PTSS bij de benadeelde partij verband houdt met een eerdere traumatische ervaring en dat niet is gebleken van een causaal verband met de vermeende verkrachting. De raadsvrouw is daarom van mening dat een lager bedrag aan smartengeld dient te worden vastgesteld dan door de benadeelde partij is gevorderd. Hierbij heeft zij de militaire kamer verzocht aansluiting te zoeken bij de ondergrens van de bedragen die volgen uit de Rotterdamse Schaal.
Overweging van de militaire kamer
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De militaire kamer is van oordeel dat de schadeposten voldoende zijn onderbouwd en overweegt hierover het volgende.
Ten aanzien van de vervanging van het bed en beddengoed is de militaire kamer van oordeel dat alleszins voorstelbaar is dat de benadeelde partij niet meer in staat was om in het bed met bijbehorend beddengoed te slapen waarin zij werd verkracht, zonder aan deze traumatische ervaring te worden herinnerd. Door de bewezenverklaarde verkrachting hebben het bed en het beddengoed voor benadeelde een dusdanige negatieve lading gekregen, dat van haar niet hoeft te worden verwacht dat zij van deze goederen gebruik zou blijven maken. De benadeelde heeft het bed en beddengoed bovendien aangeschaft korte tijd nadat de verkrachting plaatsvond. De kosten die daarvoor zijn gemaakt zijn bovendien redelijk.
De militaire kamer is verder van oordeel dat de gevorderde behandel- en reiskosten die zijn gemaakt vanwege behandelingen door de GZ-psycholoog voldoende zijn onderbouwd. Uit de als productie 2 bij de vordering gevoegde brief van de praktijk waar benadeelde onder behandeling was, volgt dat benadeelde nadat de aangiftes waren afgerond EMDR-therapie heeft ondergaan voor de verkrachting. Uit het als productie 4 gevoegde overzicht van de zorgkosten van 2022 volgt dat er na het moment waarop aangifte is gedaan nog 9 keer specialistische zorg is verleend door de GZ-psycholoog. De kosten die de benadeelde partij voor deze behandelingen heeft gemaakt, alsmede de reiskosten die zij in dat verband heeft gemaakt staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit en komen daardoor voor vergoeding in aanmerking.
Voor de hiervoor genoemde schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade, te weten een bedrag van € 1.319,56 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken en is zij op andere wijze in de persoon aangetast. Verdachte heeft met zijn gedragingen het zelfbeschikkingsrecht van aangeefster en haar lichamelijke integriteit geschonden. Ook is bij de benadeelde partij geestelijk letsel ontstaan, waarvoor zij behandeling nodig had. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De hoogte van het schadebedrag is naar het oordeel van de militaire kamer voldoende onderbouwd met de verwijzing naar wat zich in het dossier bevindt en de toelichtende stukken over wat het aan de verdachte verweten feit met de benadeelde partij heeft gedaan. Dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit al kampte met psychische klachten doet daaraan niet af.
De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van het feit. Rekening houdend met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en met inachtneming van de normbedragen die zijn opgenomen in de Rotterdamse Schaal zal de militaire kamer de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-.
De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Verdachte is vanaf 19 augustus 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;