RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/317971-20
Datum uitspraak : 2 februari 2026
uitspraak van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. H.J.G. Dudink, advocaat in Haarlem.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de militaire kamer het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 111.008,74.
2. De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de ontnemingsvordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 80.889,32. Hierbij baseert de officier van justitie zich op het aangetroffen kweekschema, op basis waarvan kan worden gesteld dat er minstens drie eerdere oogsten zijn geweest.
De officier van justitie heeft verder gevorderd dat er een hoofdelijke betalingsverplichting wordt opgelegd voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
3. De beoordeling van de vordering
De militaire kamer heeft kennisgenomen van het eveneens op 2 februari 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het overtreden van artikelen 3 onder B en 3 onder C van de Opiumwet en gekwalificeerde diefstal in vereniging is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaar.
Op basis van de in voornoemd vonnis opgenomen bewijsmiddelen en de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting is aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van de daar besproken strafbare feiten.
Op basis van het aangetroffen kweekschema gaat de militaire kamer ervan uit dat er minstens drie eerdere oogsten zijn geweest.
In de hennepkwekerij stonden 260 planten. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt 260 planten x 30,9 gram hennep = 8.034 kilogram hennep per oogst. De verkoopprijs van hennep is minstens € 4.070,- per kilogram hennep. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt dus 8.034 kilogram x € 4.070,- = € 32.698,38.
Van dit bedrag moeten de volgende posten worden afgehaald:
De kosten bedragen dus € 2.579,- per oogst.
De netto opbrengst per oogst is dus € 32.698,38 – € 2.579,- = € 30.119,38. Voor de drie oogsten in totaal is dit € 30.119,38 x 3 = € 90.358,14.
Hiervan moeten tot slot nog de volgende kosten worden afgehaald:
Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel bedraag daarmee € 80.889,36.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de militaire kamer van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 80.889,36 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Hoofdelijke toerekening voordeel
De veroordeelde heeft met een ander van een strafbaar feit geprofiteerd. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bevatten zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat zij gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit. De veroordeelde heeft als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel - mede - aan de veroordeelde toerekenen.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De militaire kamer:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 80.889,36;
- legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de medeveroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 808 dagen.
Aldus gegeven door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter) en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, en Kapitein-ter-Zee (LD) mr. J.L. Wesstra in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.