beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/462025 / KG RK 26-62
Beslissing van 9 maart 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [plaats].
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. H.C. Leemreize, mr. M.G.J. Post en mr. C.L.A. van der Veeken,
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de processen-verbaal van 9 januari 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld
de schriftelijke reactie van de rechters van 2 februari 2026
de e-mails van verzoekster van 25 februari 2026 en van 1 maart 2026
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 januari 2026.
Bij de mondelinge behandeling zijn zowel verzoekster als de rechters met bericht van verhindering niet verschenen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaken
met parketnummers 05/020360-25 en 05/339337-24 tegen verzoekster als verdachte. Op 9 januari 2026 heeft in deze zaken een regiezitting plaatsgevonden bij de meervoudige kamer. Tijdens deze zitting heeft verzoekster de rechters gewraakt.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechters van de rechtbank hebben een eed aan de Koning afgelegd en dienen de Koning. Zij kunnen daarom niet onafhankelijk en onbevooroordeeld handelen.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
In haar e-mail van 1 maart 2026 heeft verzoekster deze grond herhaald en daarnaast toegelicht welk doel zij wenst te bereiken met haar wrakingsverzoek. Verzoekster heeft in dit verband gemeld dat haar wrakingsverzoek niet uitsluitend rust op de formele omstandigheid van de eedaflegging bij benoeming. Het is volgens verzoekster een cumulatie bestaande uit de aard van de strafvervolging (de zaak bestrijkt uitlatingen en beschuldigingen die betrekking hebben op onderdelen van de constitutionele orde) en concrete toetsbare zittingsomstandigheden tijdens de zitting van 9 januari 2026 die bij een objectieve en redelijk geïnformeerde waarnemer de schijn van onvoldoende institutionele afstand kan doen ontstaan. Hierdoor worden fundamentele waarborgen van een eerlijk proces geraakt.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
Verzoekster heeft willen betogen dat de rechters niet onpartijdig zijn aangezien zij een eed van trouw dan wel de belofte hebben afgelegd aan de Grondwet en daarmee hebben beloofd de Koning op geen enkele wijze te zullen schenden.
De wrakingskamer is van oordeel dat het afleggen van deze eed of belofte niet getuigt van (schijn van) vooringenomenheid dan wel partijdigheid van de rechters in deze concrete zaak. De eed of de belofte houdt bovendien ook in dat de rechters zweren dan wel beloven hun ambt eerlijk, nauwgezet en onzijdig, zonder aanzien van personen uit te oefenen.
Ook de door verzoekster gegeven toelichting in haar e-mail van 1 maart 2026 geeft geen grond voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid van de rechters. Verzoekster heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan volgen dat bij de rechters sprake is van (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid omdat de zaak uitlatingen en beschuldigingen bestrijkt die betrekking hebben op onderdelen van de constitutionele orde. De door verzoekster genoemde zittingsomstandigheden zien op de gang van zaken tijdens de zitting en (regie)beslissingen die door de rechters toen zijn genomen. Hierover kan verzoekster zich nog beklagen bij de verdere (inhoudelijke) behandeling van de strafzaak.
Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat geen sprake is van (schijn) van partijdigheid, zodat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.