RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser 1] en [eiseres 1] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats]
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1847
in de zaak tussen
[eiser 2] en [eiseres 2],
[eiseres 3] (namens [persoon A] ),
[eiser 3] en [eiseres 4],
[eiser 4] ,
[eiseres 5] ,
allen uit [plaats] , eisers
en
(gemachtigde: mr. S.A. Joosten).
gemachtigde (mr. J.C.M.G. Beusmans).
1. Deze uitspraak gaat over een legaliserende omgevingsvergunning voor de bouw van een aanbouw (serre). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun bezwaar tegen deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan heeft mogen verlenen. Het beroep is ongegrond en eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij benoemt de rechtbank eerst het relevante toetsingskader om daarna in te gaan op de vragen of het besluit zorgvuldig is voorbereid en of de vergunde aanbouw (serre) in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Het college heeft op 7 juli 2023 aan derde-partij een legaliserende omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een aanbouw tussen een reeds bestaande aanbouw aan een woning en de garage. Met het bestreden besluit van 10 maart 2025 op het bezwaar van eisers is het college deels bij dat besluit gebleven. Het heeft de vergunning herroepen voor zover die ziet op het gebruik van de garage anders dan als autostalling en de vergunning voor het overige in stand gelaten.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiser 4] namens eisers, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Derde-partij is eigenaar van de woning en het perceel gelegen op de hoek van de [locatie 1] en de [locatie 2] in [plaats] . Zij heeft tussen de woning en de losstaande garage een aanbouw (serre) gerealiseerd om de woning en de garage met elkaar te verbinden en heeft de garage als woonruimte ingericht. Na het realiseren van een serre en de verbouwing van de garage, heeft de derde-partij op 3 april 2023 alsnog een legaliserende omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de woning. Ten tijde van de vergunningaanvraag had de woning het adres [locatie 1] [huisnummer 1] . Inmiddels is dat gewijzigd in de [locatie 2] [huisnummer 2] . Eisers wonen in verschillende woningen aan de [locatie 1] naast of in de directe nabijheid van de woning van derde-partij. Zie hieronder een uitsnede waarop de kadastrale percelen zichtbaar zijn.
Afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige gegevens
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Heijenoord - Het Dorp”, het ''Facetplan woningsplitsing en verkamering" en het ''Facetplan parkeren". Uit het bestemmingsplan “Heijenoord - Het Dorp” volgt dat het perceel bestemd is voor “Woondoeleinden”. Het bouwplan is strijdig met het bestemmingsplan, omdat op de locatie met de aanduiding ‘as’ uitsluitend bebouwing bedoeld als autostalling of opslagvoorziening ten dienste van het wonen mag worden gebouwd. De serre en de garage bevinden zich buiten het op de plankaart aangeduide bouwvlak.
Het college heeft de legaliserende omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Daarvoor is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, samen met artikel 4, onderdeel 1 en onderdeel 9 van bijlage II van het besluit omgevingsrecht (Bor) en de uitwerking daarvan in het gemeentelijke “Beleid omtrent planologische afwijking Kruimelgevallen”. Daarbij heeft het college besloten dat het ruimtelijk en planologisch aanvaardbaar is om de afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Na een hoorzitting heeft de commissie bezwaarschriften geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en de omgevingsvergunning te weigeren. Het college heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eisers echter deels gegrond verklaard en de omgevingsvergunning herroepen voor wat betreft het gebruik van de garage. Dat betekent dat het gebruik van de garage als woning niet meer is vergund en dat deze alleen nog maar conform de aanduiding in het bestemmingsplan, dus als autostalling mag worden gebruikt. Ook heeft het college de motivering van het besluit aangevuld.
Toetsingskader
4. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Zorgvuldige voorbereiding van het besluit
5. Eisers betogen dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarom niet kan worden gehandhaafd. Daarvoor voeren eisers aan dat voor hen onduidelijk is of hun spreekaantekeningen uit de bezwaarfase (overgelegd tijdens de hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften) bij de besluitvorming zijn betrokken. Daarnaast is het college de toezegging dat eisers een transcriptie van de hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften zouden ontvangen, niet nagekomen. Eisers stellen dat daardoor niet kan worden gecontroleerd of wat zij naar voren hebben gebracht ook in de besluitvorming is meegenomen. Tot slot voeren eisers aan dat het college zich voor de beoordeling van de vergunningaanvraag onvoldoende heeft vergewist van de feitelijke situatie. Het college heeft namelijk alleen de eigen foto’s van de situatie ter plekke door de jaren heen in zijn beoordeling betrokken en niet de door eisers aangeleverde foto’s. Daarnaast is het college niet ter plekke geweest om de feitelijke situatie op te nemen, terwijl dat wel is toegezegd op de hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften.
Het college stelt dat niet valt in te zien waarom het betoog van eiser ertoe zou moeten leiden dat het besluit niet in stand kan blijven. Vooral omdat de commissie bezwaarschriften van alle stukken en alles wat op de hoorzitting besproken is, kennis heeft genomen. Het college heeft zijn besluit op het advies van de commissie en daarmee op diezelfde bronnen gebaseerd. Volgens het college is dus sprake van een volledige voorbereiding en motivering van het besluit. Juist ook omdat een deel van het bezwaar gegrond is verklaard. Verder brengt het college nog naar voren dat voor de beoordeling van een vergunningaanvraag geen aanvullend bezoek aan het perceel noodzakelijk was. Voor zover dit expliciet toegezegd zou zijn, vindt het college dat vervelend, maar is dat niet voldoende om te spreken van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Er is namelijk wel contact geweest met de toezichthouder die eerder ter plekke is geweest en bij de voorbereiding van het verweerschrift heeft het college nogmaals navraag gedaan bij de omgevingsdienst. Hieruit is voortgekomen dat er spoedig een controlebezoek ingepland zal worden.
Spreekaantekeningen en transcriptie
De rechtbank stelt vast dat de commissie bezwaarschriften in haar advies, onder het kopje ‘nadere stukken’, expliciet heeft vermeld dat eisers spreekaantekeningen hebben overhandigd en dat de commissie deze zal betrekken bij zijn advies. Eisers hebben niet duidelijk gemaakt welke door hen tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte argumenten niet zijn betrokken in het advies. Dat de transcriptie van de hoorzitting niet is toegezonden, betekent niet dat het advies onzorgvuldig is of dat het college zich daarop bij het nemen van zijn besluit niet heeft mogen baseren. Het betoog van eisers dat onduidelijk is of hun spreekaantekeningen en andere belangrijke punten die zij hebben aangedragen zijn betrokken bij de besluitvorming, slaagt daarom niet.
Feitelijke situatie
De rechtbank volgt eisers ook niet in de stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat het college te weinig kennis heeft verzameld van de feitelijke situatie ter plaatse. Als uitgangspunt geldt dat het college bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor het bouwen van een bouwwerk, moet uitgaan van de bouwtekeningen die samen met de aanvraag worden ingediend. De aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen zijn namelijk leidend voor de beoordeling van de omvang van de aanvraag. Het college moet dus aan de hand van de op de bouwtekeningen aangevraagde situatie beoordelen of dat bouwplan wel of niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is niet van doorslaggevende waarde wat een toezichthouder constateert over het effect van het al gerealiseerde bouwwerk zoals het er nu staat, zeker wanneer dat bouwwerk (zoals nu het geval is) gedeeltelijk afwijkt van de vergunningsaanvraag. In dit geval is met de omgevingsvergunning uitsluitend toestemming gegeven voor de realisering van het bouwwerk zoals op de ingediende aanvraag is weergegeven. Eisers hebben weliswaar foto’s overgelegd om te onderbouwen dat de ruimtelijke impact van het gebouw zoals het er nu staat groter is dan het college aanneemt, bijvoorbeeld omdat er meer ramen zijn gerealiseerd, maar omdat die ramen niet vergund zijn en het college alleen toestemming verleent voor het aangevraagde bouwwerk, is die feitelijke situatie niet van belang. Het niet ter plekke langskomen van de controleur en het niet meenemen van de foto’s van eisers die de gevolgen van het bouwwerk weergeven, zijn daarom ook geen reden om te concluderen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Ook het betoog van eisers dat het college zich onvoldoende heeft vergewist van de feitelijke situatie slaagt niet.
Is de serre in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
6. Eisers betogen dat het college heeft miskend dat de serre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor voeren eisers aan dat de serre leidt tot zodanige zichthinder, vermindering van zon- en lichtinval, lichthinder en een beperking van de luchtdoorstroming dat het woon- en leefklimaat van eisers onevenredig wordt aangetast. Dat geldt vooral voor de bewoners van de [locatie 1] [huisnummer 3] , [huisnummer 4] en in iets mindere mate [huisnummer 5] .
Het college stelt zich op het standpunt dat in het kader van de beantwoording van de vraag of de serre al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zowel stedenbouwkundige kwaliteiten, bestaande bebouwing én bestaande vergunningvrije bouwmogelijkheden meegewogen worden. Volgens het college leidt de met de serre opgehoogde scheidingsmuur tot beperkte toename van de door eisers gestelde hinder. Daarvoor is doorslaggevend dat derde-partij ook had kunnen kiezen voor een vergunningvrije overdekte gang tussen de woning en de garage, die tot een vergelijkbare soort hinder voor eisers zou hebben geleid. In het primaire besluit zegt het college hierover het volgende:
“De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op een uitbouw met een hoogte van 3 meter. Vergunningvrij zijn er op het perceel mogelijkheden voor het realiseren van een uitbouw welke de zichtlijnen kan belemmeren. De belemmering van zichtlijnen is dan ook geen verdere belemmering dan vergunningvrij mogelijk zou zijn. Dit betreft dan ook geen grondslag tot weigering van de aanvraag tot omgevingsvergunning.”
In de beslissing op bezwaar vult het college dat als volgt nog aan:
“Ook gaat het maar om een (relatief) beperkt zichtverlies, nu er ter plaatse al een blinde scheidingsmuur aanwezig is. Deze scheidingsmuur wordt weliswaar door de nieuwe bebouwing opgehoogd, maar het zichtverlies vanuit de openbare ruimte, op enige afstand van de perceelsgrens, blijft hierdoor beperkt. Tot slot zijn er op het perceel beperkte vergunningsvrije bouwmogelijkheden aanwezig. Er kan ter plaatse nog 3 m2 vergunningvrij gebouwd worden. Dit lijkt voldoende te zijn om bijvoorbeeld een overdekte gang aan te brengen tussen de woning en de garage, waarmee optisch deze opening ook wordt dichtgezet. Daarnaast bestaat er bij de buren wellicht ook nog ruimte en zou ook vanuit die kant (vergunningvrij) de zichtlijn kunnen worden doorbroken.
Het betoog van eisers dat sprake is van een onevenredige aantasting van de zichtlijn vanuit de achterzijde van de woningen aan de [locatie 1] naar de [locatie 2] en de verminderde luchtdoorstroming slaagt niet. De vermindering van het zicht en van de luchtdoorstroming wordt veroorzaakt door het dichtbouwen van de open ruimte tussen de al bestaande woningaanbouw en de garage, met een serre van drie meter hoog. Het staat echter vast dat een blinde muur van 2 meter als erfafscheiding er al vergunningvrij had kunnen staan. In dat licht beschouwd is de impact van de toevoeging van één extra meter op wat al mogelijk zou zijn, als beperkt aan te merken. Want ook door een muur van 2 meter hoog zou de zichtlijn al doorbroken, de zon- en lichtinval verminderd en de luchtdoorstroming beperkt worden. De rechtbank kan het college daarom volgen in zijn standpunt en komt tot de conclusie dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de hoogte van de serre niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers.
Voor zover eisers betogen dat de feitelijke situatie met een muurtje veel lager dan 2 m, anders was en dat het college daar onterecht aan voorbij is gegaan, slaagt dat betoog niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mag meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dit betekent dat het college in dit geval bij de belangenafweging heeft mogen betrekken dat binnen bestaande wet- en regelgeving al de mogelijkheid van een erfafscheiding van 2 m hoog op deze plek bestaat. Dat het bouwplan mogelijk negatieve invloed heeft op de mate van (zon)licht in de woning en de tuin en de privacy van eisers, is een gevolg dat dus ook (mogelijk in iets mindere mate) had kunnen optreden bij het bouwen in overeenstemming met wet- en regelgeving.
Het betoog van eisers dat de lichthinder via de ramen van de serre leidt tot een onevenredige aantasting van de goede ruimtelijke ordening slaagt niet. Die ramen zijn niet ingetekend op de bouwtekeningen die onderdeel uitmaken van de vergunningaanvraag. De ramen zijn dus niet vergund. Dat betekent dat het college bij de beoordeling van de aanvraag niet heeft kunnen en hoeven te betrekken dat er licht vanuit serreramen op de achterliggende erven (tuinen), met name van de woning aan de [locatie 1] [huisnummer 3] en in iets mindere mate nummer [huisnummer 4] , zou schijnen. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet leidt tot onevenredige lichthinder. Dat de ramen in werkelijkheid thans wel aanwezig zijn, maakt dat niet anders. De rechtbank moet zich namelijk uitlaten over de door het college vergunde situatie en niet over de feitelijke situatie.
Het betoog van eisers dat de opbouw van de serre op de scheidingsmuur als erfscheiding moet worden beschouwd en daardoor een beperkte ruimtelijke impact (gelijk aan de impact van een erfafscheiding) mag hebben, slaagt niet. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat geen sprake is van een erfafscheiding. Het is weliswaar op de erfgrens gebouwd, maar is niet als erfafscheiding bedoeld. Het bouwwerk dient een woondoel, en kan daarom een andere uitstraling hebben dan een erfafscheiding. Zoals de rechtbank onder 6.2 tot en met 6.4 al heeft overwogen, heeft het college voldoende gemotiveerd dat het gebouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Evident privaatrechtelijke hinder (en bouwen op de erfgrens)
7. Eisers betogen dat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen, vanwege de overlast die zij van de serre ervaren en de daaruit voortvloeiende aantasting van hun woon- en leefklimaat.
Het college stelt zich op het standpunt dat in een procedure over een omgevingsvergunning privaatrechtelijke belemmeringen alleen kunnen worden meegewogen als er sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan die een belangenafweging mogelijk maakt én er sprake is van een situatie waarin de belemmering evident is. Daarvan is volgens het college in dit geval geen sprake.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.
De Afdeling heeft eerder overwogen dat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft. Met ‘evident karakter’ wordt bedoeld dat er geen ruimte is voor twijfel aan het bestaan van de belemmering, de belemmering moet overduidelijk zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is slechts anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van het bouwplan leidt tot strijd met (zakelijke) rechten en ook vaststaat dat niet tot opheffing of wijziging van een dergelijke privaatrechtelijke belemmering kan worden overgegaan.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning. Nog daargelaten dat eisers niet hebben toegelicht welke privaatrechtelijke norm precies wordt overschreden door het bouwplan, is niet zonder nader onderzoek vast te stellen dat de rechten van eisers worden geschonden. Omdat niet evident is dat de vergunning leidt tot een privaatrechtelijke belemmering, kan het betoog van eisers niet slagen.
Welstandseisen
8. Eisers betogen dat de bouw van de serre in strijd is met de eisen van welstand en dat iemand namens het college de situatie ter plekke had moeten komen beoordelen. Zij betwisten dat het college zich bij de besluitvorming op het welstandsadvies mag terugvallen, wanneer daar door eisers geen ander deskundig advies tegenover is gezet.
Het college stelt zich op het standpunt dat het van het advies van de welstandsommissie mocht uitgaan, omdat het zorgvuldig tot stand is gekomen en er van de zijde van eisers geen contra-expertise is ingediend.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
In dit geval heeft het college in het primaire besluit het positieve welstandsadvies integraal opgenomen. Daaruit blijkt van enkele kritische opmerkingen over de serre, maar niet van een onacceptabele situatie. Zie het volgende citaat:
“Voor het inmiddels gerealiseerde tussenlid, bestaande uit een serreachtige constructie, had het Team graag dit volume een aantal centimeters teruggelegd gezien ten opzichte van de huidige gemetselde voorgevel van de woning en het bijgebouw, zodat dit volume ook qua situering nog meer gaat ogen als een tussenlid. Echter de transparantie van het tussenlid en de donkere kleuren van de serrekozijnen dragen bij aan de beleving van een tussenlid, waardoor er net sprake is van een acceptabele situatie.’
Naar aanleiding van het door eisers ingediende bezwaar dat het bouwplan in strijd zou zijn met de welstandseisen, heeft het college de welstandscommissie verzocht om het bouwplan op dit punt aanvullend te beoordelen in het licht van de bezwaren van eisers. De welstandscommissie heeft vervolgens overwogen::
“Serre: Hoofdstuk 2.6 heeft het in het algemene inleidende deel over samenhang in
aaneengesloten bouwblokken met doorlopende dak- en gootlijnen, en dat is hier niet het geval. Het straatbeeld was een hoekwoning van één bouwlaag met een stevige kap, met om de straathoek heen gevouwen aanbouw van één bouwlaag met een aangekapt (klein) dak overgaand in een zadeldak aan de achterzijde. Dan een vrije ruimte en dan een dubbele garage met een zadeldak met daarnaast een stevig woonblok met een aangebouwde ondergeschikte éénlaagse berging met een kap. Met de voorgaande beschrijving is voldoende aangegeven dat het bebouwingsbeeld niet eenduidig is zoals bedoeld met het voorbeeld in de welstandsnota. Met een verbijzonderd transparant tussenlid is het bestaande bebouwingsbeeld juist op hoofdlijnen gerespecteerd, zoals ook is aangegeven in het stedenbouwkundige advies. Het karakter van de serre is ondergeschikt qua uitstraling (transparantie) en volume (ondergeschikt ten opzichte van de belendingen) en laat het bestaande bebouwingsbeeld bestaande uit bakstenen volumes intact. Aangegeven wordt dat in H 2.6 onder het kopje 'woning' geschreven: "De bestaande hoofdvorm en architectuur wordt op hoofdlijnen gerespecteerd. Voor nieuwbouwinvullingen zijn afwijkende architectonische invullingen denkbaar. De oorspronkelijke samenhang blijft goed leesbaar”. Met deze afwijkende architectuur van de serre blijft de oorspronkelijke samenhang van de bakstenen volumes leesbaar.”
Uit de adviezen volgt dat de welstandscommissie verbeterpunten in het ontwerp zag, maar niet dat het bouwplan voor dit tussenlid vanuit welstandsoogpunt onacceptabel is. Het college heeft mogen aansluiten bij dit positieve advies nu er door eiseres geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De mening van eisers zelf over de mate waarin de serre voldoet aan de redelijke eisen van welstand serre is daarmee niet gelijk te stellen. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het besluit op bezwaar in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.