RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.036669.25
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
Raadsvrouw: mr. S. Grilk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne
(telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meerdere andere onbekend gebleven personen
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met elkaar en/of een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft/hebben bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne
(telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem
opzettelijk
behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door (telkens) zijn woning (gelegen aan [adres] ) ter beschikking te stellen voor de verkoop en/of overdracht van voornoemde verdovende middelen;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(in een woning gelegen aan [adres] ),
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 88,24 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 12,03 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 0,41 gram MDMA,
zijnde cocaïne, heroïne en/of MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Procesafspraken
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de raadsvrouw van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank heeft een ondertekende overeenkomst procesafspraken ontvangen. In deze overeenkomst zijn de door het OM, verdachte en zijn raadsvrouw gemaakte procesafspraken, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, opgenomen. Partijen beogen daarmee de strafzaak op korte termijn tot een einde te laten komen.
In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
De verdediging
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie zal ter zitting rekwireren tot:
een taakstraf van 240 uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis;
een gevangenisstraf van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Aan bovengenoemd voorwaardelijk strafdeel zullen bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden. De inhoud van deze bijzondere voorwaarden Is afhankelijk van het reclasseringsadvies dat is aangevraagd op 8 juli 2025 en uiterlijk verwacht wordt op 7 oktober 2025.
De formulering van eventuele bijzondere voorwaarden zullen op een later moment (ruim voor de inhoudelijke behandeling), in een afzonderlijke door het Openbaar Ministerie en verdachte
ondertekende verklaring worden opgenomen. Indien het Openbaar Ministerie en de verdachte
geen overeenstemming kunnen bereiken op dit onderdeel van de strafoplegging, zal dit eveneens
in een nadere verklaring worden gepreciseerd. Het Openbaar Ministerie en de verdachte zullen in dat geval de rechtbank vragen te beslissen op dit discussiepunt. Het staat het Openbaar Ministerie en de verdachte in dat geval vrij op dit punt standpunten in te nemen c.q. verweer te voeren.
Er zijn bij de rechtbank geen aanvullende procesafspraken binnengekomen die zien op bijzondere voorwaarden. In het reclasseringsrapport van 6 oktober 2025 adviseert de reclassering om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 3 maart 2026 aan verdachte voorgehouden en telefonisch met hem besproken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de terechtzitting desgevraagd (telefonisch) heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken die onder meer inhouden dat geen onderzoekswensen worden ingediend, dat geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde tenlastelegging en dat geen hoger beroep wordt ingesteld als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsvrouw, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 3 maart 2026 van vergewist of verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden.
De rechtbank heeft tijdens de terechtzitting opgemerkt dat verdachte vier dagen in inverzekeringstelling heeft gezeten, van 4 februari 2025 tot en met 7 februari 2025. Deze vier dagen zullen nog verrekend moeten worden met de op te leggen straf. De officier van justitie, de verdachte en de raadsvrouw zijn hiermee akkoord gegaan tijdens de terechtzitting.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel, met aftrek van de tijd die verdachte in inverzekeringstelling heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde (feit 1, feit 2 primair en feit 3) heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne
(telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(in een woning gelegen aan [adres] ),
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 88,24 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 12,03 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 0,41 gram MDMA,
zijnde cocaïne, heroïne en/of MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Deelneming aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, derde en vierde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.
feit 2:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd.
feit 3:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in inverzekeringstelling heeft doorgebracht. Daarnaast vordert hij oplegging van een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de procesafspraken over te nemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie en de handel in en het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne. Dit betreffen zeer ernstige feiten. Anderzijds wordt opgemerkt dat verdachte bij deze feiten geen leidinggevende rol heeft vervuld en dat hij een ondergeschikte rol lijkt te hebben gehad ten opzichte van de medeverdachten.
Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan en dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving. De (grootschalige) drugshandel kan bovendien in verband gebracht worden met zeer ernstige (gewelds)delicten, waarbij zowel personen uit het criminele circuit als personen uit de bovenwereld het slachtoffer worden. Bovendien leidt verslaving aan (hard)drugs er vaak toe dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen waarmee zij hun verslaving kunnen betalen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 3 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is geweest.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 6 oktober 2025. Daarin leest de rechtbank dat verdachte op alle leefgebieden vrijwel stabiel functioneert. Zijn houding en een deel van zijn sociale netwerk worden gezien als risico verhogende factoren. Verdachte staat onder bewind en krijgt ambulante begeleiding, wat maakt dat hij met zorg is ingebed. Verdachte staat alleen open voor de reclassering wanneer dat plaatsvindt onder zijn voorwaarden en hij is niet bereid om mee te werk aan gedragsverandering. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheid voor een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden.
Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel. Het voorstel staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Hierbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling dient, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Nu de rechtbank in lijn met de overeenkomst procesafspraken oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst procesafspraken doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, inclusief de bijzondere voorwaarden, zoals vastgelegd in de overeenkomst procesafspraken tussen het OM, de raadsvrouw en de verdachte, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en dus in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen, met als toevoeging dat de tijd die verdachte reeds in inverzekeringstelling heeft doorgebracht zal worden afgetrokken van de op te leggen taakstraf.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en11b van de Opiumwet.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur 4 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;