RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05.036694.25 en 05.080012.24 (tul)
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] .
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari
2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ( in totaal) ongeveer 2,70 gram van een materiaal bevattende cocaïne (verdeeld over 8 voorverpakte envelopjes) en/of
- ( in totaal) ongeveer 1,55 gram van een materiaal bevattende heroïne (verdeeld over 8 voorverpakte 8 gripzakjes),
zijnde cocaïne en/of heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool, van het merk/type Blow, TR 34, kaliber 9x17 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of
- ( bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5 kogelpatronen van het kaliber 9x17 mm (.380 auto),
voorhanden heeft gehad;
5.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een driedimensionaal geprint pistool van het merk/type DB Alloy 34, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer en/of pistool en/of
- ( bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 9x19mm,
voorhanden heeft gehad.
2. Procesafspraken
De verdediging verklaart door ondertekening van deze procesafspraken dat de feiten en kwalificaties zoals vastgesteld in de bijlage A, niet worden ontkend en hier geen inhoudelijk verweer tegen zal worden gevoerd.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank heeft een ondertekende overeenkomst procesafspraken ontvangen. In deze overeenkomst zijn de door het OM, de verdachte en zijn raadsman gemaakte procesafspraken, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, opgenomen. Partijen beogen daarmee de strafzaak op korte termijn tot een einde te laten komen.
In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
De verdediging
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie zal ter zitting rekwireren tot:
Een gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van het voorarrest (106 dagen).
NB. De bedoeling van dit onderdeel van de strafoplegging is aldus dat het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk is aan het voorarrest.
Als bijzondere voorwaarden bij het bovenstaande voorwaardelijke strafdeel worden gevorderd de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies d.d. 20-8-2025:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- begeleid wonen indien nodig;
- ambulante begeleiding indien nodig;
- dagbesteding.
Een taakstraf van 240 uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 05-080012-24 zal worden
gevorderd dat de proeftijd hiervan wordt verlengd met 2 jaren.
Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 3 maart 2026 aan verdachte voorgehouden en met hem besproken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de terechtzitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken die onder meer inhouden dat geen onderzoekswensen worden ingediend, dat geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde tenlastelegging, dat afstand wordt gedaan van de inbeslaggenomen goederen en dat geen hoger beroep wordt ingesteld als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 3 maart 2026 van vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten ten laste gelegde onder nummers 1, 2, 3 en 5 heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] .
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari
2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- (in totaal) ongeveer 2,70 gram van een materiaal bevattende cocaïne (verdeeld over 8 voorverpakte envelopjes) en/of
- (in totaal) ongeveer 1,55 gram van een materiaal bevattende heroïne (verdeeld over 8 voorverpakte 8 gripzakjes),
zijnde cocaïne en/of heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een driedimensionaal geprint pistool van het merk/type DB Alloy 34, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer en/of pistool en/of
- (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 9x19mm,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Deelneming aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, derde en vierde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.
feit 2:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
feit 3:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwetgegeven verbod.
Feit 5:
Het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie van de categorie III onder 1 WWM.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij vordert de officier van justitie dat bijzondere voorwaarden zullen worden opgelegd, gelijk aan het advies van de reclassering. Tevens vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uren en opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de procesafspraken over te nemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie, de handel in cocaïne en heroïne, het aanwezig hebben van cocaïne, heroïne en MDMA en het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Dit betreffen zeer ernstige feiten. Anderzijds wordt opgemerkt dat verdachte bij deze feiten geen leidinggevende rol heeft vervuld.
Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan en dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving. De (grootschalige) drugshandel kan bovendien in verband gebracht worden met zeer ernstige (gewelds)delicten, waarbij zowel personen uit het criminele circuit als personen uit de bovenwereld het slachtoffer worden. Bovendien leidt verslaving aan (hard)drugs er vaak toe dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen waarmee zij hun verslaving kunnen betalen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 3 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte al eerder met politie of justitie in aanraking is geweest, waaronder voor vuurwapenbezit. Hij is nog niet eerder veroordeeld voor Opiumwetfeiten.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 20 augustus 2025. De reclassering ziet mogelijkheden om met reclasseringstoezicht de risico’s in de toekomst te reduceren en te komen tot gedragsverandering ten aanzien van de aanwezige problematiek. In overleg met de huidige toezichthouder van verdachte is de reclassering gekomen tot een plan van aanpak waarin diverse bijzondere voorwaarden geadviseerd worden.
Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel. Het voorstel staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Hierbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling dient, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Nu de rechtbank in lijn met de overeenkomst procesafspraken oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte procesafspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst procesafspraken doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, inclusief de bijzondere voorwaarden, zoals vastgelegd in de overeenkomst procesafspraken tussen het OM, de raadsman en de verdachte, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en dus in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.
In de overeenkomst procesafspraken wordt overeengekomen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 134 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest van 106 dagen. De rechtbank komt bij de berekening van de duur van het voorarrest uit op 107 dagen. Verdachte is in verzekering gesteld op 4 februari 2025 en zijn voorlopige hechtenis is met ingang van 21 mei 2025 geschorst. Omdat in de overeenkomst procesafspraken specifiek benoemd wordt dat het de bedoeling van het OM, de raadsman en de verdachte is dat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan het voorarrest, zal de rechtbank dit aanpassen. De rechtbank komt uit op een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest (107 dagen).
8. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal geen beslissing nemen over de in beslag genomen goederen nu verdachte afstand van die goederen heeft gedaan en de schriftelijke afstandsverklaring is gevoegd bij de procesafspraken.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.080012.24)
De politierechter te Arnhem heeft verdachte op 25 juni 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Overeenkomstig de procesafspraken zal de rechtbank de bij die eerdere veroordeling vastgestelde proeftijd met twee jaar te verlengen.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 11b van de Opiumwet;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 4 ten laste gelegde;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, telefoonnummer 088 804 1401. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt laat behandelen door Jan Arends of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dit nodig acht of als dat uit een intake gesprek nodig blijkt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een geschikte plek is gevonden. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, meewerkt aan ambulante begeleiding. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter van 25 juni 2024 met 2 jaren;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.