RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05.036649.25 (en ontneming) en 96.002704.22 (tul)
Datum uitspraak : 17 maart 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet,
zulks terwijl hij, verdachte, leider van voormelde organisatie was;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(in een woning gelegen aan [adres] ),
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 88,24 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 12,03 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 0,41 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal MDMA,
zijnde cocaïne, heroïne en/of MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Procesafspraken
De verdediging verklaart door ondertekening van deze procesafspraken dat de feiten en kwalificaties zoals vastgesteld in de bijlage A, níet worden ontkend en hier geen inhoudelijk verweer tegen zal worden gevoerd.
één week gevangenisstraf, te executeren in een (reguliere) penitentiaire inrichting, en een rijontzegging van 5 maanden;
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank heeft een ondertekende overeenkomst procesafspraken ontvangen. In deze overeenkomst zijn de door het OM, de verdachte en zijn raadsman gemaakte procesafspraken, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, opgenomen. Partijen beogen daarmee de strafzaak op korte termijn tot een einde te laten komen.
In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
De verdediging
Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie zal ter zitting rekwireren tot:
Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 3 maart 2026 aan verdachte voorgehouden en met hem besproken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de terechtzitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken die onder meer inhouden dat geen onderzoekswensen worden ingediend, dat geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde tenlastelegging, dat afstand wordt gedaan van de inbeslaggenomen goederen en dat geen hoger beroep wordt ingesteld als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 3 maart 2026 van vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op in of omstreeks de periode van 7 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of
Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet,
zulks terwijl hij, verdachte, leider van voormelde organisatie was;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 3 februari 2025 te Arnhem en/of Velp (gemeente Rheden), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(in een woning gelegen aan [adres] )
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 88,24 gram van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 12,03 gram van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 0,41 gram van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Deelneming aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, derde en vierde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks terwijl hij leider van voormelde organisatie was
feit 2:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 3:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de procesafspraken over te nemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie, de handel in cocaïne en heroïne en het aanwezig hebben van cocaïne, heroïne en MDMA. Dit betreffen zeer ernstige feiten. Verdachte heeft daarbij bovendien een leidende en sturende rol gehad.
Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan en dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving. De (grootschalige) drugshandel kan bovendien in verband gebracht worden met zeer ernstige (gewelds)delicten, waarbij zowel personen uit het criminele circuit als personen uit de bovenwereld het slachtoffer worden. Bovendien leidt verslaving aan (hard)drugs er vaak toe dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen, waarmee zij hun verslaving kunnen betalen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 8 januari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten met politie of justitie in aanraking is geweest. Hij is eerder al tot lange gevangenisstraffen veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Aan verdachte was bovendien nog maar net een voorlopige invrijheidstelling verleend naar aanleiding van een veroordeling in drugsfeiten.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 12 januari 2026. De reclassering merkt vrijwel alle leefgebieden aan als criminogene factoren en benoemt dat er geen beschermende factoren zijn. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. Geregeld worden voor dit soort feiten straffen geëist en opgelegd die hoger zijn dan de in de procesafspraken overeengekomen strafeis van de officier van justitie. Echter, bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel. Het voorstel staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Hierbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling dient, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Nu de rechtbank in lijn met de overeenkomst procesafspraken oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst procesafspraken doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, zoals vastgelegd in de overeenkomst procesafspraken tussen het OM, de raadsman en de verdachte, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en dus in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal geen beslissing nemen over de in beslag genomen goederen, nu verdachte afstand van die goederen heeft gedaan en de schriftelijke afstandsverklaring is gevoegd bij de overeenkomst procesafspraken.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 96.002704.22)
De politierechter te Arnhem heeft verdachte op 25 april 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden met aftrek.
Overeenkomstig de procesafspraken zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 43 a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 11b van de Opiumwet.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 25 april 2022 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 1 week en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden, met aftrek (parketnummer 96.002704.22).
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.
Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.