ECLI:NL:RBGEL:2026:2105

ECLI:NL:RBGEL:2026:2105

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 05/036649-25 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 38-jarige man uit Arnhem tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor het leiden van een criminele organisatie die tot doel had het plegen van Opiumwet-gerelateerde feiten, het verkopen van cocaïne en heroïne en het aanwezig hebben van cocaïne, heroïne en MDMA. Vordering tenuitvoerlegging wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer: 05.036649.25 (ontneming)

Datum uitspraak : 17 maart 2026

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 maart 2026, tegelijkertijd met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak die onder hetzelfde parketnummer aanhangig is gemaakt tegen de veroordeelde.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

en van hetgeen door de veroordeelde zijn raadsman naar voren is gebracht.

2. De inhoud van de vordering

De vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 35.961,65 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van

€ 26.971,24.

2. Procesafspraken

De verdediging verklaart door ondertekening van deze procesafspraken dat de feiten en kwalificaties zoals vastgesteld in de bijlage A, níet worden ontkend en hier geen inhoudelijk verweer tegen zal worden gevoerd.
één week gevangenisstraf, te executeren in een (reguliere) penitentiaire inrichting, en een rijontzegging van 5 maanden;

De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van procesafspraken die de officier van justitie en de verdediging hebben gemaakt in de strafzaak en de ontnemingszaak tegen de veroordeelde. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst die zij aan de rechtbank hebben doen toekomen. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de hoofd- en ontnemingszaak.

In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

De verdediging

Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie zal ter zitting rekwireren tot:

Overige bepalingen

(…)

Ontneming

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de politie geschat op € 57.921,40,-. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar de daartoe door politie opgemaakte rapportage.

Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt, in afwijking van de berekening door de politie en in het voordeel van verdachte, rekening gehouden met een afdracht aan loopjongens welke is bepaald op 25% van het door politie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Vervolgens wordt hierop in het voordeel van verdachte de waarde van het klassieke beslag (te weten € 7.479,40) in mindering gebracht en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 35.961,65.

Bij het bepalen van de betalingsverplichting wordt in het kader van procesafspraken in het voordeel van verdachte een korting toegepast van 25% over het hiervoor vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor een betalingsverplichting resteert van in totaal € 26.971,24.

Het resterende ontnemingsbedrag zal op de reguliere wijze in het kader van de executie door verdachte aan het CJIB moeten worden voldaan.

Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken

De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 3 maart 2026 aan verdachte voorgehouden en met hem besproken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de terechtzitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken die onder meer inhouden dat geen onderzoekswensen worden ingediend, dat geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde tenlastelegging, dat afstand wordt gedaan van de inbeslaggenomen goederen en dat geen hoger beroep wordt ingesteld als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 3 maart 2026 van vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.

De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist en zullen dan in een aan deze beslissing te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 35.961,65;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 26.971,24;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 269 dagen.

Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.

Mr. C.L.A. van der Veeken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.S.W. Lucassen
  • mr. C.L.A. van der Veeken

Griffier

  • mr. M.J.A. Dams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?