RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/168830-25
Datum uitspraak : 13 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres].
Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 3 september 2024 te
Barneveld, althans in Nederland, wapens van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en Munitie, te weten:
- een (geschuts)granaat met explosieve lading en/of
- een (granaat)ontsteker (tijdschokbuis) met explosieve lading en/of
- twee (granaat)ontstekers zonder explosieve lading en/of
- een (geschuts)granaat zonder explosieve lading,
zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing heeft overgedragen;
2.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld wapens van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee (granaat)ontstekers,
zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een kogel-/grendelgeweer, van het merk Mauser, type K98, kaliber 7.92 x 57 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjespistool, althans een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd, met uitzondering van de munitie zonder explosieve lading. Verdachte dient daarvan vrijgesproken te worden. Het gaat daarbij om niet meer dan een oud stuk ijzer nu de explosieve lading daarin ontbreekt.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- de processen-verbaal van bevindingen, inclusief foto’s, p. 9-15 en 23-32;
- het proces-verbaal van binnentreden woning en bevindingen, p. 21, p. 23 en 36;
- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 75-83;
- de identificatierapporten EODD, p. 41-49 en 64-71;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 februari 2026.
Vrijspraak ten aanzien van de munitie zonder explosieve lading
Van een (pantser)granaat en tweetal granaatontstekers is vastgesteld dat zij geen explosief materiaal (meer) bevatten. Daarmee staat volgens de rechtbank niet vast dat dit (nog) voorwerpen zijn, bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank wijst er daarbij op dat granaten die op een juiste wijze onklaar zijn gemaakt, ook niet strafbaar zijn onder categorie II sub 7 van WWM. Naar het oordeel van de rechtbank is, op het moment dat de explosieve inhoud uit een granaat of ontsteker wordt verwijderd, daarmee bewust de bestemming veranderd en is het daarmee niet langer bestemd om als bom te dienen en gebruikt te worden. De rechtbank zal verdachte van die onderdelen dan ook vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 3 september 2024 te
Barneveld, althans in Nederland, wapens van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en Munitie, te weten:
- een (geschuts)granaat met explosieve lading en/of
- een (granaat)ontsteker (tijdschokbuis) met explosieve lading en/of
- twee (granaat)ontstekers zonder explosieve lading en/of
- een (geschuts)granaat zonder explosieve lading,
zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing heeft overgedragen;
2.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld wapens van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee (granaat)ontstekers, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een kogel-/grendelgeweer, van het merk Mauser, type K98, kaliber 7.92 x 57 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Barneveld een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjespistool, althans een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º, meermalen gepleegd
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
feit 4:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. De granaten en ontstekers heeft hij samen met zijn vader op militairenbeurzen gekocht toen hij jong was en hij had niet het idee dat daar nog explosief materiaal in zat. Het balletjespistool had hij gewonnen op de kermis. Het grendelgeweer had zijn vader gemaakt, vlak voor zijn overlijden. Na het overlijden van zijn vader, wilde hij een aantal spullen verkopen. Voor zijn gevoel verkocht hij enkel een stuk metaal, dat ook wel te zien is aan de prijs die hij daarvoor heeft gevraagd. Hij heeft geen strafblad. De strafeis van de officier van justitie past totaal niet bij het totale beeld van deze zaak en de persoon van verdachte. De uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:844) is een goed voorbeeld waar zich een soortgelijke situatie voordeed, en waar de rechtbank ook geen gevangenisstraf heeft opgelegd, maar een voorwaardelijke taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals ook uit het reclasseringsadvies naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overdragen van een granaat en een granaatontsteker, door deze in een pakket te versturen via PostNL aan een koper via Marktplaats. In het distributiecentrum van PostNL hebben ze door dit pakket het pand moeten ontruimen. Later is uit onderzoek door de explosieve opruimingsdienst (EOD) gebleken dat de brisantgranaat vaker open en dicht was gedraaid en daardoor direct ontploffingsgevaar opleverde. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee granaatontstekers, een geweer en een balletjespistool.
De aanwezigheid van strafbare vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico mee voor de veiligheid van personen. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn vader veel interesse had in de Tweede Wereldoorlog en zodoende, samen met zijn vader, op militaire beurzen spullen kocht. Zijn vader en de verkoper verzekerden hem destijds dat de spullen geen explosieve lading bevatten, legaal waren en verdachte dacht dat hij rechtmatig handelde. Uit het dossier is gebleken dat enkele munitie weldegelijk explosieve lading bevatte. De regelgeving omtrent (antieke) vuurwapens en munitie is complex. Bij de afweging welke wapens/munitie verdachte wel en niet voorhanden mag hebben wordt extra zorgvuldigheid verwacht en moet hij zich ervan vergewissen dat de wapens/munitie voldoen aan de geldende regelgeving. Verdachte is alleen uitgegaan van de kennis en kunde van zijn inmiddels overleden vader en de verkoper van de spullen, maar hij had zelf ook onderzoek moeten doen en zichzelf ook van dat gevaar moeten vergewissen. Des te meer toen hij deze spullen ter verkoop aanbood en opstuurde. Hij heeft dat nagelaten en de rechtbank rekent hem dit aan.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het reclasseringsadvies van 11 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte first offender is en hij zijn leven op orde heeft. Hij heeft een fulltime baan, duurzame huisvesting, een stabiele relatie, een goede band met zijn familieleden, voldoende financiële middelen en geen problemen met middelengebruik. Het recidiverisico is laag. Verdachte ervaart veel stress door de tenlastelegging. De reclassering ziet geen noodzaak tot het opstellen van een plan van aanpak.
In de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting wordt voor het bezit van verboden vuurwapens/munitie zoals bewezenverklaard onder feiten 1 en 2 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden als uitgangspunt gehanteerd. De rechtbank acht deze straf in dit geval niet passend, nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk is gebleken dat verdachte de vuurwapens niet vanwege criminele doeleinden voorhanden heeft gehad, maar vanwege een verwaterde hobby en historische belangstelling. Er is geen enkele indicatie aanwezig van enige kwade bedoeling bij verdachte met deze wapens. Verdachte heeft een blanco strafblad en wilde juist afstand nemen van de vuurwapens. Dat hij dit achteraf anders had moeten aanpakken is hem inmiddels ook duidelijk geworden. De rechtbank acht gelet op dit alles, en het feit dat de rechtbank minder feiten bewezenverklaard dan door de officier van justitie gevorderd, een (voorwaardelijke) gevangenisstraf dan ook niet nodig om herhaling te voorkomen. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf voor de duur 120 uren passend, te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 23 c, 23d van het Wetboek van Strafrecht; en
- 13, 26, 31, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.