RECHTBANK GELDERLAND
[betrokkene]
de officier van justitie
uitspraak
Team strafrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 11540443 \ BR VERZ 25-333 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 261855061 / 01B2NB
zitting van 24 februari 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
wonende te [adres]
betrokkene
gemachtigde mr. E. Özkan
tegen
Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het handelen in strijd met een geslotenverklaring.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat in dit geval sprake is van handhaving met een camerasysteem, zodat het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden 2018 (hierna: Beleidskader) van toepassing is. De gemeente Nijmegen vult de haar binnen het Beleidskader gegeven ruimte zo in dat de eerste periode, waarin wordt volstaan met een waarschuwingsbrief, eerst eindigt nadat de kentekenhouder een waarschuwingsbrief in verband met een eerder na aanvang van deze periode met zijn voertuig verrichte gedraging is toegezonden.
Door de officier van justitie is geen verzendadministratie overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat er een waarschuwingsbrief is toegezonden aan betrokkene. De beschikking zal daarom worden vernietigd. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, behoeven de overige aangevoerde beroepsgronden niet besproken te worden.
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, en het beroep bij de kantonrechter dienen in totaal 2 procespunten te worden toegekend.
In het beroepschrift aan de officier van justitie heeft de gemachtigde van betrokkene verzocht te worden gehoord. Bij de op de zaak betrekking hebbende stukken bevindt zich het verslag van de hoorzitting van de officier van justitie van 7 februari 2024. Blijkens dit verslag is de gemachtigde van de betrokkene gehoord en heeft hij geen aanvullingen op het administratief beroepschrift. Uit de rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden leidt de rechtbank af dat in dat geval, ter zake van het horen door de officier van justitie geen sprake is van kosten die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken. Anders dan het Gerechtshof oordeelt bij een beroep bij de kantonrechter gaat het Gerechtshof er klaarblijkelijk van uit dat een hoorzitting in administratief beroep een ander karakter heeft dan een zitting bij de kantonrechter. Aangenomen kan worden dat een gemachtigde die tijdens een hoorzitting geen aanvullingen heeft, geen kosten heeft hoeven maken om voorbereid te zijn op hetgeen tijdens de hoorzitting kan voorvallen. De kantonrechter sluit zich daar bij aan.
Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat ter zake van het horen door de officier van justitie geen sprake is van kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding voor deze proceshandeling een punt toe te kennen, zodat in totaal 2 procespunten worden toegekend. De waarde per punt bij de officier van justitie bedraagt € 666 en de waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 449,75 (= 1 x € 666 x 0,5 + 1 x € 934 x 0,5 x 0,25).
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden beslissing en de inleidende beschikking;
-bepaalt dat wat betrokkene aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 449,75.