ECLI:NL:RBGEL:2026:2181

ECLI:NL:RBGEL:2026:2181

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer AWB 26/1053
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Rijbewijs; schorsing geldigheid; onderzoek naar alcoholgebruik.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/1053

(gemachtigde: mr. B. Tijsterman),

en

(gemachtigde: drs. I.S.B. Metaal).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het CBR waarbij aan verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik is opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 heeft het CBR aan verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

3. Op 5 oktober 2025 kregen verbalisanten van de politie rond 02.30 uur de melding om te gaan naar de [locatie] in [plaats]. Daar troffen zij midden op de weg een auto met draaiende motor. De achterzijde van de auto stond in de richting van een parkeervak en de voorzijde stond dwars over de straat. In de auto zat een persoon voorovergebogen achter het stuur. De portieren van de auto waren vergrendeld. De verbalisanten klopten op het raam. Na enkele seconden reageerde verzoeker op het slaan door de verbalisanten op de ruit. Hij maakte een verwarde indruk.3.1. Verzoeker werd gevorderd mee te werken aan een ademtest. Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie van: G/F. Bij verzoeker is vervolgens bloed afgenomen. Uit de resultaten van het onderzoek van het Maasstad ziekenhuis van 21 november 2025 bleek dat verzoeker een bloedalcoholgehalte van 1,90 ‰ is vastgesteld.3.2. Met het proces-verbaal van 1 januari 2026, tevens een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), heeft de politie aan het CBR meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.3.3. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 heeft het CBR besloten om de geldigheid van verzoekers rijbewijs te schorsen en hem te verplichten een onderzoek te ondergaan naar zijn alcoholgebruik, zoals bedoeld in artikel 131, eerste lid van de WVW 1994 en artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).Toetsingskader 4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek voldoende is dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat de betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de vaardigheid om een motorrijtuig te besturen.Oordeel van de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid in de bij ministeriële regeling bepaalde gevallen verplicht is voorgeschreven aan het CBR indien een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 wordt gedaan, en vloeit voort uit het in dat artikel vermelde vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van een motorrijtuig. In dit geval is het vermoeden van ongeschiktheid, overeenkomstig artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, gebaseerd op het feit dat bij verzoeker een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰. 6. Verzoeker betwist allereerst dat hij een voertuig heeft bestuurd. Hij was weggeweest en thuisgebracht. Hij wilde bij thuiskomst nog even zijn rittenadministratie bijwerken en is waarschijnlijk in slaap gevallen. Het is vaste rechtspraak dat voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, voldoende is dat op basis van de geconstateerd feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat verzoeker onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.6.1. Gelet op de omstandigheden waarin verzoeker door de politie in zijn auto is aangetroffen, dat wil zeggen de auto stond midden op de straat, vlak voor een parkeerplaats met draaiende motor en dichtbij zijn woning, heeft het CBR aannemelijk kunnen achten dat verzoeker onder invloed van alcohol heeft gereden. Dat verzoeker na thuiskomst de rittenadministratie heeft willen bijwerken en in zijn auto in slaap is gevallen acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk nu de verbalisanten verzoeker rond 02.30 uur hebben aangetroffen. Het betoog slaagt niet.7. Verzoeker betoogt verder dat niet is gebleken dat aan de in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer met waarborgen omklede procedure is voldaan. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of een arts of verpleegkundige het bloed heeft afgenomen en was er geen verbalisant aanwezig op het moment dat het bloed werd afgenomen. Nu niet vaststaat dat het bloed is afgenomen door een arts of verpleegkundige, kan ook niet aangenomen worden dat de wettelijke minimale hoeveelheid bloed is afgenomen en dat het bloedonderzoek op de voorgeschreven wijze, en met de voorgeschreven hulpmiddelen, is verricht. Doordat de waarborgen niet in acht zijn genomen kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het door het Maasstad ziekenhuis beoordeelde bloed van hem is.7.1. Het CBR heeft op de zitting verklaard dat zij geen reden hebben om te twijfelen dat het door het Maasstad ziekenhuis beoordeelde bloed van verzoeker is. Uit de overgelegde processen-verbaal blijkt afdoende dat bij verzoeker bloed is afgenomen en daar is ook een sporen identificatienummer (SIN) aan gekoppeld. Dit SIN nummer kan daardoor aan verzoeker gekoppeld worden. Dit SIN nummer staat ook in het rapport van het Maasstad ziekenhuis. Uit het proces-verbaal van 5 oktober 2025 blijkt ook dat een arts of verpleegkundige het bloed heeft afgenomen. Dat niet duidelijk is of het een arts of een verpleegkundige was doet er niet aan af dat het bloed door een bevoegd persoon is afgenomen. Daardoor zijn er ook geen twijfels aan de hoeveelheid bloed is die afgenomen en dat is gewerkt conform de voorgeschreven methode.7.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het vaste rechtspraak is dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De enkele betwisting dat bepaalde procedurele waarborgen niet zouden zijn gevolgd is niet voldoende, zeker nu voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid voldoende is dat met een voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat verzoeker onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig heeft opgetreden. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake. Het betoog slaagt daarom niet. Wel merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat het CBR op de zitting heeft toegezegd dat in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift zo nodig nader kan worden onderzocht of aan alle procedurele waarborgen is voldaan. Omdat het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid een bestuursrechtelijke maatregel is die dient ter bevordering van de verkeersveiligheid en de voorzieningenrechter geen reden heeft om aan te nemen dat in strijd is gehandeld met het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer ziet de voorzieningenrechter geen reden om dit onderzoek af te wachten.8. Verzoeker had in zijn bezwaarschrift ten overvloede opgemerkt dat hij niet heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken en dat het CBR daarom het primaire besluit dient in te trekken. Naar aanleiding van het verweerschrift en de aanvullende stukken van de politie die door het CBR aan het dossier zijn toegevoegd, heeft verzoeker deze grond op de zitting ingetrokken.

9. Verzoeker betoogt dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Gelet op het strikte juridische kader dat in de Wegenverkeerswet 1994 en aanverwante regelingen is opgenomen, heeft het CBR geen ruimte om de belangen van verzoeker mee te wegen. Het betoog slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Er is geen reden om te veronderstellen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen reden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

11. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.H.Y Snoeren-Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand