RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/696
en
(gemachtigde: J. Esselink).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toewijzing van bijstand aan verzoeker. Verzoeker is het niet eens met de ingangsdatum en de wijze waarop het college de hoogte van de betaling van bijstand heeft berekend. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker vormt een gezin met zijn echtgenote, dochter van 22 en zoon van 15. Verzoeker heeft op 14 november 2025 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw).
Verzoeker heeft in december een voorschot op de bijstand van in totaal € 1.000 ontvangen.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 februari 2026 buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie had aangeleverd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft gedurende de bezwaarprocedure alsnog inhoudelijk beslist op de aanvraag. Met het besluit van 6 maart 2026 wijst het college de aanvraag voor bijstand af.
Het college heeft op 12 maart 2026 het besluit van 6 maart 2026 gewijzigd en besloten dat verzoeker en zijn partner is aanmerking komen voor bijstand naar de gehuwdennorm met ingang van 17 november 2025. Het bezwaar van verzoeker wordt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen dit besluit.
Verzoeker heeft aan de griffier van de rechtbank laten weten dat hij zijn verzoek handhaaft.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, ondanks dat aan verzoeker inmiddels bijstand is toegekend. Dat is zo vanwege zijn nijpende financiële situatie.
Toetsingskader
4. Een gezin heeft recht op bijstand, als het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. De bijstandsnorm voor gehuwden is € 2.002,13. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van de loonbelasting, verschuldigde premies, verplichte bijdragen en verplichte inhoudingen. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter beoordeelt voor de vraag of zij een voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daar wordt in dit verband mee bedoeld of het bezwaar er naar verwachting toe zal leiden dat het college nog het door verzoeker becijferde bedrag van € 1.225,39 (of een deel daarvan) verschuldigd is aan verzoeker en zijn echtgenote.
Het college heeft beslist dat verzoeker en zijn echtgenote in aanmerking komen voor bijstand naar de gehuwdennorm, waarbij de inkomsten van de partner in mindering worden gebracht op het uit te keren bedrag. Het college heeft op de zitting een berekening van de bijstand per maand vanaf 17 november 2025 tot februari 2026 overgelegd. Hieruit volgt dat het recht in november en december 2025 verrekend wordt met een deel van het verleende voorschot en dat in januari 2026 geen recht was op bijstand, omdat de partner inkomen boven de norm heeft gehad. Het recht op bijstand in februari 2026 kan nog niet vastgesteld worden, omdat nog niet alle loonstroken over die maand ontvangen zijn. Ook als het recht op bijstand ook in die maand bestaat, dan zal dat geheel of gedeeltelijk worden verrekend met de rest van het verleende voorschot.
Verzoeker heeft de berekening van het college betwist. Hij stelt ook dat het recht per de datum van de aanvraag, 14 november 2025, toegekend moet worden. Daarnaast is hem door een medewerker telefonisch medegedeeld dat 25% van het inkomen van zijn partner vrijgelaten wordt en dus niet meegeteld wordt als inkomen. Het college heeft in zijn berekening geen rekening gehouden met deze vrijlating. Op de zitting heeft verzoeker een overzicht overgelegd van zijn berekeningen, waaruit volgens hem volgt dat hij over de periode van 14 november 2025 tot en met februari 2026 nog recht heeft op uitbetaling van € 1.225,39. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college dit bedrag moet uitbetalen.
6. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het college op dit moment een bedrag van € 1.225,39 (of een deel daarvan) verschuldigd is aan verzoeker.
De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker voor de vrijlating van inkomsten een beroep doet op artikel 31, tweede lid, onder n, van de Pw. Het is vaste rechtspraak dat deze vrijlating niet geldt voor mensen die (nog) geen algemene bijstand ontvangen. Dit betekent dat in de behandeling van de aanvraag nog geen rekening gehouden kan worden met vrijlating van de inkomsten. Het beroep van verzoeker op toepassing van dit artikel slaagt naar (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet. Verzoeker heeft op de zitting aangegeven dat hem telefonisch is medegedeeld dat deze vrijlating voor hem en zijn partner van toepassing is. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen objectieve onderbouwing is van een dergelijke uitlating, waardoor op dit moment niet aannemelijk is gemaakt dat er een dergelijke toezegging is gedaan die aan het college kan worden toegerekend en dat verzoeker een geslaagd beroep zou kunnen doen op het vertrouwensbeginsel.
Wat betreft de ingangsdatum (14 of 17 november 2025) leidt dit hoe dan ook op dit moment niet tot een eventuele uitbetaling van bijstand aan verzoeker. Het college gaat uit van bijstand per 17 november 2025 wat leidt tot een bijstandsnorm in november van € 912,71. Verzoeker gaat uit van ingang per 14 november 2025 wat leidt tot een bijstandsnorm in november van € 1.108,29. Het verschil tussen beide normen (€ 195,58) leidt nu niet tot uitbetaling aan verzoeker, omdat dit eerst zou worden aangewend tot verdere verrekening van het resterende voorschot (€ 407,23).
Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar op formele gronden weliswaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat de eerste twee primaire besluiten zijn herroepen, maar het is niet aannemelijk dat het bezwaar in zoverre kans van slagen heeft dat verzoeker meer bijstand toekomt dan door het college is becijferd. Met betrekking tot de opmerking van verzoeker dat de Participatiewet bedoeld is voor het waarborgen van bestaanszekerheid, terwijl bij hem die stabilisatie (nog) niet is bereikt, overweegt de rechtbank dat de Participatiewet uitsluitend bedoeld is om burgers tot het bijstandsniveau financiële ondersteuning te verlenen. Het kan dus zo zijn dat er recht bestaat op bijstand maar dat dit onvoldoende is om een financiële situatie (voldoende) te stabiliseren. De voorzieningenrechter kan daarom niet bepalen dat het college meer bijstand moet toekennen dan waarop recht bestaat.
Het college heeft op zitting toegelicht dat de bijstand over februari 2026 nog niet vastgesteld kan worden, omdat nog niet alle inkomensgegevens over die maand zijn ontvangen. Verzoeker heeft in zijn berekening al wel de bijstand en het inkomen over februari 2026 meegenomen. De voorzieningenrechter acht het aan verzoeker om spoedig de ontbrekende inkomensgegevens aan het college toe te sturen (voor zover nog niet gedaan), zodat het college het recht over februari 2026 vast kan stellen. De voorzieningenrechter kan hier in deze uitspraak niet op vooruit lopen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Het college heeft gedurende deze procedure het recht op bijstand aan verzoeker toegekend en is in zoverre tegemoet gekomen aan de bezwaren van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om te bepalen dat het college het griffierecht van verzoeker moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: