uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 oktober 2021.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.863.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 23 september 2020 aangifte bpm gedaan voor een Volvo XC60 2.0 T6 AWD R-design (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd, opgemaakt door [persoon D], gecertificeerd taxateur, en gedagtekend op 20 september 2020. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 35.750 (op basis van een koerslijst van XRAY) vermeld, een schadecalculatie van € 10.900 en een handelsinkoopwaarde met schade van € 25.100 vermeld.
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto geen meer dan normale gebruiksschade heeft, dat de handelsinkoopwaarde € 37.781 is (op basis van een koerslijst van XRAY), dat de historische nieuwprijs € 92.645 is en dat de netto-catalogusprijs € 60.480 is.
4. Met dagtekening 12 maart 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 37.781, een historische nieuwprijs van € 92.645, een bruto bpm van € 19.463 en een extra leeftijdskorting van € 148. De verschuldigde bpm heeft hij vastgesteld op € 7.789.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. In geschil is de handelsinkoopwaarde en de bruto bpm. Daarbij is in het bijzonder in geschil of:
Belanghebbende heeft op de zitting zijn stelling dat DRZ onvoldoende onafhankelijk is ondubbelzinnig prijsgegeven.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Handelsinkoopwaarde
8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat uit het taxatierapport duidelijk blijkt welke schades aanwezig zijn. Ook wijst belanghebbende op in de branche ontwikkeld beleid. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade en wijst op het DRZ-rapport. Aan beleid van de branche hoeft de inspecteur zich niet te conformeren.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade had. Belanghebbende heeft niet concreet gesteld welke schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid. De inspecteur is daarnaast niet gebonden aan binnen de branche ontwikkeld beleid bij de beoordeling van de schade.
Bruto bpm: herleiding uit de herrekende bpm
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 110 van het VWEU met zich brengt dat de verschuldigde bpm moet worden herleid uit de herrekende bruto bpm die is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze methode voor het vaststellen van een vermindering wettelijk niet is toegestaan. Omdat de toegestane methoden op zichzelf geen strijd met artikel 110 van het VWEU opleveren, is er geen reden hiervan af te wijken.
11. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 10 van de Wet BPM kan de in aanmerking te nemen vermindering voor een gebruikte auto worden vastgesteld aan de hand van de tabelafschrijving, op basis van een koerslijst of in bepaalde gevallen de taxatiemethode. Andere methoden, waaronder de door belanghebbende voorgestane herleidingsmethode, zijn niet toegestaan. Daarnaast kan belanghebbende met de herleidingsmethode niet aantonen dat in vergelijking met gelijksoortige voertuigen te veel bpm wordt geheven en dat dus in strijd met artikel 110 van het VWEU is gehandeld. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 11 juli 2025.
Redelijke termijn
12. Belanghebbende heeft op de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
13. Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen op 13 april 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 35 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. De Staat moet deze schadevergoeding betalen, omdat de overschrijding geheel voor rekening van de Staat komt.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt wel vergoeding van de proceskosten van € 233,50. De Staat moet dit bedrag betalen.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.