RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274631-25
Datum uitspraak : 25 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. S.J. Mol, advocaat in Nijmegen
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Valburg in de gemeente Overbetuwe, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig(personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van Valburg, gaande in derichting van Elst, daarmee rijdende over de Tielsestraat (N836),zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeftgereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/ofterwijl zich op de Tielsestraat zowel links als rechts een vrijliggend verplichtfiets/bromfietspad ten behoeve van (brom)fietsers lag dat werd gescheiden van dehoofdrijbaan door middel van grasbermen en/ofterwijl hij rechtsaf sloeg om de zijweg van de Tielsestraat in te rijden en/ofniet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeftgekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeftovertuigd of over die kruisende weg(en) verkeer naderde,-in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 naar rechts is afgeslagen, teneinde de zijweg van de Tielsestraatin/op te rijden, waarbij hij, verdachte, een hem op dezelfde weg (de Tielsestraat)zich voortbewegende verkeersdeelneemster (bestuurster bromfiets), die zich rechtsnaast, dan wel dicht rechts achter hem, verdachte bevond, niet voor heeft latengaan en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeftgeregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen deafstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of,is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of debestuurster van die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van diebromfiets en haar passagier ten val zijn gekomen,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1][slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werdtoegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van denormale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Valburg in de gemeente Overbetuwe, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig(personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van Valburg, gaande in derichting van Elst, daarmee rijdende over de Tielsestraat (N835),terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/ofterwijl zich op de Tielsestraat zowel links als rechts een vrijliggend verplichtfiets/bromfietspad ten behoeve van (brom)fietsers lag dat werd gescheiden van dehoofdrijbaan door middel van grasbermen en/ofterwijl hij rechtsaf sloeg om de zijweg van de Tielsestraat in te rijden en/ofniet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeftgekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeftovertuigd of over die kruisende weg(en) verkeer naderde,-in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 naar rechts is afgeslagen, teneinde de zijweg van de Tielsestraatin/op te rijden, waarbij hij, verdachte, een hem op dezelfde weg (de Tielsestraat)zich voortbewegende verkeersdeelneemster (bestuurster bromfiets), die zich rechtsnaast, dan wel dicht rechts achter hem, verdachte bevond, niet voor heeft latengaan en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeftgeregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen deafstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of,is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of debestuurster van die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van diebromfiets en haar passagier ten val zijn gekomen,en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Valburg, gemeente Overbetuwe als bestuurdervan een personenauto/bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaandeweg, Tielsestraat, bij het naar rechts afslaan, teneinde de zijwg van de Tielsestraat inte rijden, een bestuurder van een voertuig (bromfiets), die op dezelfde weg zichnaast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan,waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie gaat daarbij uit van de laagste schuldgradatie, te weten aanmerkelijke onoplettendheid. Het letsel van de slachtoffers is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft voor het primair tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit, nu het enkel maken van een voorrangsfout als gevolg van het niet waarnemen van een andere verkeersdeelnemer de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 WVW niet haalt. Ook blijkt uit het dossier niet het soort gevaarzettend gedrag als bedoeld in artikel 5 WVW, zodat ook voor het subsidiair tenlastegelegde feit vrijspraak moet volgen.
Beoordeling door de rechtbank
Op 30 april 2025 heeft in Valburg (gemeente Overbetuwe) een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed in zijn personenauto komende uit de richting van Valburg in de richting van Elst. Bij het afslaan naar rechts op de Tielsestraat (N835) heeft verdachte nagelaten de bromfietser, die in dezelfde richting op het naastgelegen fiets/bromfietspad reed, voorrang te verlenen. Het zicht van verdachte werd ter plaatse niet belemmerd. Ook was verdachte bekend met de verkeerssituatie.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn snelheid had verminderd, zijn spiegels en de omgeving had bekeken en zijn richtingaanwijzer had gebruikt voordat hij afsloeg, maar dat hij de bromfietser desondanks niet had gezien.
Schuld (artikel 6 WVW)
Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de beoordeling komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij het afslaan de bromfietser over het hoofd heeft gezien en heeft verzuimd deze voorrang te verlenen, waarna een verkeersongeval is ontstaan.
Verdachte heeft voorafgaand aan het afslaan zijn snelheid verminderd, zijn spiegels en de omgeving gecontroleerd en zijn richtingaanwijzer gebruikt. Niet is gebleken dat verdachte te hard reed, afgeleid was of anderszins onvoorzichtig handelde. Op basis van het dossier kan de rechtbank geen voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante vaststellingen doen over de vraag of verdachte eerder, voorafgaand aan het afslaan, beter had moeten kijken en de bromfiets toen al had kunnen en moeten waarnemen. Het gaat aldus om een kort moment van onoplettendheid. Dat is onvoldoende voor de vereiste mate van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Artikel 5 WVW
Wel staat vast dat verdachte bij het afslaan onvoldoende aandacht heeft gehad voor het achteropkomende verkeer en daardoor een bromfietser geen voorrang heeft verleend. Door dit handelen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, dat zich heeft verwezenlijkt in het verkeersongeval.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Valburg in de gemeente Overbetuwe, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig(personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van Valburg, gaande in derichting van Elst, daarmee rijdende over de Tielsestraat (N835),terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/ofterwijl zich op de Tielsestraat zowel links als rechts een vrijliggend verplichtfiets/bromfietspad ten behoeve van (brom)fietsers lag dat werd gescheiden van dehoofdrijbaan door middel van grasbermen en/ofterwijl hij rechtsaf sloeg om de zijweg van de Tielsestraat in te rijden en/ofniet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeftgekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeftovertuigd of over die kruisende weg(en) verkeer naderde,- in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 naar rechts is afgeslagen, teneinde de zijweg van de Tielsestraatin/op te rijden, waarbij hij, verdachte, een hem op dezelfde weg (de Tielsestraat)zich voortbewegende verkeersdeelneemster (bestuurster bromfiets), die zich rechtsnaast, dan wel dicht rechts achter hem, verdachte bevond, niet voor heeft latengaan en/of - in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeftgeregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen deafstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of,is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of debestuurster van die bromfiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van diebromfiets en haar passagier ten val zijn gekomen,en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – in geval van een bewezenverklaring voor het (meer) subsidiair ten laste gelegde – verzocht een geldboete van € 750,00 op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW door op de Tielsestraat in Valburg rechts af te slaan, terwijl hij de bromfiets aan wie hij voorrang diende te verlenen, niet heeft gezien. Als gevolg hiervan is een aanrijding ontstaan tussen de auto en de bromfietser, waarbij de opzittenden van de bromfiets zwaar lichamelijk letsel (diverse botbreuken) hebben opgelopen.
Uit het strafblad van verdachte van 2 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld, terwijl hij al 38 jaar over een rijbewijs beschikt. Ook heeft verdachte zich schuldbewust opgesteld ten opzichte van de slachtoffers en heeft hij ter zitting verklaard dat hij na de aanrijding nog bedachtzamer is gaan rijden.
Anderzijds weegt mee dat door het handelen van verdachte meerdere slachtoffers zijn gevallen. Dit betroffen bovendien kwetsbare verkeersdeelnemers, die als gevolg van het incident ernstig letsel hebben opgelopen. Daarom vindt de rechtbank een hogere geldboete dan verzocht door de verdediging passend. Alles overziend zal de rechtbank een geldboete van € 1.500,00 opleggen. Een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid vindt de rechtbank, mede gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, niet aan de orde.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een geldboete van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2026.