RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
het College voor de toelating van Gewasbeschermingsmiddelen
als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Bijenstichting uit Vorden
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6140
in de zaak tussen
(gemachtigden: mr. G.A. van der Veen en mr. B.N.I. Gerritsen),
en
(gemachtigden: mr. K. van der Wart en R. Andriessen).
(gemachtigde: mr. L.J. Smale).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het College om documenten openbaar te maken. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt is een vraag die in rechte moet worden beoordeeld, met openbaarmaking van de documenten zou het belang van de bezwaarprocedure vervallen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. De Bijenstichting heeft een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij het College en verzocht om openbaarmaking van de toelatingsbesluiten over het gewasbeschermingsmiddel Gazelle met als werkzame stof acetamiprid.
Het College heeft daarop in twee deelbesluiten besloten informatie (gedeeltelijk) openbaar te maken. Deelbesluit I is van 29 september 2025 en is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Op 1 december 2025 heeft het College deelbesluit II (het bestreden besluit) genomen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het College heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De Bijenstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigden van het College en de gemachtigde van de Bijenstichting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het bestreden besluit
3. Het bestreden besluit van 1 december 2025 heeft betrekking op informatie over het oorspronkelijke toelatingsbesluit uit 2006, op documenten uit het stofdossier van de werkzame stof acetamiprid en op de procedurele uitbreiding van de toelatingstermijn uit 2024. In totaal heeft het College besloten 75 documenten openbaar te maken. Daarvan zijn 5 documenten volledig openbaar gemaakt, 53 documenten zijn openbaar gemaakt met uitzondering van persoonsgegevens en 17 documenten zijn openbaar gemaakt met uitzondering van bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Van deze 75 documenten zijn er 42 gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit verstrekt, omdat bij de openbaarmaking niet is afgeweken van de ingediende zienswijzen. Van de overige 33 documenten is openbaarmaking opgeschort totdat deze uitspraak is gedaan.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek alleen betrekking heeft op het bestreden besluit voor zover het ziet op de documenten met nummers 9, 24, 31, 34, 35, 39, 40, 48, 49, 51, 52, 62 en 67 tot en met 85.
Het beoordelingskader in deze zaak
4. De voorzieningenrechter kan bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen, beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarnaast kan de voorzieningenrechter de belangen van een verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de algemene belangen, c.q. de belangen waar verweerder voor staat, die pleiten tegen het treffen daarvan, in zijn afweging betrekken. Ook dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
In dit geval speelt dat het niet schorsen van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de gevraagde gegevens openbaar moeten worden gemaakt voor eenieder. Dit kan niet meer ongedaan worden gemaakt en is dus onomkeerbaar. Daarmee zou ook het belang aan de bodemprocedure komen te vervallen, omdat de informatie dan al openbaar is. De voorzieningenrechter betrekt dat in zijn afweging.
Daarom beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar enige kans van slagen heeft. Als het bezwaar geen kans van slagen heeft, dan weegt het belang van openbaarmaking zwaarder dan het voorkomen van zinledigheid van de bodemprocedure na openbaarmaking.
Een bezwaar heeft geen kans van slagen als de openbaarmakingsbeslissing in overeenstemming is met vaste rechtspraak én er in bezwaar geen argumenten zijn aangevoerd die niet in deze vaste rechtspraak aan de orde zijn geweest. Als er wel argumenten zijn aangevoerd die niet eerder zijn beoordeeld in vaste rechtspraak is de verwijzing door verweerder naar vaste rechtspraak op zich onvoldoende. In dat geval beoordeelt de voorzieningenrechter of die argumenten zonder een behandeling in de bodemprocedure gepasseerd kunnen worden, met andere woorden: is zonder twijfel sprake van een rechtmatig besluit?
Deze beoordeling voert de voorzieningenrechter uit aan de hand van de bij de voorlopige voorziening aangevoerde argumenten en de door de andere partij(en) naar voren gebrachte reactie. De voorzieningenrechter betrekt daarbij geen argumenten die nog niet zijn aangevoerd.
De weigeringsgronden in de Woo
5. Uitgangspunt van de Woo is ‘openbaar, tenzij’. Een bestuursorgaan maakt bij de toepassing van de relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo een inhoudelijke afweging tussen het vooropgestelde algemene belang van openbaarheid en de belangen die worden beschermd door de weigeringsgronden. De weigeringsgronden moeten terughoudend (restrictief) worden uitgelegd.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Heeft het bezwaar van verzoekster over de bedrijfs- en fabricagegegevens enige kans van slagen?
6. Verzoekster betoogt dat een aantal van de 33 documenten waarvan de openbaarmaking is opgeschort, ten onrechte niet volgens de zienswijze openbaar wordt gemaakt. De samenstellingsgegevens van het gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de concentraties van co-formulanten, verschaffen geen zinvolle informatie over daadwerkelijke of te verwachten emissies. Door de samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel zelf te behandelen als emissie-gegeven, geeft het College een ruimere uitleg dan op grond van de rechtspraak is toegestaan. Hiermee wordt het evenwicht tussen transparantie en de bescherming van commerciële belangen ondermijnd. Het College heeft vervolgens een onjuiste belangenafweging gemaakt. Met de openbaarmaking kunnen concurrenten hun voordeel doen ten nadele van verzoekster.
Tussen partijen is in geschil of sprake is van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Partijen zijn het er niet over eens of de uitleg die het College geeft van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2016 juist is. De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag of samenstellingsgegevens altijd kwalificeren als emissiegegevens, een vraag is die in rechte (dus in bezwaar) moet worden beoordeeld. Bij openbaarmaking komt het belang van de bezwaarprocedure te vervallen. Bovendien stelt verzoekster dat de documenten ook informatie bevatten over leveranciers en fabrikanten. Dat betekent dat elk document individueel beoordeeld moet worden. Deze beoordeling past niet binnen de reikwijdte van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe. Het is niet gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang waardoor niet gewacht zou kunnen worden met de openbaarmaking van de documenten totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist. Wat de derde-partij in dit verband heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een ander oordeel.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de argumenten van verzoekster over de gegeven gelegenheid tot zienswijze en de belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 december 2025 is geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het College het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten, omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Het College moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is verschenen op de zitting. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 1 december 2025 tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het College het griffierecht van € 385 aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het College tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: