RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/129781-17
VI-zaaknummer: 99/000763-21
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:13 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],
adres: [adres], [woonplaats] (Duitsland),
raadsman: mr. C.A. Boeve, advocaat in Zwolle.
De procedure
Bij onherroepelijk geworden uitspraak van het Landgericht Kleve van 14 september 2016, is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 9 maanden. De tenuitvoerlegging van de straf is overgedragen aan Nederland en geregistreerd onder parketnummer 05-129781-17.
Bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 26 november 2018 is veroordeelde op 28 december 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast zijn de volgende bijzondere voorwaarden gesteld:
Op 24 september 2019 is betrokkene veroordeeld in Frankrijk tot een jaar gevangenisstraf. Op 20 april 2020 is hij in vrijheid gesteld.
Vervolgens is bij beslissing van deze rechtbank van 3 augustus 2020 de proeftijd met 365 dagen verlengd.
Op 23 augustus 2021 wordt betrokkene veroordeeld door het Landgericht in Kleve tot een gevangenisstraf van 7 jaar voor drugshandel gepleegd op 28 januari 2021. Op 23 september 2024 wordt hij vervolgens in vrijheid gesteld in Duitsland.
Op 31 oktober 2025 heeft de officier van justitie de onderhavige vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend met het volledige strafrestant van 455 dagen.
Het onderzoek ter terechtzitting
De vordering tot herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- zijn raadsman;
- de officier van justitie mr. F. van der Beek.
De standpunten
De officier van justitie heeft, gezien de aangevoerde argumenten en gewijzigde omstandigheden, geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en tot verlenging van de proeftijd met een jaar.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
De beoordeling
Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.
Betrokkene is sinds zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in 2018 twee maal onherroepelijk veroordeeld, zowel in Frankrijk als in Duitsland. Daarmee heeft hij een voorwaarde van het VI-besluit geschonden, hetgeen reden kan zijn tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank overweegt echter dat uit de stukken en hetgeen is besproken op zitting ook blijkt dat het nu goed gaat met veroordeelde, hetgeen wordt onderstreept in de door de verdediging toegezonden bescheiden van de Duitse autoriteiten en reclassering.
In Duitsland is hij in 2021 veroordeeld tot gevangenisstraf maar ook tot opname in een verslavingskliniek (“Entziehungsanstalt”) als bedoeld in § 64 Strafgesetzbuch. Dat heeft hij succesvol afgesloten. Hij staat nog steeds onder ambulante ‘nazorg’ controle in welk kader hij periodiek contact heeft met een forensische polikliniek. Daarbij vindt ook controle op drugs- en alcoholgebruik plaats. Daarnaast loopt ook nog een proeftijd inzake de voorwaardelijke beëindiging van de gevangenisstraf, in welk kader hij contact heeft met de reclassering.
Hij heeft duidelijk een andere wending aan zijn leven gegeven: hij heeft afstand genomen van een verleden waarin veel fout is gegaan, het gaat goed thuis met zijn gezin, hij gebruikt geen middelen en hij heeft een fulltime baan.
De rechtbank overweegt dat het geen toegevoegde waarde zou hebben om het restant van de straf die tien jaar geleden is opgelegd onder de huidige omstandigheden nog ten uitvoer te leggen. De rechtbank ziet ook geen heil meer in verlenging van de proeftijd gelet op de huidige stand van zaken in het leven van verdachte en het feit dat hij zich in Duitsland al aan allerlei voorwaarden dient te houden tot aan 23 september 2029. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. W. Bruins en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
mrs. Breimer en Van Schaik zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.