RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/274708-25
Datum uitspraak : 1 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. N. Alberts, advocaat in Almere (namens kantoorgenote mr. F. van der Pol).
Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 maart 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wadenoijen, in de gemeente Tiel, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de Groesbeekstraat, rijdende in de richting van Lingedijk/Tiel, daarmede rijdende op de weg, de Overlaat, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of terwijl het donker was en/of terwijl de Overlaat bestond uit 1 rijbaan, niet voorzien van een middenstreep en was bestemd voor verkeer in beide rijrichtingen en/of aan beide zijden van de rijbaan onderbroken witte strepen zijn aangebracht en/of de afstand tussen de zijkant van de rijbaan en de onderbroken strepen circa 1.25 meter bedroeg en/of terwijl het uitzicht over die weg (de Overlaat) niet werd beperkt en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of terwijl verdachte links af sloeg bij een inrit/uitrit om te gaan keren en/of achteruit te rijden in de richting van de hoofdrijbaan, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) geheel of gedeeltelijk op de rijbaan van die weg (Overlaat) en/of de aan die rijbaan grenzende berm heeft gekeerd, dan wel is gaan keren en/of vanuit stilstand genoemde weg (de Overlaat) is opgereden, zijnde bijzondere manoeuvres als omschreven in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of in strijd met artikel 54 van voormeld reglement een bestuurder van een over die weg (de Overlaat) rijdend, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (bedrijfsauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (bedrijfsauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Overlaat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen, met die toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wadenoijen, in de gemeente Tiel, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de Groesbeekstraat, rijdende in de richting van Lingedijk/Tiel, daarmede rijdende op de weg, de Overlaat, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of terwijl het donker was en/of terwijl de Overlaat bestond uit 1 rijbaan, niet voorzien van een middenstreep en was bestemd voor verkeer in beide rijrichtingen en/of aan beide zijden van de rijbaan onderbroken witte strepen zijn aangebracht en/of de afstand tussen de zijkant van de rijbaan en de onderbroken strepen circa 1.25 meter bedroeg en/of terwijl het uitzicht over die weg (de Overlaat) niet werd beperkt en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of terwijl verdachte links af sloeg bij een inrit/uitrit om te gaan keren en/of achteruit te rijden in de richting van de hoofdrijbaan, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) geheel of gedeeltelijk op de rijbaan van die weg (Overlaat) en/of de aan die rijbaan grenzende berm heeft gekeerd, dan wel is gaan keren en/of vanuit stilstand genoemde weg (de Overlaat) is opgereden, zijnde bijzondere manoeuvres als omschreven in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of in strijd met artikel 54 van voormeld reglement een bestuurder van een over die weg (de Overlaat) rijdend, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (bedrijfsauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (bedrijfsauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Overlaat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen, met die toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wadenoijen, gemeente Tiel als bestuurder van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Overlaat, is gekeerd, althans is gaan keren en/of achteruit is gereden zonder een bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.W. Schouten, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. Alberts, naar voren hebben gebracht.
Het proces-verbaal van deze zitting zal aan dit tussenvonnis worden gehecht.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de inham naast de weg is gereden, omdat hij zijn voertuig wilde keren. Hij heeft daarbij vervolgens het voertuig achteruit de weg op gereden en is gestopt op het moment dat hij het andere voertuig zag en hoorde aankomen. Tijdens het keren en achteruit rijden heeft hij geprobeerd zo parallel mogelijk aan de rijbaan te blijven.
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is sprake geweest van aanmerkelijke schuld, in de zin van onvoorzichtig rijgedrag door verdachte. De officier van justitie baseert zich daarbij op de dashcambeelden en het proces-verbaal FO-verkeer, waaruit volgens hem naar voren komt dat het voertuig van verdachte voor een deel op de rijbaan heeft gestaan. Het slachtoffer heeft daarop moeten reageren, waarbij hij met zijn auto in de slip is geraakt en uiteindelijk via een boom tot stilstand is gekomen.
De raadsvrouw van verdachte heeft primair betoogd dat verdachte van het (primair, subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zodanig met zijn voertuig op de weg stond, dat hij geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer. Volgens de raadsvrouw kan niet worden uitgesloten dat verdachte de weg niet of op minimale wijze heeft geblokkeerd.
De raadsvrouw heeft subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het (aanvullend) laten onderzoeken van de dashcambeelden in combinatie met de rolsporen die ter plaatse zijn aangetroffen. Volgens de verdediging is het aannemelijk dat het voertuig van verdachte op het moment dat hij stilstond ook een andere positie op de weg kan hebben gehad dan door de politie is beschreven. Door de raadsvrouw is betoogd dat het politieonderzoek zeer summier is geweest. Zo is niet toegelicht hoe tot bepaalde conclusies wordt gekomen en hoe rekening is gehouden met het heen en weer rijden van verdachte ter plaatse in de inham. Meer specifiek wenst de verdediging te laten onderzoeken of de positie op de weg zoals gereconstrueerd door de politie mogelijk is op basis van de dashcambeelden of dat de alternatieve positie van verdachte op de weg (namelijk dat verdachte tijdig is stil gaan staan met zijn voertuig en daarbij niet zodanig op de weg stond dat hij geen voorrang heeft verleend) ook een mogelijkheid is.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek tot nader onderzoek, omdat er volgens hem geen begin van aannemelijkheid is ten aanzien van het door verdachte naar voren gebrachte scenario. Bij het door verdachte geschetste scenario dat hij zoveel mogelijk parallel aan de rijbaan keerde en dus ook stilstond, zouden er ook sporen in de berm moeten zijn aangetroffen van de achterwielen van het voertuig van verdachte. Volgens de officier van justitie is er geen ander scenario dat past bij de beelden en de sporen.
3. De motivering van de beslissing
De rechtbank is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en de ingenomen standpunten (zoals onder 2. verwoord) tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat de rechtbank zich ten aanzien van het tenlastegelegde onvoldoende voorgelicht acht.
De rechtbank zal daarom de officier van justitie opdragen om nader onderzoek te laten verrichten en daarover een aanvullend proces-verbaal op te laten maken door de verbalisanten van het team Forensische Opsporing verkeer (FO-verkeer). De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat verdachte bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres met zijn voertuig al dan niet gedeeltelijk op het gedeelte van de weg, bestemd voor tegemoetkomend verkeer (waar het slachtoffer zich bevond) terecht is gekomen, op het moment dat het slachtoffer kwam aanrijden en zo ja, hoe ver het voertuig van verdachte zich op dat weggedeelte heeft bevonden. Met andere woorden: of en zo ja, in hoeverre kan worden vastgesteld wat de positie van het voertuig van verdachte ten opzichte van de weg en meer specifiek het gedeelte voor tegemoetkomend verkeer was op het moment dat (zoals op de dashcambeelden te zien is) verdachte tijdens het achteruit rijden zijn voertuig tot stilstand bracht en/of het voertuig van het slachtoffer in de slip raakte. Daarbij moet tevens het door verdachte genoemde scenario worden betrokken, inhoudende dat hij tijdens het keren en achteruit rijden (zoveel mogelijk) parallel aan de rijbaan is gebleven, in elk geval niet met zijn voertuig op de rijbaan van het slachtoffer terecht is gekomen.
Bij het nader onderzoeken van deze scenario’s wenst de rechtbank indien mogelijk in elk geval te worden geïnformeerd over het volgende:
De rechtbank zal daarnaast de officier van justitie opdragen om de verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] van het team FO-verkeer, althans de verbalisanten die het aanvullend onderzoek hebben verricht, op te roepen voor de nader te bepalen terechtzitting.
4. De beslissing
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;
wijst toe het verzoek om nader onderzoek te laten verrichten;
draagt de officier van justitie op het onder 3. genoemde aanvullend onderzoek te laten verrichten en een aanvullend proces-verbaal hieromtrent op te laten maken;
gelast de oproeping van de verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] van het team FO-verkeer, althans van de verbalisanten die het aanvullende onderzoek hebben verricht tegen de nader te bepalen terechtzitting;
stelt daartoe de stukken in handen van de officier van justitie;
gelast de oproeping van verdachte, met afschrift aan zijn raadsvrouw tegen de nader te bepalen terechtzitting;
gelast tevens de kennisgeving aan de benadeelde partijen van de nader te bepalen terechtzitting;
houdt verder iedere beslissing aan.