ECLI:NL:RBGEL:2026:2523

ECLI:NL:RBGEL:2026:2523

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 05/330472-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vrijspraak primair ten laste gelegde poging doodslag. Subsidiair ten laste gelegde Zware mishandeling w+o bewezen. Vol opzet. Maatregel en Straf: TBS met dwangverpleging en daarnaast 365 dagen gevangenisstraf met aftrek. Toewijzing vordering benadeelde partij. Beslag verbeurd verklaard. artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b en 302 van het Wetboek van Strafrecht

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/330472-24

Datum uitspraak : 1 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in het PPC van de P.I. [plaats] aan [adres] [plaats] .

Raadsvrouw: mr. M.H. Bischop, advocaat in Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de zij/rug, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

zij op of omstreeks 16 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de zij/rug en/of een perforatie van de borstkas (thorax) en/of long, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug te steken;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 16 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de zij/rug, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde. Van het primair tenlastegelegde heeft de officier vrijspraak gevorderd omdat vol opzet op de dood niet kan worden bewezen, en evenmin dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel door het steken met een mes bewust heeft aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het (voorwaardelijk) opzet niet kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte kwaad opzet had om het slachtoffer te doden. Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat (1) niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en (2) dat niet kan worden vastgesteld dat, als die aanmerkelijke kans op de dood wel zou worden aangenomen, verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Daartoe heeft de raadsvrouw verwezen naar hetgeen de psychiater over de persoon van de verdachte heeft beschreven en zijn conclusie dat verdachte onvoldoende in staat was om haar wil naar aanleiding van enig inzicht te bepalen. Ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.

Indien de rechtbank meent dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet, dan kan volgens de raadsvrouw hooguit het subsidiair tenlastegelegde worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte woonde op een woongroep van [stichting] in [woonplaats] . Aangeefster (mevrouw [slachtoffer] ) was daar werkzaam en was de persoonlijk begeleidster van verdachte. Op 16 oktober 2024 heeft verdachte aangeefster met een mes gestoken.

Verdachte heeft verklaard dat zij een discussie had gehad met aangeefster en boos op haar was. Ze pakte een mes uit de la, ging snel naar beneden en stak aangeefster vervolgens met het mes. Voordat ze de steekbeweging maakte, had ze het mes in haar vuist vast, met de scherpe kant naar onder. Ze wilde aangeefster steken. Met het mes in haar vuist maakte ze een beweging van boven naar beneden.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte met haar linkerhand de linkerarm van aangeefster vastpakte. Verdachte deed toen haar rechterhand, waarin zij het mes vasthield, naar achter om kracht en snelheid te maken. Vervolgens stak verdachte het mes met kracht in de linkerzij van aangeefster.

In het dossier bevindt zich een Forensisch medische letselrapportage (hierna: letselrapportage) waarin onder meer over het letsel van aangeefster staat geschreven dat zich links in de flank een scherprandige verwonding van ongeveer 2 cm en wijkende wondranden bevond, waarbij het letsel in ieder geval reikte tot de borstholte en waarbij een vermoeden bestond dat de milt ook was geraakt. Bij dit letsel zijn complicaties opgetreden. Het bloed in de borstholte is toegenomen na de eerste opname. Door de scherprandige verwonding is een opening ontstaan waardoor ziekteverwekkers bij dit bloed konden komen. Het bloed in de borstholte is hierdoor gaan infecteren. Om dit goed te behandelen, was een operatie met een scoop nodig, omdat het geïnfecteerde bloed moest worden verwijderd. Ook moest aangeefster een tijd een antibioticakuur nemen. In een deel van de gevallen treedt na een dergelijke operatie opnieuw een infectie op van het geopereerde gebied. Dit is bij aangeefster ook gebeurd. Hierdoor was opnieuw een scopie nodig om pus te verwijderen. Hierna was een nieuwe behandeling met antibiotica nodig. Uit de medische informatie kan worden opgemaakt dat aangeefster uiteindelijk na 2,5 maand geen medische behandeling meer hoefde en dat uiteindelijk te verwachten is dat aangeefster een litteken of meerdere littekens zal overhouden aan het letsel en aan de operatiewonden. In maart 2025 had aangeefster nog pijnklachten.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is hoe het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd. Primair is dit ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.

Vrijspraak poging doodslag

Het op iemand insteken met een mes, met name wanneer wordt gestoken in het bovenlichaam waar zich vitale organen bevinden, kan onder omstandigheden worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. In de letselrapportage is – kortgezegd – beschreven dat de kans op overlijden bij scherprandig letsel in de flank kan oplopen tot 19%, waaruit dus naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat het letsel van aangeefster potentieel dodelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aangeefster ten gevolge van het handelen van verdachte zou komen te overlijden.

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is verder vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood. De rechtbank overweegt dat dit niet het geval is. Niet is vast komen te staan dat verdachte de intentie had om aangeefster van het leven te beroven. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte met haar handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zou kunnen komen te overlijden. Uit het psychiatrisch onderzoek is gebleken dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een reactieve hechtingsstoornis met een zeer jonge sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (6-18 maanden en onder spanning tenderend naar 6 maanden). Over het tenlastegelegde feit heeft verdachte tegenover de psychiater onder meer gezegd te weten dat je iemand niet mag steken. Vervolgens heeft ze verteld waar ze aangeefster heeft gestoken. Ze wordt dan gevraagd waarom niet op een andere plaats, zoals het hoofd, en heeft in reactie daarop met een wat verbaasde lach gezegd ‘dat doe je niet’. De psychiater merkt op dat verdachte weet dat iemand kan doodgaan door steken, maar dat zij vervolgens heeft aangegeven dat iemand in de schouder steken niet te ver gaat. Als haar wordt voorgelegd of het uitmaakt of je iemand in de arm of borst steekt, dan maakt dat volgens haar niet uit. Desgevraagd weet ze niet welke organen er in de borstkas van iemand zitten en heeft ze geen idee welk orgaan je zou kunnen raken door iemand in de rug te steken. Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat verdachte wist of had moeten weten dat aangeefster ten gevolge van haar handelen had kunnen overlijden, en ook niet dat verdachte die eventuele gevolgen bewust heeft aanvaard.

Zware mishandeling

Vervolgens ligt de vraag voor of bij verdachte sprake was van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Op grond van de bewijsmiddelen is voor de rechtbank vast komen te staan dat het letsel dat verdachte aangeefster heeft toegebracht, te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel. Het letsel reikte tot de borstholte en het vermoeden bestaat dat ook de milt was geraakt. Direct medisch ingrijpen was noodzakelijk. Hierna zijn complicaties opgetreden waardoor tweemaal geopereerd moest worden en aangeefster medicatie nodig had. Daarbij heeft aangeefster lange tijd pijn gehad ten gevolge van het steken.

Gelet op de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat verdachte boos was op aangeefster, vervolgens op de bovenverdieping een mes pakte, direct naar aangeefster liep met het mes in haar vuist en daarbij het lemmet naar beneden gericht, zij aangeefster wilde steken en haar vervolgens ook heeft gestoken door haar vuist van boven naar beneden te bewegen waarbij het mes in de zij van aangeefster terecht kwam, is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte ten volle was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.

Wat betreft het verweer van de raadsvrouw dat verdachte vanwege haar beperking en geestelijke stoornis geen inzicht in haar handelen had waardoor er geen sprake kan zijn van al dan niet voorwaardelijk opzet, overweegt de rechtbank als volgt. Een geestelijke stoornis kan slechts dan aan bewezenverklaring van opzet in de weg staan als bij de verdachte ten tijde van het handelen ieder inzicht in de draagwijdte van de gedragingen en de gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Van een zodanig geval is niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte in het gesprek bij de psychiater over het tenlastegelegde heeft aangegeven dat ze boos was en dat ze ‘iemand pijn wilde doen’, waarmee ze het slachtoffer bedoelde. Door vervolgens te handelen zoals zij heeft gedaan, is geen sprake van de situatie dat ieder inzicht in haar gedragingen en de gevolgen daarvan ontbrak. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 16 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de zij/rug en/of een perforatie van de borstkas (thorax) en/of long, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug te steken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 510 dagen met aftrek van voorarrest. Verder heeft zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege gevorderd, waarbij deze maatregel ongemaximeerd wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een tbs met voorwaarden het meest passend en noodzakelijk is om aan verdachte op te leggen. Zij volgt daarin de adviezen en conclusies uit de rapportage van de psycholoog, die een tbs met dwangverpleging niet noodzakelijk acht omdat zij niet de inschatting heeft dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zou kunnen houden. De raadsvrouw meent dat de specifieke behandelomschrijving die de psychiater heeft geadviseerd, ook in het kader van een tbs met voorwaarden kan worden uitgevoerd.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat naast een tbs met voorwaarden een gevangenisstraf conform het voorarrest passend is.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door haar persoonlijk begeleider met een mes in haar linkerzij te steken. Verdachte heeft met dit handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt. Van slachtoffers van zware mishandeling is bekend dat zij daarnaast een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Dit volgt ook uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgehouden.

Het incident heeft zich bovendien afgespeeld in de woonkamer van de woongroep waar verdachte verbleef. Er waren meerdere bewoners in de woonkamer aanwezig en getuige van het incident. Een dergelijk geweldsdelict veroorzaakt angst en onrust in de samenleving en zeker bij de personen die daarvan getuige waren. Het feit rechtvaardigt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Pro Justitia Rapportages

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de recente rapporten die zijn opgemaakt over verdachte.

In het rapport van 8 december 2025 van psychiater J. Wiersma (onder supervisie van psychiater T.W.D.P. van Os) staat onder meer het volgende vermeld. Er is bij betrokkene sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (ernst maat: matig) en een reactieve hechtingsstoornis met een zeer jonge sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (6-18 maanden en onder spanning tenderend naar 6 maanden). Ten tijde van het tenlastegelegde was hier ook sprake van en dit beïnvloedde haar gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De mogelijkheden voor betrokkene om haar gedrag te controleren en in staat te zijn om in geval van met name spanning, frustratie, angst, gevoelens van onveiligheid en/of afwijzing tot weloverwogen besluiten te komen, zodat haar gedrag geen risico vormt voor anderen, zijn sterk beperkt door de aanwezigheid van vooral de reactieve hechtingsstoornis en het zeer jonge sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. De verstandelijke ontwikkelingsstoornis is daarbij een extra kwetsbaarheid. De psychiater concludeert dan ook dat betrokkene niet of nauwelijks in staat was haar wil te bepalen ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezen. Verfijning van de diagnostiek, verder bepalen van de stijl van begeleiding en inzetten/beoordeling van behandeling vereist langdurig verblijf in een stabiele gesloten klinische omgeving. Gelet hierop adviseert de psychiater om het ten laste gelegde, indien bewezen, in sterke mate verminderd toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog op een soortgelijk delict als het ten laste gelegde indien er geen behandeling komt. Bij adequate behandeling zal dit risico kunnen dalen, waarbij de verwachting is dat sprake zal moeten zijn van langdurige behandeling. De aanwezigheid van adequate hulpverlening is essentieel om tot een verlaging van het recidiverisico te komen.

De psychiater adviseert om een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Een setting als het FPA, ondanks expertise op het gebied van verstandelijke beperking, is volgens onderzoeker onvoldoende geweest om de neergaande lijn te stoppen. Er ontstond in die setting door -in het rapport beschreven factoren- juist ontregeling. Langdurige begeleiding binnen een gesloten setting met een stabiel team dat veel ervaring heeft op het gebied van mensen met een verstandelijke beperking en een laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau is een vereiste volgens de psychiater om het recidiverisico te beperken. Tegelijk zal in die periode gewerkt moeten worden om iedereen die tot de relevante betrokkenen in het sociaal netwerk behoort uitleg te geven over de problematiek van betrokkene, over de langdurige overvraging en de gevolgen daarvan, zodat er door alle partijen een geïntegreerde, samen gedragen eenduidige visie (ont)staat waar betrokkene op kan bouwen. Geadviseerd wordt om betrokkene, indien schuldig bevonden, een ter beschikking met dwangverpleging op te leggen.

De psychiater heeft overwogen of de interventies kunnen worden vormgegeven in het kader van een tbs met voorwaarden, maar schat in dat een tbs met voorwaarden onvoldoende garanties en behandelmogelijkheden biedt. Er is een groot afbreukrisico omdat haar inzicht sterkbeperkt is en de impulsiviteit te fors waardoor ze onvoldoende in staat is om zich aan voorwaarden te houden. De psychiater adviseert een setting met grondige expertise ophet gebied van een verstandelijke beperking in combinatie met een reactieve hechtingsstoornis.

In het rapport van 19 december 2025 van klinisch psycholoog R.A. Jaarsma staat onder meer het volgende vermeld. Bij onderzochte is sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (matig van ernst) en een reactieve hechtingsstoornis, waarbij er in de voorgeschiedenis sprake is van psychotrauma. Daarnaast is er sprake van een borderline persoonlijkheidsorganisatie. Ook ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van genoemde problematiek. Door de aanwezigheid van een verstandelijke beperking (cognitieve beperking) in combinatie met de hechtingsproblematiek van onderzochte kan ze bij hoge spanning zeer wantrouwend reageren en ook de gevolgen van haar handelen niet overzien. Als de spanning hoog is, daalt het niveau van onderzochte naar de leeftijd van zes maanden. Tevens speelt haar beperkte cognitieve vermogen een rol in het snel komen tot een woede-explosie als ze zaken niet kan volgen of snappen. Ze raakt snel uit balans door drukte, overvraging, onduidelijkheid en onbegrip wat kan leiden tot boosheid. De spanning liep op 16 oktober 2024 nog meer op omdat onderzochte onvrede ervaarde bij haar dagbesteding en wilde dat haar persoonlijk begeleider daar een mail over zou sturen. Op de bewuste avond liep de spanning zo hoog op dat onderzochte een mes pakte en in een vlaag van intense woede haar begeleider heeft gestoken. Vanuit haar hechtingsproblematiek en beperkte cognitieve vermogen is bekend dat onderzochte zeer boos kan worden. Omdat de problematiek van onderzochte ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde, heeft dit de gedragskeuzes van onderzochte zeer waarschijnlijk beïnvloed. Concluderend kan gesteld worden dat de pathologie van onderzochte de totstandkoming van het tenlastegelegde (indien bewezen), overwegend heeft beheerst. Op basis van voorgaande wordt geadviseerd om onderzochte het tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt ingeschat op “hoog” op een soortgelijk delict als het tenlastegelegde indien er geen adequate behandeling komt. Indien onderzochte wel adequate behandeling krijgt, wordt het recidiverisico in het begin als “matig” ingeschat en op de langere termijn als “laag” ingeschat. Binnen de situatie van adequate hulpverlening wordt de kans op risicovol gedrag, waarbij onderzochte een gevaar voor anderen, vormt steeds lager.

De psycholoog adviseert een verplichte klinische behandeling op te leggen en daartoe opname in een setting met de benodigde expertise op het gebied van een verstandelijke beperking in combinatie met de overige problematiek. Hierbij wordt specifiek gedacht aan een SGLVG+ instelling (Sterk gedragsgestoorde Licht Verstandelijk Gehandicapten instelling). Wat betreft het benodigde beveiligingsniveau adviseert de psycholoog beveiligingsniveau 2. Onderzochte kan bij oplopende spanning, die ze niet zelf kan reguleren en waarbij ze interventies van anderen nodig heeft, stevig ontregelen en ook voorafgaand aan het huidige tenlastegelegde heeft ze vaker met een mes gedreigd. Daarnaast is het een risico dat onderzochte snel kan worden overschat, waardoor eveneens ontregeling kan optreden. In de behandeling van onderzochte zal hier voldoende aandacht voor moeten zijn. Daarnaast zal er voortdurend rekening moeten worden gehouden met haar zeer jonge sociaal-emotionele niveau. Er zal moeten worden ingestoken op voldoende nabijheid, zodat onderzochte tijdig in haar spanningen gereguleerd kan worden teneinde verdere ontregeling te voorkomen. De omgeving en de bejegening zullen zeer voorspelbaar moeten zijn, er moeten zeer duidelijke en voor onderzochte begrijpelijke afspraken moeten worden gemaakt. Duidelijkheid, eenduidigheid, transparantie, voorspelbaarheid en betrouwbaarheid is voor onderzochte dan ook van het grootste belang. Het is voor haar essentieel en past in de fase van de emotionele ontwikkeling, om het gevoel van eigen regie te hebben. Het opdoen van succeservaringen is voor haar van wezenlijk belang. Daarnaast is het zeer belangrijk dat ze tijdig, op empathische wijze en vanuit nabijheid, begrensd wordt. Eveneens is het belangrijk dat ze op een rustige groep komt, waarbij bij voorkeur vast personeel werkzaam is en waar ze vaste aanspreekpunten en vaste momenten om te ventileren heeft. Op dit moment volgt onderzochte nog EMDR in het PPC, tot het schrijven van het huidige rapport werd gezien dat dit ervoor zorgt dat onderzochte minder last heeft van haar traumatische klachten/ nachtmerries. De behandeling dient meer gericht te zijn het leren reguleren van haar emoties en agressie, mede met de hulp van begeleiders. Vanuit een gesloten klinische setting kan volgens de psycholoog toegewerkt worden naar een vorm van beschermd wonen, waar er voldoende steun en structuur is voor onderzochte. Ook hier blijven duidelijkheid, nabijheid, voorspelbaarheid en het overige dat hierboven genoemde wordt van groot belang, naar alle waarschijnlijkheid voor zeer lange tijd.

Geadviseerd wordt om onderzochte, indien schuldig bevonden, een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De psycholoog heeft tevens overwogen om een terbeschikkingstelling met dwangverpleging te adviseren. Echter, dan zou de inschatting moeten zijn dat onderzochte zich niet aan de gestelde voorwaarden zou kunnen houden. De psycholoog denkt echter dat onderzochte hier wel toe in staat is als deze in voor haar begrijpelijke termen worden geformuleerd en vaker met haar worden doorgenomen.

Reclasseringsrapporten

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de recente reclasseringsrapporten van 20 januari 2026 en 9 maart 2026 die zijn opgemaakt over verdachte.

Uit beide adviezen volgt dat de reclassering de kans op herhaling, letsel en onttrekking aan voorwaarden hoog inschat. Het risico dat betrokkene opnieuw een zelfde soort feit zal plegen, schat de reclassering hoog in als verdachte niet op een plek woont/verblijft die passend is gelet op haar problematiek. Verdachte is volgens de reclassering niet uit op fysiek geweld, maar vanwege haar problematiek/beperkingen zijn er jarenlang gedragsproblemen. Eerder heeft de reclassering het risico op recidive als gemiddeld/hoog ingeschat. De reden dat zij dit verschuiven naar hoog is dat er een faalervaring is geweest (tijdens een opname bij [kliniek] in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis) die voor betrokkene veel stress en onzekerheid heeft opgeleverd wat ongunstig is voor de kans van slagen van een eventuele andere opname. Zeker indien opnieuw besloten wordt tot een dergelijk traject in het kader van voorwaarden.

De reclassering ziet zich voor de vraag gesteld of zij verdachte in staat achten om zich langdurend te gedragen naar voorwaarden en of zij invulling kunnen geven aan voorwaarden.

In het rapport van 20 januari 2026 wordt beschreven in hoeverre de reclassering verwacht dat betrokkene begeleid kan worden bij het zich houden aan voorwaarden (mogelijk bij een tbs maatregel). De reclassering concludeert op basis van de ervaringen met betrokkene dat zij geen mogelijkheden ziet om het recidiverisico te verminderen dan wel te beïnvloeden middels bijzondere voorwaarden in welk kader dan ook. Het schorsingstoezicht dat op 17 april 2025 werd gestart middels klinische opname bij [kliniek] moest onder andere helderheid geven of betrokkene zich kan houden aan voorwaarden. Helaas bleek al snel dat dit niet haalbaar was, ondanks dat vanaf het begin van haar verblijf ingezet werd op vrijwel continue een-op-een begeleiding. In minder dan twee weken was de conclusie dat het klimaat binnen de FPA te onveilig en te onvoorspelbaar was waardoor stabilisatie niet tot stand kwam. Binnen de korte tijd van de opname vonden er al escalaties met agressie plaats en was de inschatting dat het wachten was op een ernstige escalatie c.q. recidive met letsel. Naast dat de kliniek de veiligheid van betrokkene en omstanders (personeel en andere patiënten) niet meer kon garanderen, stelde de kliniek dat zij geen menswaardige zorg konden bieden aan betrokkene en dat haar meer (emotionele/psychische) schade zou worden berokkend indien haar verblijf bij hen zou voortduren. Op 8 mei 2025 werd besloten de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen en werd betrokkene teruggeplaatst in het PPC in [plaats] . Door het verloop van dit schorsingstoezicht is wat betreft de reclassering helaas duidelijk geworden dat betrokkene zich wel aan voorwaarden wil houden, maar hier niet toe in staat is. Ondanks dat er een zorgvuldige voorbereiding en overdracht is geweest vanuit het PPC richting de klinische opname en de kliniek zich heeft ingespannen haar de zorg te bieden die ze nodig heeft, is de setting teonduidelijk/onvoorspelbaar gebleken voor haar. Betrokkene ontregelde en ging zich verzetten waardoor onwenselijke risico’s ontstonden zowel voor haarzelf als omstanders.Mogelijk dat in een andere kliniek er toch een andere ontwikkeling kan ontstaan maar de reclassering schat in dat de kans daar op miniem is. Daarbij stelt de reclassering dat het risico op een nieuwe faalervaring niet in haar belang is. De kleine positieve ontwikkelingen binnen het PPC - op basis waarvan de pro Justitia psycholoog inschat dat betrokkene zich toch zou kunnen houden aan voorwaarden – ziet de reclassering juist als een bevestiging van hun inschatting dat betrokkene dit niet kan. Binnen het PPC heeft betrokkene geen enkele bewegingsruimte, wat waarschijnlijk de duidelijkheid en begrenzing biedt die zij nodig heeft. Immers is gebleken dat er bij enige onduidelijkheid/onvoorspelbaarheid betrokkene in conflict komt, zich gaat verzetten en er geen enkele beïnvloeding en/of bijsturing meer mogelijk is, met alle risico’s van dien. Ten slotte is de zorg vanuit de reclassering dat een (nieuw) klinisch traject in een voorwaardelijk kader zal leiden tot herhaalde mislukkingservaringen die niet in het belang zijn van betrokkene maar ook uiteindelijk na mogelijk jaren van uitproberen van meerdere plekken alsnog zal leiden tot tbs met dwangverpleging. Daarmee gaat niet alleen veel tijd en geld verloren maar ook verkleint het de kans op een succesvol traject omdat het betrokkene enkel zal ontmoedigen.

In het reclasseringsrapport van 9 maart 2026 wordt beschreven welke praktische (on)mogelijkheden en risico's het opleggen van de maatregel tbs met voorwaarden oplevert. De reclassering beschrijft dat betrokkene een zeer beperkte vrouw is, die zelf het gehele traject van een tbs met voorwaarden niet overziet. De mate waarin ze zal meewerken is afhankelijk van factoren in haar directe omgeving zoals hoe veilig ze zich voelt op een afdeling en het contact met medepatiënten. Ze zegt wel mee te zullen werken aan voorwaarden. De behandeling/ begeleiding van betrokkene vraagt een belangrijke inspanning van haar begeleiders (één-op-één). De korte opname bij [kliniek] , waar haar de spanning binnen enkele weken te groot werd, leek te bewijzen dat zij zich niet kan handhaven in een dergelijke setting. Een tegenargument hierbij is dat deze opname zo kort was dat het niet gezien kan worden als een werkelijke kans om te bezien hoe ze zich handhaaft. De reclassering concludeert dat zij niet volledig kunnen voorspellen hoe betrokkene (op termijn) zal functioneren binnen de haar aangeboden behandeling. Daarvoor is teveel afhankelijk van omstandigheden die zij slechts deels kunnen beïnvloeden. Kort voor het afronden van het reclasseringsrapport van 9 maart 2026 werd duidelijk dat Trajectum denkt geen behandeling te kunnen aanbieden binnen het door IFZO geadviseerde beveiligingsniveau. De reclassering heeft daarom nu geen kliniek waar betrokkene geaccepteerd is. De reclassering concludeert dat zij daarom niet in staat is om aan een tbs met voorwaarden invulling te geven. Wel zijn er voorwaarden beschreven, om de rechtbank zo volledig mogelijk te informeren om een gewogen besluit te kunnen nemen.

Deskundigen ter terechtzitting

De deskundigen hebben ter terechtzitting aangegeven te blijven bij hun conclusies en adviezen.

Psycholoog Jaarsma heeft in aanvulling onder andere opgemerkt, gelet op de afwijzing bij Trajectum (beveiligingsniveau 2), dat Trajectum ook beveiligingsniveau 3 plekken beschikbaar heeft. Een hoger beveiligingsniveau biedt het behandelteam meer mogelijkheden om te interveniëren bij incidenten. Verder heeft zij aangevuld dat wisselingen van klinieken het gevoel van veiligheid niet zullen bevorderen en dat het belangrijk is dat verdachte een plek krijgt waar zij zich veilig voelt.

Psychater Wiersma heeft in aanvulling op het rapport onder andere opgemerkt dat het houden van regie op de eigen gevoelens en het handelen veel meer vraagt van verdachte dan voor haar mogelijk is. Gelet op het zeer jonge sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau van verdachte gaat de psychiater er vanuit dat het voor verdachte niet mogelijk is te overzien wat er in het kader voorwaarden (bij oplegging van tbs met voorwaarden) van haar wordt gevraagd.

De op te leggen maatregel

De rechtbank overweegt dat er (grotendeels) overeenstemming bestaat tussen de psychiater en de psycholoog in die zin, dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en stoornis, dat dit ten tijde van het tenlastegelegde ook aanwezig was en dat geadviseerd wordt het tenlastegelegde gelet hierop (sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. Ook bestaat er overeenstemming over de zienswijze dat de kans op herhaling hoog wordt ingeschat als verdachte niet wordt behandeld en dat die behandeling dient plaats te vinden in het kader van een tbs maatregel. De rechtbank neemt deze conclusies over.

De rechtbank stelt vast dat tijdens het begaan van het feit bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat het feit -op zijn minst- verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank stelt verder vast dat het (subsidiair) bewezenverklaarde feit een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Hierbij heeft de rechtbank de ernst van het feit, de complexe problematiek en het hoge recidiverisico in aanmerking genomen. Daarmee is voldaan aan de eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Uit de inhoud van de rapportages van de psychiater en de psycholoog en uit hetgeen hierover is opgemerkt ter terechtzitting volgt dat de psycholoog en de psychiater van mening verschillen over het juridische kader (een tbs maatregel met voorwaarden of een tbs maatregel met dwangverpleging) waar binnen behandeling van verdachte moet plaatsvinden. De psycholoog is van mening dat verdachte kan worden behandeld in het kader van een tbs maatregel met voorwaarden. De psychiater is van mening dat verdachte zich niet zal kunnen houden aan voorwaarden en adviseert een tbs met dwangverpleging. De reclassering heeft zich ook op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet zal kunnen houden aan voorwaarden. Ook heeft de reclassering geen kliniek die verdachte op dit moment heeft geaccepteerd, waardoor de reclassering geen invulling kan geven aan een tbs met voorwaarden.

Ter zitting is zowel met de deskundigen als met verdachte en haar raadsvrouw uitgebreid gesproken over de vraag of tbs met voorwaarden haalbaar is voor verdachte. Verdachte heeft aangegeven zich aan voorwaarden te willen en kunnen houden. De psychiater heeft, na verdachte onder meer hierover te hebben gehoord, aangegeven dat hij wordt bevestigd in wat hij ten aanzien van verdachte in zijn rapport heeft vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij er van uit gaat dat het voor verdachte, gelet op haar zeer jonge sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau (6-18 maanden en onder spanning tenderend naar 6 maanden), niet mogelijk is te overzien wat er in het kader van de door de reclassering geformuleerde voorwaarden van haar wordt gevraagd. Als het gaat om het daadwerkelijk kunnen naleven van deze voorwaarden, geeft de psychiater aan dat het daarvoor nodig is om regie te kunnen houden op de eigen gevoelens en het eigen handelen en dat dat veel meer vraagt dan het ontwikkelingsniveau dat verdachte heeft.

De rechtbank twijfelt niet aan de goede wil van verdachte om mee te willen werken aan voorwaarden in het kader van een tbs met voorwaarden. Maar gelet op hetgeen in de hiervoor besproken rapporten van de psychiater en de reclassering staat beschreven en gelet op hetgeen de psychiater aanvullend ter zitting heeft aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat verdachte hier gelet op haar zeer jonge sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau niet toe in staat zal zijn. Dat betekent dat de rechtbank, hoewel zij verdachte graag anders had gegund, het advies van de psychiater volgt en aan verdachte de tbs maatregel met dwangverpleging zal opleggen.

Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het feit en het leed dat het slachtoffer is aangedaan, acht de rechtbank het passend dat aan de verdachte, naast de tbs-maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekenbaarheid.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande naast de op te leggen tbs-maatregel een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen opleggen. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf meer rekening heeft gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank realiseert zich dat verdachte ondanks dat zij haar straf al heeft uitgezeten, nog lange tijd in detentie zal moeten verblijven tot er voor haar een plaats is in een TBS-kliniek. De rechtbank vindt dit vanwege de problematiek van verdachte onwenselijk, maar gelet op het hoge recidiverisico is dit helaas onvermijdelijk.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.172,32 aan materiële schade en € 9.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. De verdediging heeft de vordering (subsidiair) niet inhoudelijk betwist.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het gevorderde ziet op kleding, medische kosten, ziekenhuisdaggeldvergoeding, reis- en parkeerkosten en kosten zonder nut (gemiste concerten/voorstellingen). De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De vordering is ook niet betwist. De gevorderde schadevergoeding van € 1.172,32 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2024.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW valt.

Door de zware mishandeling heeft de benadeelde partij immers lichamelijk letsel opgelopen. De benadeelde partij is door verdachte met een mes gestoken. Het letsel was potentieel dodelijk. De benadeelde partij heeft meerdere operaties moeten ondergaan, is meermaals een aantal dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft aanhoudende pijnklachten ervaren. Zowel het lichamelijk als geestelijk herstel heeft enkele maanden geduurd en tot op heden heeft benadeelde aanhoudende pijnklachten.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen.

Gelet op dit alles acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 9.500,00 billijk. Dit bedrag zal de rechtbank dan ook toewijzen.

Wettelijke rente

Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Deze is opeisbaar vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank stelt de datum waarop de wettelijke rente opeisbaar is (bij gebreke van een stelling per wanneer de wettelijke rente zou zijn verschuldigd) als volgt vast:

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De beoordeling van het beslag

De rechtbank stelt vast dat met het in beslag genomen mes het subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan.

De rechtbank overweegt dat het mes niet aan verdachte toebehoort en dat niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort. Daarom zal worden overgegaan tot verbeurdverklaring.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd;

De beslissing ten aanzien van het beslag:

 verklaart verbeurd het mes (goednummer: PL0600-2024487501-G3312968).

De beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

 veroordeelt verdachte in verband met het subsidiair bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.172,32 aan materiële schade en € 9.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade

o zijnde16 oktober 2024 ter zake van € 9.920,45 (€ 9.500,00, € 100,00 en € 320,45);

o zijnde1februari 2025 ter zake van € 171,63;

o zijnde 20 december 2025 € 580,24 (€ 455,00 en € 125,24);

tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 10.672,32 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade,

o zijnde 16 oktober 2024 ter zake van € 9.920,45 (€ 9.500,00, € 100,00 en € 320,45);

o zijnde 1 februari 2025 ter zake van € 171,63;

o zijnde 20 december 2025 ter zake van € 580,24 (€ 455,00 en € 125,24);

tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Als dit bedrag niet wordt betaald, kan/kunnen 78 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.J.H. van Laethem
  • mr. S. Jansen

Griffier

  • mr. J.M.P. van der Meulen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?