beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/460177 / KG RK 25-880
Beslissing van 17 maart 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
MEVROUW [eiser],
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
MR. O. NIJHUIS,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van 1 december 2025
de schriftelijke reactie van de rechter van 9 december 2025
het aanhoudingsverzoek van verzoekster van 13 januari 2026
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 12 maart 2026.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
verzoekster en haar partner (via Microsoft Teams)
de rechter.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers 11919707 BM VERZ 25-6049, 11919746 BM VERZ 25-6050, 11919734 MP VERZ 25-2044 en 11919757 MP VERZ 25-2045. Deze zaken zien – samengevat – op het bewind en mentorschap van beide ouders van verzoekster.
Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd:
I. Er is sprake van onrechtmatige vrijheidsberoving en detentie van haar ouders. Door passief te blijven, houdt de rechter dit in stand.
II. De rechter zou het EVRM en het IVRK moeten toepassen. Door dit niet te doen, handelt hij in strijd met artikel 94 van de Grondwet.
III. Het bewind en mentorschap zijn destijds ingesteld zonder dat de ouders van verzoekster hierop zijn gehoord, maar nu wil de rechter niet beslissen zonder het horen van de bewindvoerder en de mentoren. Dit is een “markante discrepantie in procedurele voortvarendheid”.
IV. Verzoekster ontvangt steevast stukken niet of pas op de zitting. Zij noemt in dit kader een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland, rechtbank Den Haag en een kortgedingprocedure bij deze rechtbank. Verder worden volgens verzoekster de in de lopende verzoekschriftprocedure door de mentor en de bewindvoerder ingediende stukken niet aan haar doorgestuurd.
V. De berichten van het bewindsbureau bevatten niet de naam van de behandelend medewerker.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Ontvankelijkheid verzoekster
Verzoekster stelt dat zij de wrakingsverzoeken zowel in eigen naam en als gemachtigde van haar ouders indient. Volgens de rechter kan verzoekster niet namens haar ouders een verzoek indienen, nu dit is voorbehouden aan de bewindvoerder en de mentor. Verzoekster is om die reden – voor zover zij optreedt namens haar ouders – niet-ontvankelijk in haar verzoek, aldus de rechter. Of verzoekster bevoegd is om namens haar ouders op te treden, kan echter in het midden blijven. Verzoekster is als belanghebbende partij (artikel 36 Rv) in ieder geval bevoegd het wrakingsverzoek op eigen naam in te dienen, zodat het verzoek inhoudelijk behandeld kan worden.
Het wrakingsverzoek
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
Met betrekking tot de wrakingsgronden zoals hiervoor weergegeven onder III, IV en V blijkt uit het verzoek niet dat dit betrekking heeft op de rechter. Het enkele noemen van de naam van de rechter is daartoe onvoldoende. Wrakingsgrond III heeft betrekking op de (veronderstelde) inconsistentie in procedureel handelen van de rechterlijke macht. Daarbij wijst verzoekster erop dat het bewind en het mentorschap destijds is ingevoerd zonder dat haar ouders daarover zijn gehoord, terwijl de rechter nu wel de bewindvoerder en mentor wenst te horen. De rechter was echter niet betrokken bij het instellen van het bewind en het mentorschap, zodat de in die procedure genomen procedurele beslissingen hem niet kunnen worden tegengeworpen. Wrakingsgrond IV ziet op het niet toezenden van stukken. Het gaat hierbij echter om procedures waarbij de rechter niet betrokken is (geweest). Wrakingsgrond V heeft betrekking op medewerkers van het bewindsbureau, niet op de rechter. Aangezien de wrakingsgronden niet zien op handelingen van de rechter, kunnen zij niet leiden tot het oordeel dat sprake is van de gerechtvaardigde vrees voor zijn partijdigheid.
Verzoekster vindt de rechter verder vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen, althans heeft nagelaten een beslissing te nemen (wrakingsgronden I en II). Beide gronden zijn terug te voeren op het verwijt van verzoekster dat de rechter de (proces)beslissing heeft genomen om eerst de mentor en de bewindvoerder te horen, voordat hij inhoudelijk op de verzoeken van verzoekster beslist. Ook deze gronden kunnen niet leiden tot wraking.
In Nederland bestaat het zogenaamde gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Daaruit volgt dat de wrakingskamer die heeft te oordelen over een verzoek tot wraking geen oordeel toekomt over de juistheid van een door de gewraakte rechter gegeven (tussen)beslissing, het niet, althans niet tijdig nemen van zo’n beslissing daaronder begrepen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechters die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Ook de motivering van een rechterlijke beslissing kan geen grond vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De aangevoerde gronden halen deze hoge drempel echter niet. Anders dan verzoekster stelt kan niet gezegd worden dat de rechter “passief” zou zijn gebleven met het nemen van een beslissing, integendeel: de rechter heeft na ontvangst van het dossier binnen een dag beslist over de procedurele voortgang.
Verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangegeven dat zij een bevestiging ziet van de vooringenomenheid van de rechter in zijn verweer tegen het wrakingsverzoek. Dat de rechter verweer heeft gevoerd tegen het wrakingsverzoek rechtvaardigt echter niet de conclusie dat sprake is van de gerechtvaardigde vrees tot partijdigheid. Een rechter heeft immers het recht zich te verweren tegen een wrakingsverzoek. Het verweer van de rechter beperkt zich bovendien tot de inhoud van het wrakingsverzoek, hetgeen verzoekster ook bevestigt in haar spreekaantekeningen. Dat een eerdere behandelend rechter heeft berust in een wrakingsverzoek van verzoekster, betekent niet dat de rechter dat ook zou moeten doen.
De rechter voert aan dat verzoekster misbruik maakt van haar bevoegdheid tot wraking en verzoekt de wrakingskamer te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling zal worden genomen. Verzoekster heeft in deze procedure één eerder wrakingsverzoek gedaan. De toenmalig behandelend rechter heeft in de wraking berust. Op basis hiervan kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden geconcludeerd dat verzoekster het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.