RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/322419-25
Datum uitspraak : 27 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. Arnhem.
Raadsvrouw: mr. R.R. Wijnakker, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 maart 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Feit 3, rijden onder invloed van lachgas:
Feit 4, rijden met een ongeldig rijbewijs:
Feit 5, joyriding:
Feit 6, verlaten plaats ongeval:
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de Doctor Willem Dreeslaan- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- op het kruispunt met de Jan Th. Tooroplaan met hoge snelheid (ongeveer 100 km/u) het fietspad is opgereden in de richting van de kruising Keesomstraat met de Galvanistraat en/of(vervolgens) op de Galvanistraat- een of meerdere brake-chechs heeft uitgevoerd, waardoor verbalisanten meerdere malen moesten remmen en snelheid moesten minderen om een aanrijding te voorkomen en/of- een of meerdere malen (bewust) het voertuig in de richting van een politievoertuig heeft gestuurd om de doorgang te blokkeren en/of(vervolgens) op de Schutterweg- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- via de berm aan de rechterzijde van de weg en via de midden geleider van de af- en oprit de A30 is opgereden en/of (vervolgens) op de A30- plots heeft geremd en naar rechts heeft gestuurd, waardoor hij in aanraking is gekomen met een politievoertuig en/of- een draaiende beweging heeft gemaakt over het wegdek van de A30, waardoor hij de vangrail heeft geraakt en/of- met een snelheid van (ongeveer) 165 km/u de afslag richting Ede/Bennekom heeft genomen en/of(vervolgens) op de Dr. W. Dreeslaan- via de midden geleider in de richting van Ede is gereden en/of- het rode verkeerslicht bij de kruising Dr. W. Dreeslaan met de Keesomstraat heeft genegeerd, waardoor een of meerdere weggebruikers noodgedwongen moesten stoppen en/of- onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van overige weggebruikers en hen via de linker en/of rechter is gepasseerd en/of(vervolgens) ter hoogte van de Hogerhorst- geen voorrang heeft verleend aan een fietser, waardoor deze fietser moest uitwijken en/of- over de klappaaltjes de fietsburg tussen de Hogerhorst en de N224 is opgereden in de richting van het viaduct A30 en/of(vervolgens) op de Heremeijesteeg- (ongeveer) 100 km/u heeft gereden waar 50 km/u is toegestaan en/of- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- via de berm aan de rechterkant van de weg met het voertuig een ijzeren hekwerk heeft geramd, waardoor een deel van dit hekwerk in het voertuig is blijven hangen en heeft zijn weg vervolgd en/of- over de verhoogde rijbaanafscheiding de N224 is opgereden en/of- de A30 opgereden door gebruik te maken van de tegengestelde rijrichting, zonder hierbij gebruik te maken van de verlichting van het voertuig en/of(vervolgens) op de A30- met het voertuig op een politievoertuig heeft ingestuurd, waardoor hij de macht over het stuur is verloren en over de rijbaan is getold, waardoor een tegemoetkomend voertuig hem moest ontwijken en/of- de oprit naar de A12 is opgereden, terwijl het ijzeren hekwerk over het wegdek sleepte, terwijl hij, verdachte,- op die weg(en) werd achtervolgd door de politie en de gegeven volg- en/of stoptekens heeft genegeerd,- niet beschikte over een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,en aldus in strijd met het in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde verbod,zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voorzwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
2.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,84 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide, zijnde lachgas een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezenkrachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, als bestuurder van een voertuig, (een personenauto met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten distikstofmonoxide (lachgas), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
4.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Doctor Willem Dreeslaan en/of de Galvanistraat en/of de Schutterweg en/of de A30 en/of deHeremeijesteeg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
5.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan[naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Doctor Willem Dreeslaan en/of deGalvanistraat en/of de Schutterweg en/of de A30 en/of de Heremeijesteeg, in elk geval op een weg;
6.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welkverkeersongeval had plaatsgevonden in Ede, althans Nederland, op de Doctor Willem Dreeslaan, N224 en rijksweg A30, op of omstreeks 26 november 2025, de(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten- Provincie Gelderland,- Le Infra Politie,- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] ,letsel en/of schade was toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van drie gedachtestreepjes in feit 1; niet kan worden bewezen dat verdachte met 165 kilometer per uur de afslag richting Ede/Bennekom heeft genomen, dat hij met zijn voertuig de vangrail heeft geraakt en ook kan niet worden bewezen dat verdachte op het politievoertuig heeft ingestuurd, op het moment dat hij spookrijdend de snelweg op reed. Verdachte dient van die gedragingen te worden vrijgesproken.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1, ernstige gevaarzetting:
(gedeeltelijke) vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk met 165 kilometer per uur de afslag Ede/Bennekom heeft genomen. Ook kan gelet op de beelden die onderdeel van het dossier uitmaken en ter zitting zijn bekeken niet worden vastgesteld dat verdachte de vangrail heeft geraakt terwijl hij een draaiende beweging maakte met zijn auto. Verdachte zal van die onderdelen worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Verdachte heeft de overige feitelijke gedragingen, zoals die onder feit 1 aan hem ten laste zijn gelegd, waaronder ook het feitelijk insturen op een politievoertuig, bekend. Er is daarom sprake van een bekennende verdachte zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 57-60;
- het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , p. 17-19;
- de processen-verbaal van bevindingen, beschrijving camerabeelden, p. 91, 95-97 en 113-116;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beoordelen is of verdachte met het bewezen verklaarde rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. a) De verkeersregels
De rechtbank overweegt dat in artikel 5a lid 1, onderdeel l, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) uitdrukkelijk enkele verkeersgedragingen worden benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Hieronder vallen het overschrijden van de maximumsnelheid, door rood licht rijden, tegen de verkeersrichting in rijden, geen voorrang verlenen aan een fietser en gevaarlijk inhalen, zoals verdachte wordt verweten. De onder lid 1 gegeven lijst van verkeersgedragingen betreft echter geen limitatieve opsomming. Verdachte wordt daarnaast verweten dat hij (met hoge snelheid) over het fietspad reed, bermen doorkruiste, brakechecks uitvoerde, instuurde op politieauto’s, onder invloed van lachgas en zonder geldig rijbewijs. De rechtbank stelt vast dat verdachte door deze gedragingen meerdere verkeersregels zoals bedoeld in artikel 5a, lid 1, WVW heeft geschonden.
b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet zijn gelegen in de enkele schending van één verkeersregel. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel of het schenden van meerdere verkeersregels. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen.
In deze zaak gaat het om gedurende een langere tijd (dat wil zeggen: langer dan een enkel moment), namelijk gedurende een politieachtervolging van bijna een half uur, schenden van meerdere voor de verkeersveiligheid belangrijke verkeersregels in de nabijheid van andere voertuigen. Op meerdere momenten mag van geluk worden gesproken dat het niet (veel) ernstiger is afgelopen. Een fietser kon maar net ontkomen aan het voertuig van verdachte en ook op de snelweg, waar verdachte spookrijdend op kwam rijden, werd een aanrijding met een ander voertuig maar net voorkomen, zonder dat verdachte daar invloed op had. Daarnaast heeft verdachte meerdere ongelukken/aanrijdingen veroorzaakt en gebeurde dit alles terwijl hij continu onder invloed was van lachgas. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier bewezen kan worden dat verdachte op twee verschillende momenten met zijn voertuig in de richting heeft gestuurd van dan wel heeft ingestuurd op een politievoertuig, zoals ook is te zien op de ter terechtzitting getoonde beelden, die deel uitmaken van het dossier. Dat verdachte niet zag dat het politievoertuig daar reed of dat het politievoertuig vervolgens ook op verdachte is ingereden doet aan het voorgaande niets af. Verdachte heeft met het gevaarlijke rijgedrag, in feite een aaneensluiting van verkeersovertredingen waarbij hij slechts bezig was te ontkomen aan de politie, de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
c) Opzettelijk
Het opzet van verdachte moet gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels én op het in ernstige mate schenden van die regels. Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek raakte toen hij de politie zag, dat hij daarom op de vlucht is geslagen en toen als een gek heeft gereden om weg te komen. Daarbij heeft hij ook twee keer ingereden op een politievoertuig. Verdachte heeft verklaard dat hij bewust levensgevaarlijke risico’s heeft genomen, omdat hij zo lang mogelijk lachgas wilde blijven gebruiken en uit handen van de politie wilde blijven. Hier had hij op dat moment alles voor over, gevaarlijk of niet. Daarmee is het vereiste opzet op het schenden van de verkeersregels en het in ernstige mate schenden van die regels gegeven.
d) Gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat met kans op overlijden of zwaar lichamelijk letsel van andere weggebruikers wanneer een bestuurder van een personenauto tracht te ontkomen aan de politie en daartoe meerdere verkeersmanoeuvres uitvoert zoals verdachte dat heeft gedaan. Verschillende verkeersdeelnemers hebben een aanrijding met verdachte op een haar na kunnen voorkomen door voor hem uit te wijken of af te remmen. Zo kon een fietser maar net een aanrijding voorkomen en ook op de snelweg, toen verdachte daar spookrijdend reed, is een ongeluk met zeer ernstige gevolgen maar net voorkomen. Verdachte is daarnaast twee keer ingereden op een politievoertuig, waarbij eveneens gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de overtreding van artikel 5a WVW wettig en overtuigend bewezen.
Feiten 2, 3, 4, 5, 6
Er is sprake van een bekennende verdachte zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Feit 2, aanwezig hebben lachgas:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 122-123;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 59-60;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 49-51;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
- de CBR-stukken en bevragingen in het politiesysteem, p. 134-163;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
- het proces-verbaal van aangifte van [naam] , p. 13-14;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
- het proces-verbaal van aangifte namens Le Infra Politie, p. 29-30;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 32;
- het proces-verbaal van aangifte namens Provincie Gelderland, p. 34;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , p. 37-38;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de Doctor Willem Dreeslaan- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- op het kruispunt met de Jan Th. Tooroplaan met hoge snelheid (ongeveer 100 km/u) het fietspad is opgereden in de richting van de kruising Keesomstraat met de Galvanistraat en/of (vervolgens) op de Galvanistraat- een of meerdere brake-chechschecks heeft uitgevoerd, waardoor verbalisanten meerdere malen moesten remmen en snelheid moesten minderen om een aanrijding te voorkomen en/of- een of meerdere malen (bewust) het voertuig in de richting van een politievoertuig heeft gestuurd om de doorgang te blokkeren en/of (vervolgens) op de Schutterweg- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- via de berm aan de rechterzijde van de weg en via de midden geleider van de af- en oprit de A30 is opgereden en/of (vervolgens) op de A30- plots heeft geremd en naar rechts heeft gestuurd, waardoor hij in aanraking is gekomen met een politievoertuig en/of- een draaiende beweging heeft gemaakt over het wegdek van de A30, waardoor hij de vangrail heeft geraakt en/of- met een snelheid van (ongeveer) 165 km/u de afslag richting Ede/Bennekom heeft genomen en/of(vervolgens) op de Dr. W. Dreeslaan- via de midden geleider in de richting van Ede is gereden en/of- het rode verkeerslicht bij de kruising Dr. W. Dreeslaan met de Keesomstraat heeft genegeerd, waardoor een of meerdere weggebruikers noodgedwongen moesten stoppen en/of- onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van overige weggebruikers en hen via de linker en/of rechterkant is gepasseerd en/of (vervolgens) ter hoogte van de Hogerhorst- geen voorrang heeft verleend aan een fietser, waardoor deze fietser moest uitwijken en/of- over de klappaaltjes de fietsburg tussen de Hogerhorst en de N224 is opgereden in de richting van het viaduct A30 en/of(vervolgens) op de Heremeijesteeg- (ongeveer) 100 km/u heeft gereden waar 50 km/u is toegestaan en/of- het rode verkeerslicht heeft genegeerd en/of- via de berm aan de rechterkant van de weg met het voertuig een ijzeren hekwerk heeft geramd, waardoor een deel van dit hekwerk in het voertuig is blijven hangen en heeft zijn weg heeft vervolgd en/of- over de verhoogde rijbaanafscheiding de N224 is opgereden en/of- de A30 opgereden door gebruik te maken van de tegengestelde rijrichting, zonder hierbij gebruik te maken van de verlichting van het voertuig en/of(vervolgens) op de A30- met het voertuig op een politievoertuig heeft ingestuurd, waardoor hij de macht over het stuur is verloren en over de rijbaan is getold, waardoor een tegemoetkomend voertuig hem moest ontwijken en/of- de oprit naar de A12 is opgereden, terwijl het ijzeren hekwerk over het wegdek sleepte, terwijl hij, verdachte,- op die weg(en) werd achtervolgd door de politie en de gegeven volg- en/of stoptekens heeft genegeerd,- niet beschikte over een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,en aldus in strijd met het in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde verbod,zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voorzwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
2.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,84 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide, zijnde lachgas een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezenkrachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, als bestuurder van een voertuig, (een personenauto met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten distikstofmonoxide (lachgas), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
4.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Doctor Willem Dreeslaan en/of de Galvanistraat en/of de Schutterweg en/of de A30 en/of deHeremeijesteeg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
5.hij op of omstreeks 26 november 2025 te Ede, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Doctor Willem Dreeslaan en/of deGalvanistraat en/of de Schutterweg en/of de A30 en/of de Heremeijesteeg, in elk geval op een weg;
6.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welkverkeersongeval had plaatsgevonden in Ede, althans Nederland, op de Doctor Willem Dreeslaan, N224 en rijksweg A30, op of omstreeks 26 november 2025, de(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten- Provincie Gelderland,- Le Infra Politie,- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] ,letsel en/of schade was toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van:
feit 1:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
en
feit 3:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
en
feit 4:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 5:
overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994
feit 6:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie ten aanzien van feit 1 een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen de oplegging van een gevangenisstraf, maar de gevraagde duur is volgens haar te fors en niet passend. Ook heeft zij zich niet verzet tegen de oplegging van de bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn daden en zal zich conformeren aan de bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft als bestuurder van een auto levensgevaarlijke situaties gecreëerd door op de vlucht te slaan voor de politie. Verdachte heeft meerdere verkeersregels in ernstige mate geschonden, heeft meerdere aanrijdingen veroorzaakt, reed in een voertuig zonder toestemming, onder invloed van lachgas en zonder geldig rijbewijs. Hij heeft daarbij onaanvaardbare risico’s genomen en andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkig toeval dat niemand als gevolg van het gedrag van verdachte zwaar gewond is geraakt of is komen te overlijden. Het enkele feit dat verdachte aan de politie wilde ontsnappen om aan zijn lachgasverslaving te kunnen voldoen kan dit gevaarlijke rijgedrag op geen enkele wijze rechtvaardigen. Integendeel, kennelijk had het lachgas op verdachte de invloed dat hij dacht dit allemaal te kunnen en mogen doen terwijl het totaal onverantwoord rijgedrag met een hoge gevaarzetting is geweest. Ter zitting gaf verdachte ook toe dat hij zichzelf liever niet op de weg was tegengekomen die avond. Veelzeggend is verder de aangifte van één van de verbalisanten, die al 25 jaar werkzaam is bij de politie en zo’n heftige achtervolging nog niet eerder had meegemaakt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Tegelijkertijd heeft de rechtbank op zitting ook een man gezien die inmiddels het kwalijke van zijn gedrag inziet en hiervoor ook verantwoordelijkheid wil nemen. Dat weegt mee in zijn voordeel, maar doet natuurlijk niet af aan de ernst van de feiten en aan de ernst van zijn verslaving.
Persoon van verdachte
De rechtbank neemt in aanmerking dat uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie (strafblad) van 12 februari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het bezit van lachgas.
Uit het reclasseringsrapport van 17 februari 2026 volgt dat verdachte met berouw terugkijkt op de feiten. Er is sprake van een delictpatroon aangaande het overtreden van de verkeersregels en het rijden onder invloed. De gevolgen van zijn rijgedrag worden door hem onderschat. De reclassering ziet een relatie tussen de houding van verdachte en het tenlastegelegde. Verdachte ervaart op verschillende leefgebieden problemen. De voornaamste zorg zit hem in de aanwezigheid van hardnekkige verslavingsproblematiek. Zijn verslaving speelt al acht jaar een prominente rol in zijn leven. Meerdere verslavingsbehandelingen hebben niet geleid
tot duurzame abstinentie. Uit het politiesysteem blijkt dat verdachte door zijn gebruik voor veel overlast zorgt. Gezien de jarenlange verslaving acht de reclassering een intensieve behandeling
noodzakelijk. Gezien de hardnekkige verslavingsproblematiek is het vermoeden dat er sprake is van onderliggende problematiek. Uit verdiepingsdiagnostiek blijkt het wenselijk dat er onderzoek volgt naar de persoonlijkheidsdynamiek. Er zijn aanwijzingen van mogelijk kwetsbaarheden in de persoonlijkheid die gerelateerd kunnen zijn aan het in standhouden van de verslaving. Naast behandeling acht de reclassering diagnostiek dan ook wenselijk. Verdachte beschikt niet over stabiele huisvesting, heeft geen zinvolle dagbesteding en er is sprake van een forse schuldenproblematiek. Verdachte staat onder bewind, wat als een beschermende factor word aangemerkt. Het familiaire netwerk lijkt steunend. Verder ontbreekt het bij verdachte aan beschermende factoren. De reclassering acht het wenselijk dat intensieve zorg gericht op diverse leefgebieden wordt ingezet, om de kans op recidive te verkleinen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Ondanks dat verdachte aangeeft dat hij bereid is mee te werken, twijfelt de reclassering of deze motivatie standhoudt. De reclassering adviseert een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling voor de duur van één jaar om zich te laten behandelen door Iriszorg of een soortgelijke zorginstelling, een ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende opname door Forensisch Expert Team van IrisZorg Verslavingszorg, daarnaast een ambulante behandeling bij Kairos, een verbod op het gebruik van verdovende middelen en dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie een passende straf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 17 februari 2026, verbonden, met een proeftijd van drie jaren. Tot slot zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren opleggen. De bijzondere voorwaarden zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, nu gelet op verdachtes ernstige verslavingsproblematiek er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in de vorderingen (feit 6)
Standpunten
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat een deel van de onderbouwing van de vorderingen pas een dag voor de zitting is ingediend en de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad de vordering te bestuderen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen ontvankelijk zijn, nu de verdediging een leespauze heeft gehad van 15 minuten en zodoende voldoende gelegenheid is geboden de aanvullende onderbouwing op de vordering te bestuderen en te bespreken.
De benadeelde partij heeft aangegeven deze onderbouwende stukken niet eerder in bezit te hebben gekregen ondanks dat dit wel was geprobeerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een vordering door de benadeelde partij tot aan het requisitoir van de officier van justitie ter terechtzitting kan worden ingediend. De verdediging moet voldoende gelegenheid hebben gekregen hierop adequaat te kunnen reageren en zodoende hierover een eerlijk debat te kunnen voeren. Dit geldt te meer als de vorderingen complex van aard zijn, zoals in dit geval door de verdediging is gesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid moeten zijn om hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (betwisting van) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te kunnen brengen, en, als dit aan de zijde van verdachte niet zo is, dat eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
Ter zitting is door de raadsvrouw subsidiair verzocht een leespauze in te lassen voor de duur van 15 minuten, zodat zij de onderbouwende stukken kan bestuderen, deze met verdachte kan bespreken en zij daarna gemotiveerd verweer kan voeren.
De rechtbank heeft de raadsvrouw deze gelegenheid geboden en zodoende is de rechtbank van oordeel dat zij, hoewel de aanvullende onderbouwing van de vorderingen zeer laat is ingediend, de verdediging voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad die onderbouwing te bestuderen en te bespreken met verdachte. Hierbij betrekt de rechtbank ook de omvang en aard van de onderbouwende stukken, die op zichzelf snel te lezen en te doorgronden zijn. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
Vordering [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft met bijstand van mr. A. Hanegraaf een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij heeft haar vordering ter zitting naar beneden bijgesteld, in die zin dat zij nu € 1.815,33 aan materiële schade en € 2.942,50 aan smartengeld vordert, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat deze geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie aangevoerd dat dit dient te worden gematigd naar € 500,- met eveneens toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het (later gewijzigde) bedrag van € 616,- voor de fysiokosten te hoog is en dit gematigd dient te worden naar € 440,-. In totaal zou de materiële schade dan voor een bedrag van rond de € 1.600,- kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade sluit de verdediging zich aan bij de officier van justitie om het bedrag te matigen naar € 500,-.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De volgende schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk (wat betreft fysiokosten is de toekomstige schade niet meegenomen in de berekening):
Daarom is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het materiële gedeelte van de schade de vordering tot een hoogte van € 1.199,33 kan worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in het materiële deel van de vordering.
Smartengeld
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen aan haar nek, zoals blijkt uit de onderbouwing van de vordering. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 725,- en € 2.175,- billijk kan zijn bij licht nekletsel (categorie b, herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden). De immateriële schade zal daarom naar billijkheid vastgesteld worden op een bedrag van € 1.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige wat betreft het immateriële deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 26 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Vordering [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft met bijstand van mr. A. Hanegraaf zijn vordering ter zitting veranderd, in die zin dat hij nu € 1.200,- aan smartengeld vordert, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd naar € 500,- met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat enige onderbouwing voor de vordering ontbreekt en dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat aan hem rechtstreekse schade is toegebracht. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk verklaren.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 5 a, 7, 8, 9, 11, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994; en
- 3 en 11 van de Opiumwet.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- Meldplicht bij reclassering
Verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem. Hij dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering IrisZorg, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan de uitvoering van huisbezoeken, de SCIL, en de methodiek ‘Stap voor Stap’.
- Opneming in een zorginstelling
Verdachte zich, tijdens de proeftijd, voor 1 jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Iriszorg of een soortgelijke zorginstelling, nog nader te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Deze opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
Verdachte zich gedurende de proeftijd door Forensische Expert Team van IrisZorg Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, laat behandelen zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
- Ambulante behandeling
Verdachte zich gedurende de proeftijd door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, laat behandelen zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Verbod verdovende middelen
Verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek en/of ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
-meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren;
Vorderingen benadeelde partijen
Vordering [benadeelde 1]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/immateriële schade;
Vordering [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering.