RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462074 / KG ZA 26-37
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mrs. M.F. van der Mersch en J.L. Baar,
tegen
GEMEENTE NIJMEGEN,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Gemeente Nijmegen,
advocaat: mrs. L. Arends en L. Rat.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 24,
- de akte wijziging van eis tevens overlegging aanvullende producties 16 en 17,- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026,- de pleitnota van [de eiser] ,- de pleitnota van gemeente.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[de eiser] is een zorginstelling en levert in verschillende gemeenten in Nederland ambulante begeleiding, dagbesteding en jeugdhulp. [de eiser] was tot medio 2025 een onderneming van drie broers (hierna: broer 1, broer 2 en broer 3). Zij waren via hun persoonlijke vennootschappen indirect aandeelhouders en bestuurders van (de vennootschap die enig aandeelhouder en bestuurder is van) [de eiser] . Medio 2025 heeft de persoonlijke vennootschap van broer 3 haar aandelen in [de eiser] verkocht aan de persoonlijke vennootschappen van broer 1 en broer 2. Ook is broer 3 medio 2025 als indirect bestuurder van [de eiser] uitgetreden.
Vanaf 2020 leverde [de eiser] aan inwoners van de gemeente op basis van maatwerkovereenkomsten met de gemeente. Vanaf 2024 wordt die zorg door [de eiser] verleend op basis van raamovereenkomsten met de gemeente.
Bibob-onderzoek en aanbestedingsprocedures
Op 30 mei 2024 heeft de gemeente een tipbrief van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) ontvangen. In die brief heeft het OM de gemeente op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) in overweging gegeven om advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) over één van de indirect aandeelhouders en bestuurders van [de eiser] , te weten broer 1. Dit advies van het LBB wordt ook wel een gevaarsbeoordeling genoemd.
Bij brief van 6 juni 2024 heeft de gemeente [de eiser] op de hoogte gebracht van de tipbrief van het OM en heeft zij [de eiser] verzocht een Bibob-vragenformulier in te vullen.
Het onderzoek is door de gemeente bij het LBB aangevraagd en gedurende dit onderzoek is de gemeente een aanbestedingsprocedure (Open House) voor beschermd wonen en specialistische jeugdhulp gestart. [de eiser] heeft zich voor deze aanbestedingsprocedures ingeschreven.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft de gemeente aan [de eiser] bericht dat zij de aanbesteding voor ‘Beschermd Wonen’ definitief gegund heeft gekregen. In deze brief is verder, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:
Uitkomst Bibob onderzoek
Als onderdeel van de aanbestedingsprocedure is een Bibob-onderzoek gestart. Dit onderzoek is in beperkte vorm uitgevoerd wat betekent dat er beperkt informatie is opgevraagd. Op basis van dit beperkte Bibob-onderzoek is er geen belemmering om deze opdracht te gunnen aan [de eiser] BV.
Op 3 juli 2024 is er een uitgebreid Bibob-onderzoek gestart naar [de eiser] BV. Dit Bibob-onderzoek ziet op de Maatwerkovereenkomsten die u met de gemeente Nijmegen heeft gesloten in het kader van Beschermd Wonen. Het Bibob-onderzoek naar de maatwerkovereenkomsten loopt onverminderd door. De uitkomst van dit Bibob-onderzoek kan gevolgen hebben voor de maatwerkovereenkomsten én de overeenkomst voor Beschermd Wonen 2025.
De aanbesteding voor ‘Specialistische Jeugdhulp’ is bij tenderbericht van 24 oktober 2024 door de gemeente eveneens definitief aan [de eiser] gegund. Daarin is verder de volgende tekst opgenomen:
Uitkomst Bibob onderzoek
Als onderdeel van de aanbestedingsprocedure is een Bibob-onderzoek gestart. Dit onderzoek is in beperkte vorm uitgevoerd wat betekent dat er beperkt informatie is opgevraagd. Op basis van dit beperkte Bibob-onderzoek is er geen belemmering om deze opdracht te gunnen aan [de eiser] BV.
Op 3 juli 2024 is er een uitgebreid Bibob-onderzoek gestart naar [de eiser] BV. Dit Bibob-onderzoek ziet op de Maatwerkovereenkomsten die u met de gemeente Nijmegen heeft gesloten. Het Bibob onderzoek naar de maatwerkovereenkomsten loopt onverminderd door. De uitkomst van dit Bibob-onderzoek kan gevolgen hebben voor de maatwerkovereenkomsten én de overeenkomst voor Jeugdhulp met Verblijf.
Met ingang van 1 januari 2025 zijn tussen partijen vervolgens twee raamovereenkomsten tot stand gekomen, te weten de ‘Overeenkomst Beschermd Wonen 2025 Gelderland-Zuid’ en de ‘Overeenkomst Specialistische Jeugdhulp’ (hierna: raamovereenkomst 1 en raamovereenkomst 2). De raamovereenkomsten luiden, voor zover thans van belang, als volgt:
Artikel 1D Definities
(…)
● Ernstige beroepsfout: Het begrip “ernstige fout in de uitoefening van het beroep” ofwel
ernstige beroepsfout betekent:
(…)
2. Het aanwezig zijn van enige mate van gevaar dat de op grond van deze Inkoopprocedure gesloten overeenkomst door de aanbieder mede zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.
3. Het bovenstaande geldt niet enkel ten aanzien van de inschrijver, maar ook voor:
a) Een persoon die lid is of (bijvoorbeeld) in het jaar voorafgaand aan inschrijving lid is geweest van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan;
(…)
Artikel O Bibob
1. De Gemeente kan, onverminderd het bepaalde in andere bepalingen in deze overeenkomst en artikel 25 van de Algemene inkoopvoorwaarden de overeenkomsten zonder rechterlijke tussenkomst en zonder ingebrekestelling met onmiddellijke ingang te ontbinden, indien gedurende de looptijd van de overeenkomst:
(…)
c) Na Bibob-onderzoek is vastgesteld dat sprake is van gevaar of een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob dat Aanbieder of diens Onderaannemer bij de uitvoering van de met de overeenkomst gegunde opdracht, strafbare feiten zal plegen;
(…)
e) Na Bibob-onderzoek is vastgesteld dat de Aanbieder of diens Onderaannemer een
ernstige fout in de uitoefening van zijn beroep heeft begaan, waardoor zijn
integriteit in twijfel kan worden getrokken.
Bij e-mail van 13 mei 2025 heeft [de eiser] aan de gemeente medegedeeld dat broer 3 heeft besloten om zijn aandeelhouderschap en verdere UBO-betrokkenheid bij de organisatie te beëindigen en dat hij per 15 mei 2025 geen deel meer uitmaakt van de juridische structuur van [de eiser] . Verder luidt deze e-mail, voor zover thans van belang:
Deze stap is in goed overleg met de overige bestuursleden genomen en ingegeven door de wens om de continuïteit, transparantie en integriteit van de organisatie onverminderd te waarborgen, mede gelet op haar maatschappelijke taak en de samenwerking met publieke opdrachtgevers.
In reactie daarop heeft de gemeente diezelfde dag per e-mail gevraagd om uitleg over waarom broer 3 heeft besloten zijn aandelen van de hand te doen. Daarop heeft [de eiser] bij e-mail van diezelfde dag gereageerd dat dit besluit in gezamenlijk overleg tot stand is gekomen en is gebaseerd op persoonlijke overwegingen aan de zijde van broer 3 in combinatie met het gedeelde streven binnen de organisatie naar maximale transparantie, bestuurlijke stabiliteit en toekomstbestendige positionering.
Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft [de eiser] de gemeente de relevante documenten met betrekking tot de formeel afgeronde overdracht van het aandeelhouderschap verstrekt. [de eiser] bericht verder dat de formele stukken notarieel zijn gepasseerd en verwerkt.
In 2025 is de gemeente ook een “Toetredingsprocedure (Open House) Wmo dagbesteding binnen het Rijk van Nijmegen” gestart. [de eiser] heeft zich ook voor deze aanbestedingsprocedure ingeschreven en de opdracht is door de gemeente aan [de eiser] gegund. In een in dat kader door de gemeente op 2 juli 2025 aan [de eiser] gericht Mercell-bericht is het volgende medegedeeld:
Op 3 juli 2024 is er een uitgebreid Bibob-onderzoek gestart naar [de eiser] BV. Dit Bibob-onderzoek ziet op de Maatwerkovereenkomsten die u met de gemeente Nijmegen heeft gesloten. Het Bibob onderzoek naar de maatwerkovereenkomsten loopt onverminderd door. De uitkomst van dit Bibob-onderzoek kan gevolgen hebben voor de maatwerkovereenkomsten én voor de totstandkoming van de raamovereenkomst voor dagbesteding 2026 en verder, of gedurende de looptijd van deze raamovereenkomst.
Op 11 juli 2025 heeft de gemeente het advies van het LBB ontvangen. Daarin is het LBB – kort samengevat – onder meer tot de conclusie gekomen dat er een ernstig gevaar bestaat dat [de eiser] bij de uitvoering van de aan haar gegunde overheidsopdracht strafbare feiten zal plegen. In het advies is vermeld dat dit gevaar ziet op broer 3, die in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [de eiser] , en dat er een ernstig vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Opiumwet. Tevens is in het advies opgenomen dat uit het Handelsregister, geraadpleegd op 26 mei 2025, blijkt dat
broer 3 sinds 15 oktober 2022 volledig gevolmachtigde is van [de eiser] en hij dus handelingen mag uitvoeren namens [de eiser] .
Naar aanleiding van het advies van het LBB heeft de gemeente aan [de eiser] bij brief van 15 september 2025 meegedeeld dat zij voornemens is de raamovereenkomsten te beëindigen en stelt zij [de eiser] in de gelegenheid een zienswijze in te dienen.
Bij brief van 6 oktober 2025 heeft [de eiser] haar zienswijze ingediend tegen het voornemen van de gemeente. In deze zienswijze is, kort samengevat, onder meer vermeld dat in april 2025 strafvorderlijk beslag is gelegd op de bankrekeningen van broer 3 en dat hij reeds op 12 mei 2025 is uitgetreden als gevolmachtigde van [de eiser] – en sinds 15 mei 2025 is uitgeschreven als Ultimate Beneficial Owner – en sinds 12 mei 2025 dus geen handelingen meer kan uitvoeren namens [de eiser] . Ook is daarin vermeld dat de vermogensverschaffende relatie met broer 3 inmiddels is verbroken en dat op 30 september 2025 een afkoopovereenkomst met hem is overeengekomen.
Op 8 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens deze hoorzitting is door de gemeente gevraagd of de uitschrijving van broer 3 per 12 mei 2025 in het Handelsregister later, met terugwerkende kracht, heeft plaatsgevonden. Daarop heeft [de eiser] geantwoord dat zij niet weet waarom broer 3 op 26 mei 2025, het moment dat het LBB het Handelregister raadpleegde, nog ingeschreven stond. Ook heeft [de eiser] verklaard dat het uittreden van broer 3 verband hield met een strafvorderlijk beslag dat ten laste van hem was gelegd. Verder heeft [de eiser] verklaard dat broer 3 ten aanzien van de aandelenoverdracht genoegen heeft genomen met 10% van de eerder overeengekomen waarde en dat die lagere waarde niet berust op een officiële waardering van de onderneming.
Bij brief van 9 oktober 2025 heeft de gemeente aan [de eiser] bericht dat zij naar aanleiding van de zienswijze en de hoorzitting aanvullend advies zal aanvragen bij het LBB.
Op 3 november 2025 heeft de gemeente een (aanvullend) advies van het LBB ontvangen. Daarin concludeert het LBB onder meer dat ‘een mindere mate van gevaar bestaat dat [de eiser] , bij de uitvoering van de aan haar gegunde overheidsopdracht, strafbare feiten zal plegen’. In het advies staat voor zover van belang:
Dit gevaar ziet op [broer 3, vzr.], die in een recent verbroken zakelijk samenwerkingsverband stond tot en vermogen verschaft aan [de eiser] BV. Er bestaat een ernstig vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Opiumwet.
(…)
Van bovengenoemde lening is door [de persoonlijke vennootschap van broer 3, vzr.], met [broer 3, vzr.] als enig aandeelhouder, uiteindelijk in totaal € 36.667,- ontvangen en van het overige bedrag (€ 350.000,-) is door [broer 3, vzr.] afgezien. Dit hebben beide partijen vastgelegd in een beëindigings- en afkoopovereenkomst en van de afbetaling van € 36.667,- zijn
bankafschriften meegestuurd als bijlagen in de zienswijze aan de gemeente.
Hoewel [de persoonlijke vennootschap van broer 3, vzr] en [broer 3, vzr] door de beëindigings- en afkoopovereenkomst geen vordering meer hebben op [de eiser] BV en haar aandeelhouders (…), is het Bureau van oordeel dat op dit moment nog steeds € 350.000,- aan vermogen van [de vennootschap van broer 3, vzr] in het bedrijf [de eiser] BV dan wel bij haar aandeelhouders aanwezig is. Gelet op het bovenstaande is het Bureau van oordeel dat er nog steeds sprake is van een actuele vermogensverschaffing.
(…)
Bij akte van depot van 24 november 2025 is de beëindigings- en afkoopovereenkomst tussen de persoonlijke vennootschap van broer 3 enerzijds en de persoonlijke vennootschappen van broer 1 en 2 anderzijds van 30 september 2025, bij de notaris in depot gesteld. Deze overeenkomst ziet op een wijziging van eerdere afspraken omtrent de verkoop van alle aandelen, die de persoonlijke vennootschap van broer 3 houdt in het kapitaal van (de vennootschap van de enig aandeelhouder en bestuurder van) [de eiser] , aan de persoonlijke vennootschappen van broer 1 en 2. Deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
1. Achtergrond
Op 12 mei 2025 heeft Verkoper [de persoonlijke vennootschap van broer 3, vzr.] met Koper I [de persoonlijke vennootschap van broer 1, vzr.] een aandelenkoopovereenkomst gesloten, waarbij Koper I 50% van de aandelen van [de persoonlijke vennootschap van broer 3, vzr.] in het kapitaal van [de vennootschap van de enig aandeelhouder en bestuurder van [de eiser] , vzr.] (…) zal verkrijgen,
Op dezelfde datum heeft Verkoper met Koper II [de persoonlijke vennootschap van broer 2, vzr.] een aandelenkoopovereenkomst gesloten, waarbij Koper II de overige 50% van de aandelen zal verkrijgen.
Ter financiering van beide transacties zijn door Partijen afzonderlijke
leenovereenkomsten gesloten, waarbij Verkoper aan Kopers leningen heeft verstrekt,
elk af te lossen in 72 termijnen,
(…)
2. Nieuwe afspraken
Partijen komen overeen dat de oorspronkelijke koopprijzen en de daarmee
samenhangende leningen definitief worden herzien en vervangen door de afspraken in
deze overeenkomst.
De oorspronkelijke gezamenlijke koopprijs voor 100% van de door Verkoper aan
Kopers overgedragen aandelen bedroeg € 366.667,-. Partijen komen overeen dat Kopers
aan Verkoper definitief en volledig afkopen door betaling van 10%, zijnde € 36,667,- (…).
Dit bedrag wordt voldaan conform de afspraken In de Wijzigingsmail, bevestigd in de
Akkoordmail, en gespecificeerd in Bijlage 1:
a. voortzetting van de nog resterende aflossingen in september 2025 tot een totaal van
€ 5.000,-;en
b. aansluitend een gezamenlijke slotbetaling van € 16.667,- (afgerond);
waarbij de reeds betaalde € 15.000,- wordt meegeteld, zodat het totaal door Kopers aan
Verkoper ontvangen bedrag uitkomt op € 36.667,-.
(…)
Verder is in deze overeenkomst opgenomen dat door ontvangst van het totaalbedrag partijen over en weer finaal zijn gekweten en dat deze overeenkomst de oorspronkelijke koop- en leenovereenkomsten van 12 mei 2025 vervangt.
Met ingang van 1 januari 2026 is naar aanleiding van de laatste aanbestedingsprocedure de ‘Raamovereenkomst Wmo-dagbesteding 2026-2030’ tussen partijen gesloten (raamovereenkomst 3). Deze overeenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
Artikel 1.8: Bibob-onderzoek
1.8.1
De Gemeente kan, onverminderd het bepaalde in andere bepalingen van deze overeenkomst en artikel 25 van de Algemene inkoopvoorwaarden de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst en zonder ingebrekestelling met onmiddellijke ingang te ontbinden, indien gedurende de looptijd van de overeenkomsten:
(…)
c) na Bibob-onderzoek is vastgesteld dat sprake is van gevaar of een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob dat Aanbieder of diens Onderaannemer bij de uitvoering van de met de overeenkomst gegunde opdracht, strafbare feiten zal plegen,
(…)
e) na Bibob-onderzoek is vastgesteld dat de Aanbieder of diens Onderaannemer een
ernstige fout in de uitoefening van zijn beroep heeft begaan, waardoor zijn
integriteit in twijfel kan worden getrokken.
(…)
Onder “ernstige fout in de uitoefening van het beroep” ofwel ernstige beroepsfout wordt verstaan:
(…)
2. Het aanwezig zijn van enige mate van gevaar, zoals bedoeld in de Wet Bibob, dat de op
grond van deze Inkoopprocedure gesloten overeenkomst door de WMO aanbieder mede
zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op
geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.
3. Het bovenstaande geldt niet enkel ten aanzien van de aanmelder, maar ook voor:
• een persoon die lid is of (bijvoorbeeld) in het jaar voorafgaand aan aanmelding lid is
geweest van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan;
• een persoon die lid is of (bijvoorbeeld) in het jaar voorafgaand aan aanmelding lid is
geweest van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan heeft (bijvoorbeeld)
in het jaar voorafgaand aan aanmelding een bestuurs-; leidinggevende of
toezichthoudende functie gehad bij een aanbieder die (inmiddels) in staat van
faillissement, liquidatie of surseance verkeert, waarvan de werkzaamheden zijn gestaakt of
in een andere vergelijkbare staat verkeert.
GGD onderzoek
Bij brief van 16 mei 2024 aan [de eiser] heeft de GGD Gelderland-Zuid (hierna: GGD) een toezichtsonderzoek aangekondigd. De GGD vermeldt in haar brief dat zij enkele signalen heeft ontvangen over de kwaliteit van het aanbod van [de eiser] en dat dit voor haar als toezichthouder in het kader van de Wmo aanleiding is om een kwaliteitsonderzoek te starten.
Op 28 november 2024 heeft de GGD een concept-rapport van haar bevindingen aan [de eiser] verstrekt. Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft [de eiser] uitvoerig op de bevindingen gereageerd. Daarna heeft [de eiser] nog aanvullende vragen van de GGD beantwoord.
Bij brief van 24 maart 2025 heeft de GGD het definitieve rapport van haar bevindingen aan [de eiser] verstrekt. Het rapport vermeldt, voor zover thans van belang:
Conclusies van het onderzoek
De toezichthouder heeft vier thema’s onderzocht: cliëntgerichtheid (norm 1.1 t/m 1.9),
veiligheid van de cliënt (norm 2.1 t/m 2.3}, deskundigheid van de professional (norm 3.1 t/m 3,5) en kwaliteitsbeheersing (norm 4.1 t/m 4.4).
De toezichthouder concludeert dat van de 21 normen er 2 voldoen aan de norm, 13 normen grotendeels voldoen aan de norm en 6 normen niet voldoen aan de norm.
(…)
De GGD heeft het rapport eveneens toegezonden aan de gemeente. Bij brief van
1 juli 2025 heeft de gemeente [de eiser] bericht dat zij zich beraadt op passende handhaving naar aanleiding van het rapport en dat [de eiser] daarover nader bericht zal ontvangen. Ook heeft de gemeente bericht dat zij van [de eiser] verwacht dat zij in de tussentijd alvast aan de geconstateerde verbeterpunten ‘de noodzakelijke aandacht geeft’.
Het voornemen om passende maatregelen te nemen naar aanleiding van het GGD rapport heeft de gemeente vervolgens vanwege het voormelde Bibob-onderzoek on-hold gezet.
Omgevingsvergunning
Op 29 januari 2025 hebben toezichthouders van de afdeling Stadsrealisatie van de gemeente een controle uitgevoerd op een pand van [de eiser] dat zij in gebruik heeft als zorgwoning. De toezichthouders hebben tijdens de controle geconstateerd dat het gebruik van het pand in strijd is met de planvoorschriften en gezien wordt als een overtreding van artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet.
De gemeente heeft op 18 juni 2025 aan [de eiser] bericht voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen in verband met het gebruik van het pand.
Op 12 november 2025 heeft [de eiser] een aanvraag ingediend tot afgifte van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van het gebruik van het pand.
Beëindiging raamovereenkomsten
Bij brief van 13 januari 2026 heeft de gemeente [de eiser] bericht dat zij op
3 november 2025 een advies van het LBB heeft ontvangen en op grond daarvan heeft besloten om de overeenkomsten met [de eiser] definitief en onmiddellijk te beëindigen. In de brief wordt verder vermeld dat de gemeente voorafgaand aan het advies van het LBB ook al zorgen had over de kwaliteit van de zorg op basis van het rapport van de GGD en heeft zij gewezen op haar voornemen om ten aanzien van het pand van [de eiser] een last onder dwangsom op te leggen.
Verder luidt de brief, voor zover thans van belang, als volgt:
Verband met de zorgovereenkomsten met [de eiser]
De vermoedelijk gepleegde strafbare feiten houden verder voldoende verband met de gesloten zorgovereenkomsten tussen [de eiser] en de gemeente Nijmegen. Delicten van de Opiumwet zijn van dusdanige aard, dat deze het doel van de gecontracteerde zorg ernstig kunnen aantasten.
(…). Het LBB verwijst in dit verband in haar advies naar een rapport van het Informatie Knooppunt Zorgfraude, genaamd “Verwevenheid zorg & criminaliteit”. Uit het rapport komt naar voren dat zorgaanbieders die in verband worden gebracht met criminele activiteiten, mogelijk cliënten werven voor dergelijke activiteiten. Deze cliënten verkeren doorgaans in een kwetsbare positie, waardoor zij relatief eenvoudig voor dergelijke doeleinden kunnen worden misbruikt.
Aard van de relatie tussen [broer 3, vzr ] en [de eiser]
De conclusie van het LBB ziet op gevaar tot het plegen van strafbare feiten bij de uitvoering van de gesloten overeenkomsten door [de eiser] . [de eiser] staat in relatie tot strafbare feiten die door [broer 3, vzr] zijn gepleegd, omdat [broer 3, vzr] in het verleden in een zakelijk samenwerkingsverband tot [de eiser] heeft gestaan en bovendien een vermogensverschaffende relatie bestaat tussen [broer 3, vzr] en [de eiser] .
(…)
De gemeente Nijmegen maakt zich ten aanzien van dit recent verbroken samenwerkingsverband ernstige zorgen, dat dit samenwerkingsverband voor de toekomst nog altijd een gevaar oplevert. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de gemeente Nijmegen niet kan uitsluiten dat het samenwerkingsverband - mogelijk buiten het zicht van de gemeente - herleeft als de gemeente Nijmegen de overeenkomsten met [de eiser] in stand houdt. Tussen de huidige bestuurders van [de eiser] en [broer 3, vzr] bestaat immers een familiaire relatie. (…) Ook weegt de gemeente Nijmegen in dat kader mee dat de bij de herziening van de koopovereenkomst de aandelen van [de eiser] niet formeel zijn gewaardeerd. De gemeente Nijmegen maakt daaruit op dat nog altijd een (financiële ) afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de drie broer, nu [broer 3, vzr] heeft afgezien van een bedrag van ruim € 350.000. Dit betekent daarnaast dat, zoals het LBB ook in haar vervangend Bibob-advies aangeeft, nog altijd vermogen van [broer 3, vzr] aanwezig is bij [de eiser] .
(…)
Ernstige beroepsfout
Dat er een risico bestaat dat [de eiser] de zorgovereenkomsten gebruikt voor strafbare feiten, levert een ernstige beroepsfout op. Daaraan doet niet af dat de mogelijk begane strafbare feiten zijn gepleegd door [broer 3, vzr], nu [broer 3, vzr] het jaar voorafgaand aan de inschrijving bestuurslid is geweest van [de eiser] . Door het begaan van de ernstige beroepsfout, trekt de gemeente Nijmegen de integriteit van [de eiser] (ernstig) in twijfel. Ook dit maakt dat de gemeente Nijmegen heeft besloten tot beëindiging van de overeenkomsten met [de eiser] .
(…)
Beëindiging zorgovereenkomsten met [de eiser]
Het advies van het LBB maakt dat de gemeente Nijmegen ernstige twijfels heeft bij de uitvoering van de zorgovereenkomsten door [de eiser] . Bovendien vreest de gemeente Nijmegen dat de cliëntveiligheid van cliënten van [de eiser] ernstig in het gedrang komt. De gemeente Nijmegen heeft daarom besloten de overeenkomsten met [de eiser] per direct te beëindigen. De gemeente Nijmegen realiseert zich dat dit besluit (vergaande) financiële gevolgen heeft voor [de eiser] en bovendien grote consequenties heeft voor de cliënten en de medewerkers van [de eiser] .
(…)
De gemeente Nijmegen is echter op grond van haar zorgplicht verantwoordelijk voor zowel de cliëntveiligheid als van de zorgverlening aan de cliënten van [de eiser] . De gemeente Nijmegen is van oordeel dat dit laatste in de gegeven omstandigheden zwaarder dient te wegen dan alle overige betrokken belangen en omstandigheden. De gemeente Nijmegen kan zonder over te gaan tot beëindiging van de overeenkomsten met [de eiser] de kwaliteit van de zorg aan cliënten en de cliëntveiligheid onvoldoende garanderen.
(…)
Tot slot heeft de gemeente aan [de eiser] bericht dat sprake zal zijn van een overgangsfase van één jaar waarin cliënten van [de eiser] zullen worden overgeplaatst naar een andere zorgaanbieder en in dat verband een zestal aanwijzingen gegeven. Bij de brief heeft de gemeente als bijlagen onder meer gevoegd: het advies van het LBB van 3 november 2025, een communicatieplanning, informatiebrieven die de gemeente zal versturen aan cliënten en het personeel van [de eiser] en een persbericht.
[de eiser] is in een kortgedingprocedure opgekomen tegen de uitvoering van de communicatieplanning van de gemeente, zodat zij in staat kan worden gesteld op te komen tegen de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomsten. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 15 januari 2025 de vorderingen van [de eiser] als volgt toegewezen:
verbiedt de Gemeente de stappen in de bij het besluit van 13 januari 2026 gevoegde
communicatieplanning uit te voeren en gebiedt de Gemeente zich te onthouden van het
berichten van cliënten van [de eiser] , het personeel van [de eiser] , de media en/of
derden over het besluit van 13 januari 2026 en de ontbinding van de overeenkomsten met
[de eiser] totdat een rechter uitspraak heeft gedaan in een tegen het besluit van
13 januari 2026 van de gemeente door [de eiser] aan te spannen voorlopige
voorzieningenprocedure in eerste aanleg, met dien verstande dat [de eiser] deze
procedure binnen één week na het onderhavige vonnis bij de daartoe bevoegde rechter
aanhangig moet hebben gemaakt,
Daarna is [de eiser] het onderhavige kort geding gestart en heeft de gemeente de uitvoering van de communicatieplanning uitgesteld.
3. Het geschil
[de eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
de gemeente beveelt om de buitengerechtelijke ontbinding van de als productie 1 bij de dagvaarding overgelegde gesloten overeenkomsten met [de eiser] en de in de brief van 13 januari 2026 opgenomen aanwijzingen onder 1 t/m 6 op p.8 van het besluit en de aanwijzingen onder (i) tot en met (iii) op p. 9 van het besluit ongedaan te maken en de overeenkomsten te blijven nakomen, totdat de rechtbank Gelderland uitspraak heeft gedaan in de door [de eiser] binnen twee weken na het in dit kort geding te wijzen vonnis aanhangig te maken bodemprocedure, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat de gemeente Nijmegen in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 500.000,00;
bij toewijzing van de vordering onder 1) de gemeente beveelt om het in het kader van de Overeenkomst Jeugdhulp Toelatingsprocedure vastgestelde signaalplafond voor het jaar 2026 en voor zover langer indien de overeenkomsten langer doorlopen, aan te passen en een signaalplafond vast te stellen dat minimaal gelijk is aan het signaalplafond dat is vastgesteld over het jaar 2025 en [de eiser] daarover binnen twee weken na het in dit kort geding te wijzen vonnis te berichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000 voor iedere dag dat de gemeente in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 500.000;.
de gemeente verbiedt de stappen in de in bijlage 7 bij het besluit van 13 januari 2026 gevoegde communicatieplanning uit te voeren en de gemeente gebiedt zich te onthouden van het berichten van cliënten van [de eiser] , het personeel van [de eiser] , de media en/of andere derden over het besluit van 13 januari 2026, de ontbinding van de overeenkomsten met [de eiser] , de aanwijzingen en de cliëntenstop totdat de rechtbank Gelderland uitspraak heeft gedaan in de door [de eiser] binnen twee weken na het in dit kort geding te wijzen vonnis aanhangig te maken bodemprocedure op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat de gemeente in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 500.000,00;
de gemeente gebiedt maatregelen te treffen die de voorzieningenrechter noodzakelijk dan wel geschikt acht;
subsidiair:
de gemeente verbiedt de stappen in de in bijlage 7 bij het besluit van 13 januari 2026 gevoegde communicatieplanning uit te voeren en de gemeente gebiedt zich te onthouden van het berichten van het personeel van [de eiser] , de media en/of andere derden en uitsluitend de cliënten van [de eiser] te berichten overeenkomstig de in bijlage 8 bij het besluit van 13 januari 2026 opgenomen brief en de gemeente gebiedt zich te onthouden van het berichten van het personeel van [de eiser] , de media en/of andere derden over het besluit van 13 januari 2026 en de ontbinding van de overeenkomsten, de aanwijzingen en de cliëntenstop met [de eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat de gemeente in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 500.000,00;
bij toewijzing van de subsidiaire vordering onder 1) de gemeente gebiedt de volledige passage in de als bijlage 8 bij het besluit van 13 januari 2026 gevoegde brief aan de cliënten met de koptekst ‘Waarom dit besluit’ geheel te verwijderen uit de brief, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat de gemeente in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 500.000,00;
de gemeente gebiedt de maatregelen te treffen die de voorzieningenrechter noodzakelijk dan wel geschikt acht;
primair en subsidiair:
1. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.
[de eiser] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het beroep van de gemeente op de contractuele ontbindingsbevoegdheid is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De beëindiging van de raamovereenkomsten met onmiddellijke ingang door de gemeente is onevenredig en buitenproportioneel. De gemeente heeft niet voldaan aan haar vergewisplicht en zorgplicht. [de eiser] is niet in de gelegenheid gesteld om op het tweede advies van het LBB te reageren, hetgeen op grond van artikel 33 Wet Bibob is verplicht. Het eerdere advies is immers door het tweede advies vervangen en biedt de grondslag voor de ontbinding van de overeenkomsten. Het laatste advies van het LBB is ook pas bij besluit van 13 januari 2026 aan [de eiser] verstrekt, terwijl het advies dateert van
3 november 2025. Verder kan de gevaarsconclusie van het LBB geen standhouden omdat ten onrechte wordt aangenomen dat sprake is van actuele vermogensverschaffing door broer 3. Het samenwerkingsverband met broer 3 is immers reeds beëindigd en zijn persoonlijke vennootschap heeft de aandelen in [de eiser] aan de overige twee aandeelhouders verkocht, waarbij broer 3 finale kwijting heeft verleend. Het vermogen is afgewaardeerd, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte notariële stukken en er is geen sprake van een onzakelijke transactie. Er bevindt zich dus geen vermogen van broer 3 meer in de onderneming. [de eiser] is tegenover de gemeente over het voorgaande altijd volledig transparant geweest. Van een schijnconstructie is geen sprake en de gemeente heeft ook niet onderbouwd dat in de toekomst gevaar bestaat op criminele facilitering of herleving van het samenwerkingsverband. Gelet op het ontbreken van een onderbouwing en het gegeven dat niet is gekeken naar minder verstrekkende maatregelen is de onmiddellijke beëindiging van de raamovereenkomsten buitenproportioneel.
Daarnaast heeft de gemeente de beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht genomen. In dat verband is van belang dat [de eiser] alles in het werk heeft gesteld om het zakelijke samenwerkingsverband te beëindigden en ook maatregelen heeft genomen om de integriteit van de onderneming te borgen. Ook mist de ontbinding een evenwichtige belangenafweging. Verder heeft [de eiser] er tijdens de aanbestedingsprocedure gerechtvaardigd op vertrouwd dat de contractuele relatie niet lichtvaarding en zonder zwaarwegende grond zou worden beëindigd. Tot slot bieden ook het GGD-rapport en de last onder dwangsom onvoldoende grondslag voor de ontbindingsbeslissing. Een daadwerkelijke heroverweging van het GGD-rapport op basis van de uitgebreide zienswijze die [de eiser] heeft gegeven, heeft nog niet plaatsgevonden, en [de eiser] heeft nadien verbetermaatregelen genomen. Ten aanzien van de last onder dwangsom geldt dat [de eiser] een vergunning heeft aangevraagd om het gebruik van het pand te legaliseren. [de eiser] stelt dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen mede gelet op de gevolgen van de ontbinding van de overeenkomsten en van de (voorgenomen) inlichting door de gemeente van de cliënten en het personeel van [de eiser] en de pers, die voor haar aanzienlijk en onomkeerbaar zullen zijn.
De gemeente voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om te voorkomen dat hun integriteit niet geraakt wordt door het faciliteren van criminele activiteiten in het sociaal domein. Om die reden hebben zij ervoor gekozen in hun standaardovereenkomsten met zorgaanbieders elke vorm van gevaar dat uit een Bibob-advies blijkt uit te sluiten door op te nemen dat zij dan de overeenkomst buitengerechtelijk kunnen ontbinden. Dat geldt ook als sprake is van een mindere mate van gevaar. De gemeente beroept zich dan ook op deze ontbindingsclausules in de raamovereenkomsten. Het Bibob-advies heeft het vertrouwen van de gemeente in de integriteit van [de eiser] onherstelbaar geschaad. Gelet op de aanzienlijke risico’s voor de kwetsbare cliënten van [de eiser] , de zorgplicht van de gemeente en het fundamentele belang van de integriteit van de zorgaanbieder heeft zij op 13 januari 2026 besloten om de raamovereenkomsten met [de eiser] te ontbinden. Op grond van het tweede advies van het LBB bestaat er nog steeds een risico voor cliënten van [de eiser] . In dat kader wordt in het advies van het LBB ook verwezen naar een advies van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (Advies IKZ). De cliënten waaraan [de eiser] verleent, betreft een uiterst kwetsbare doelgroep die afhankelijk is van adequate en veilige zorg. Een zorgaanbieder aan wie de gemeente deze zorg toevertrouwt moet daarom boven iedere twijfel verheven zijn. De gemeente betwist dat zij niet heeft voldaan aan haar vergewisplicht. Volgens de gemeente is de redenering van het LBB inzichtelijk, consistent en volgen de conclusies logischerwijs uit de bevindingen. Verder is voldaan aan artikel 33 van de Wet Bibob omdat [de eiser] in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze te geven op het eerste advies van het LBB en heeft er toen ook een hoorzitting plaatsgevonden. In dat verband doet de gemeente tevens een beroep op artikel 4:11 sub b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rapport van het LBB is na de zienswijze en de hoorzitting aangevuld op basis van de stellingen van [de eiser] dat de persoonlijke vennootschap van broer 3 is uitgeschreven in het Handelsregister, het samenwerkingsverband met broer 3 is verbroken en de vermogensverschaffing door broer 3 is beëindigd. Daarna is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Afgezien van het voorgaande kan ook een verbroken samenwerkingsverband meewegen in de vaststelling van de mate van gevaar door het LBB als dit verbroken samenwerkingsverband in de toekomst nog een gevaar kan opleveren. [de eiser] is een familiebedrijf en de gemeente kan niet uitsluiten dat broer 3 feitelijk nog invloed blijft uitoefenen of dat het zakelijk samenwerkingsverband mogelijk buiten het zicht van de gemeente wordt voortgezet. Dat wantrouwen is versterkt doordat [de eiser] in mei 2025 geen volledige transparantie heeft gegeven over de werkelijke reden waarom broer 3 afscheid nam van [de eiser] . Dit is pas tijdens de hoorzitting duidelijk geworden. Ook is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat broer 3 op 12 mei 2025 is uitgeschreven uit het Handelsregister. De bevestigingsbrief van 11 september 2025 wekt sterk de indruk dat de uitschrijving met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. De gemeente heeft ook vraagtekens bij het omzetten van de leningovereenkomsten voor de koopprijs van de aandelen in een afkoopovereenkomst en de afwaardering van de aandelen met 90%. De afkoopprijs van de aandelen is bovendien voldaan aan broer 3 in plaats van aan zijn persoonlijke vennootschap. De vraag rijst dan ook of wel bevrijdend is betaald. De gemeente meent dat haar besluit tot ontbinding van de raamovereenkomsten de enige verantwoorde keuze was en in de gegeven omstandigheden ook noodzakelijk, evenredig en proportioneel. De veiligheid en hiervoor weergegeven risico’s van de cliënten en de integriteit van de gemeente wegen zwaarder dan de commerciële belangen van [de eiser] . Ook heeft de gemeente onderzocht of minder ingrijpende maatregelen konden worden genomen, maar dit bleek niet mogelijk gelet op de aard van het door het LBB vastgestelde gevaar. De noodzaak van het communicatieplan is inmiddels ook gebleken omdat cliënten van [de eiser] ongerust zijn en de gemeente hebben gevraagd wat er met hun zorg gaat gebeuren. Ten aanzien van de cliëntenstop en het zorgkostenplafond geldt dat [de eiser] in 2025 het signaalplafond met € 250.000,00 heeft overschreden, daarvan geen melding is gemaakt terwijl zij daartoe contractueel verplicht is, en gelet daarop een cliëntenstop is opgelegd. Het signaalplafond van 2026 is vastgesteld op basis van de voorgenomen ontbinding van de raamovereenkomsten. Voor zover de ontbinding bij vonnis in dit kort geding wordt opgeschort, kan de vordering alsnog niet worden toegewezen omdat dan moet worden beoordeeld wat een passend plafond is, aldus de gemeente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de buitengerechtelijke ontbinding van de raamovereenkomsten in afwachting van de uitkomst in een bodemprocedure moet worden opgeschort. Verder vordert [de eiser] dat de gemeente in afwachting daarvan wordt bevolen om de raamovereenkomsten na te komen en de in de brief van 13 januari 2026 opgenomen aanwijzingen, waaronder het instellen van een cliëntenstop, op te schorten. Hoewel [de eiser] zelf spreekt van het ongedaan maken van de ontbinding en de aanwijzingen, begrijpt de voorzieningenrechter dit – gelet op de aard van een kortgedingprocedure – als een vordering tot schorsing.
Het spoedeisend belang van [de eiser] vloeit voldoende voort uit de aard van de vorderingen.
In dit kort geding staat de vraag centraal of en in hoeverre voldoende aannemelijk is dat de buitengerechtelijke ontbinding van de raamovereenkomsten in een eventuele bodemprocedure stand zal houden. Niet in geschil is dat de gemeente op grond van de bepalingen van de raamovereenkomsten, zoals hiervoor weergegeven in 2.8 en 2.19, de bevoegdheid heeft om de overeenkomsten buitengerechtelijk te ontbinden als uit een advies van het LBB volgt dat sprake is van een mindere mate van gevaar. Ook staat vast dat het LBB een dergelijk advies heeft gegeven (zie onder 2.17). Volgens [de eiser] is het beroep van de gemeente op deze contractuele bepalingen evenwel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat – kort samengevat – het advies van het LBB geen stand kan houden en de gemeente de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht heeft genomen.
Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn; deze rechtsregel wordt ook wel aangeduid als de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt tot uitdrukking dat de rechter ook bij de toepassing van deze bepaling terughoudend moet zijn. Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest.
Aan de voorzieningenrechter ligt dan ook – kort gezegd – ter beoordeling voor of de gemeente in redelijkheid niet tot het besluit tot ontbinding van de overeenkomsten heeft kunnen komen.
Op grond van vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel uitgaan van het advies van het LBB. Wel dient een bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het LBB, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het LBB en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Wel dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat de gestelde vragen op zodanige wijze zijn beantwoord dat op basis van het advies op zorgvuldige wijze en voldoende gefundeerd kan worden beslist.
Er zijn onvoldoende aanknopingspunten die er op wijzen dat de gemeente niet aan haar vergewis- of zorgplicht heeft voldaan. De gemeente heeft in dit verband een beroep gedaan op artikel 33 lid 3 van de Wet Bibob waarin wordt verwezen naar artikel 4:11 van de Awb. Blijkens dit artikel kan het horen van een belanghebbende achterwege blijven indien de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Dat zich nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan na de zienswijze van 6 oktober 2025 en de hoorzitting op 8 oktober 2025 is niet gebleken. De stelling van [de eiser] dat zij de notariële stukken over de verkoop van de aandelen, die daarna pas zijn opgesteld, had kunnen overleggen faalt. De gewijzigde afspraken daaromtrent zijn immers ook besproken tijdens de hoorzitting op 8 oktober 2025 en door het LBB meegewogen. Ook heeft de gemeente terecht aangevoerd dat de juridische discussie omtrent de gevaarsconclusie niet eindeloos gevoerd kan worden met de gemeente en het LBB en een gerechtelijke procedure daarvoor de aangewezen route is. Ten aanzien van het door [de eiser] ter zitting naar voren gebrachte nieuwe punt, te weten dat broer 3 binnen [de eiser] slechts contact had met de leveranciers en niet met cliënten en geen toegang had tot de zorg, geldt dat zij dit ook al in de eerste zienswijze en tijdens de hoorzitting naar voren had kunnen brengen. Dat zij dit heeft nagelaten, kan zij niet aan de gemeente tegenwerpen. Het enkele gegeven dat de gemeente het advies van het LBB van 3 november 2025 pas bij haar besluit van 13 januari 2026 aan [de eiser] heeft verstrekt kan er evenmin toe leiden dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Bij deze stand van zaken is daarom niet aannemelijk geworden dat de gemeente haar vergewis- en zorgplicht niet in acht heeft genomen. Gelet op het voorgaande in combinatie met hetgeen is overwogen onder 4.5 mocht de gemeente voorshands oordelend dus uitgaan van het tweede advies van het LBB zonder [de eiser] eerst in de gelegenheid te stellen haar zienswijze daartegen naar voren te brengen.
Ook is niet aannemelijk geworden dat de feiten de conclusies van het LBB niet kunnen dragen. [de eiser] heeft daarvoor onvoldoende gesteld.
Tussen partijen is niet in geschil dat een reeds verbroken samenwerkingsverband mag worden betrokken in de gevaarsconclusie als wordt opgetreden tegen schijnconstructies en als onderbouwd wordt dat het in het verleden verbroken zakelijk samenwerkingsverband nog een gevaar oplevert voor criminele facilitering.
In dat verband voert de gemeente aan dat de overeenkomst over de verkoop van de aandelen kort nadat de gemeente haar voornemen tot ontbinding van de overeenkomsten aan [de eiser] op 15 september 2025 kenbaar had gemaakt, werd opengebroken en wezenlijk werd herzien door de leningen van de persoonlijke vennootschap van broer 3 om te zetten in een veel lagere afkoopprijs, waarbij de waarde van de aandelen met 90% werd verlaagd. De gemeente voert terecht aan dat het vragen oproept dat broer 3 afstand heeft gedaan van een vordering van bijna € 330.000,00 en dat het uiteindelijke afkoopbedrag is overgemaakt op de privérekening van broer 3 en niet op de rekening van zijn persoonlijke vennootschap, die de aandelen heeft verkocht. Die vragen zijn door [de eiser] onvoldoende beantwoord. Ook wijst de gemeente erop dat de afwaardering naar 10% van de oorspronkelijke koopprijs niet is gebaseerd op een onafhankelijke waardering van de aandelen maar op een inschatting van [de eiser] . Weliswaar betoogt [de eiser] dat deze lagere waarde is gebaseerd op een waardering van de onderneming, maar dit blijkt niet uit de notariële stukken waar zij in dit verband naar verwijst en bovendien heeft [de eiser] tijdens de hoorzitting verklaard dat het percentage van 10% van de oorspronkelijke koopprijs op basis van een fictieve en geen officiële waardering tot stand is gekomen. Daar komt bij dat [de eiser] ook niet transparant is geweest over de verbreking van het samenwerkingsverband met broer 3. In eerste instantie heeft [de eiser] in haar e-mail van 13 mei 2025 vermeld dat de stap tot het uitreden van broer 3 is gelegen in de wens om de continuïteit, transparantie en integriteit van de organisatie te waarborgen. Nadat de gemeente naar aanleiding van deze e-mail om uitleg vroeg, heeft [de eiser] verklaard dat het besluit is gebaseerd op persoonlijke overwegingen van broer 3 in combinatie met het streven naar transparantie, bestuurlijke stabiliteit en toekomstbestendige positionering. Pas maanden later, tijdens de hoorzitting op 8 oktober 2025, heeft [de eiser] verklaard dat het uittreden van broer 3 verband hield met een ten laste van hem gelegd strafvorderlijjk beslag. Naar eigen zeggen van [de eiser] was dat beslag al in april 2025 gelegd en het is onduidelijk gebleven waarom [de eiser] hierover op 13 mei 2025 geen openheid van zaken aan de gemeente heeft gegeven. Het voorgaande bevestigt het standpunt van de gemeente dat [de eiser] steeds reactief heeft gehandeld waardoor eveneens twijfels zijn ontstaan over de (wijze van) beëindiging van het samenwerkingsverband met broer 3.
Voorshands oordelend mocht de gemeente dan ook op het advies van het LBB van 3 november 2025 afgaan.
De stelling van [de eiser] dat de gemeente niet op basis van concrete feiten en omstandigheden heeft aangetoond waarom er gevaar voor criminele facilitering in de toekomst bestaat, slaagt evenmin. De gemeente wijst in dit verband op het advies van het LBB waarin het rapport van het Informatie Knooppunt Zorgfraude, genaamd “Verwevenheid zorg & criminaliteit”, wordt genoemd. Uit het rapport komt naar voren dat zorgaanbieders die in verband worden gebracht met criminele activiteiten, mogelijk cliënten werven voor dergelijke activiteiten. Ook heeft de gemeente onderbouwd dat met name de cliënten van [de eiser] daarvoor vatbaar zijn omdat zij doorgaans in een kwetsbare positie verkeren, kampen met verslavingsproblematiek en daardoor relatief eenvoudig voor dergelijke doeleinden kunnen worden misbruikt.
Ook de overige stellingen van [de eiser] zijn onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. De gemeente heeft tijdens de aanbestedingsprocedures [de eiser] steeds geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van het op dat moment lopende Bibob-onderzoek voor de raamovereenkomsten. [de eiser] moest zich dus bewust zijn van de strekking van de ontbindingsclausules. De stelling van [de eiser] dat zij er op basis van de aanbestedingsprocedures gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat de raamovereenkomsten slechts bij zwaarwegende gronden konden worden ontbonden, kan dan ook niet worden gevolgd. De stelling van [de eiser] dat zij alles in het werk heeft gesteld om het zakelijke samenwerkingsverband met broer 3 te beëindigen slaagt gelet op het hiervoor overwogene evenmin. Ook heeft de gemeente afdoende onderbouwd dat zij onder de gegeven omstandigheden geen minder verstrekkende maatregelen had kunnen nemen en heeft zij de belangen afgewogen zoals volgt uit haar brief van 13 januari 2026. Tot slot heeft naast het advies van het LBB, ook het rapport van de GGD en het voornemen van de gemeente om een last onder dwangsom op te leggen meegewogen in het besluit van de gemeente om de raamovereenkomsten te ontbinden. Onder al deze omstandigheden is de ontbinding van de raamovereenkomst voorshands oordelend daarom ook niet onevenredig en/of buitenproportioneel.
Tussenconclusie
De conclusie is dat binnen het bestek van deze procedure niet kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het beroep van de gemeente op de contractuele ontbindingsclausules naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De primaire vorderingen 1 en 2 zullen daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de cliëntenstop geldt bovendien dat deze ook is gebaseerd op de forse overschrijding van het zorgkostenplafond in juli 2025. [de eiser] heeft dat niet weersproken.
Inlichten van derden
Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand dat derden, waaronder cliënten en het personeel van [de eiser] , geïnformeerd moeten worden over de ontbinding van de raamovereenkomsten, de gevolgen daarvan en de te nemen vervolgstappen in de overgangsfase. Een geheel verbod op het doen van inlichtingen zoals primair gevorderd onder 3 en een geheel verbod tot het uitvoeren van de communicatieplanning (bijlage 7 van de brief van 13 januari 2026) zoals subsidiair gevorderd onder 1 en 2 zal om die reden worden afgewezen.
[de eiser] moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel eerst zelf de gelegenheid krijgen om haar personeel in te lichten. De gemeente wordt om die reden verboden om eerder dan vier weken na datum van dit vonnis over te gaan tot uitvoering van haar communicatieplanning. Aan deze veroordeling zal geen dwangsom worden verbonden nu de gemeente heeft laten weten dat zij het vonnis vrijwillig zal nakomen en de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft daaraan te twijfelen. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om de gemeente te gebieden de passage met betrekking tot de Wet Bibob onder het kopje “Waarom dit besluit? in de brieven aan de cliënten en het personeel van [de eiser] (bijlagen 8 en 9 bij de brief van de gemeente van 13 januari 2026) en in het persbericht (bijlage 10 bij de brief van de gemeente van 13 januari 2026) te verwijderen. Hierin staat slechts algemene informatie over de Wet Bibob. Gelet op de duur van een eventueel door [de eiser] te starten bodemprocedure, kan niet van de gemeente worden gevergd dat zij gedurende die procedure in haar berichtgeving naar buiten toe geen algemene informatie mag verstrekken over de reden van de beëindiging van de raamovereenkomsten.
Belangenafweging
Een belangenafweging kan niet tot een andere uitkomst leiden. Gelet op de zwaarwegende maatschappelijke belangen die de gemeente moet waarborgen wegen haar belangen zwaarder dan de commerciële belangen van [de eiser] .
Proceskosten
[de eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt de gemeente om eerder dan vier weken na datum van dit vonnis over te gaan tot uitvoering van de communicatieplanning behorende bij de brief van 13 januari 2026;
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
1780