beschikking van de kantonrechter
op verzoek van
[bewindvoerder] ,
correspondentieadres: [postcode en plaats] , [postbus] ,
hierna te noemen: bewindvoerder,
betreffende
[rechthebbende 1] ,
geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] ,
en
[rechthebbende 2] ,
geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] ,
beiden wonende te [postcode en plaats] , [straat en huisnummer] ,
hierna te noemen: rechthebbenden.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het machtigingsverzoek gedateerd 19 november, per mail ontvangen op 9 december 2025 inhoudende het verzoek om het schuldentarief gedurende twaalf maanden te mogen rekenen na een geaccepteerd nulaanbod;
- de aanvulling op het machtigingsverzoek van 29 december 2025;
- de brief van de griffier aan de bewindvoerder van 16 januari 2026.
De feiten
Bij beschikkingen van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2020 is een bewind ingesteld over alle goederen die rechthebbenden (zullen) toebehoren wegens zijn/haar geestelijke of lichamelijke toestand, met inschrijving in het Centraal curatele- en bewindregister. [bewindvoerder] is de bewindvoerder.
Het verzoek
De bewindvoerder geeft aan dat op 27 februari 2025 een akkoord is bereikt op basis van een nul-aanbod. Hierdoor worden de resterende schulden kwijtgescholden en is de schuldensituatie met ingang van die datum beëindigd. De bewindvoerder vraagt om het beloningstarief voor een bewindvoerder in een bewind met problematische schulden nog in rekening te mogen brengen gedurende twaalf maanden na het geaccepteerd nulaanbod omdat nog geen sprake is van financiële stabiliteit. De bewindvoerder moet de financiële huishouding van de cliënten consolideren en toewerken naar duurzame zelfredzaamheid.
Het zwaartepunt van het werk ligt in de beginfase van het schuldentraject, terwijl de vergoeding in die eerste maanden relatief laag is. De extra periode compenseert ook voor werkzaamheden die niet in verhouding stonden tot de eerdere beloning. Cliënten hebben in eerdere schuldtrajecten de verplichtingen niet kunnen naleven, hetgeen in 2019, 2022 en 2024 heeft geleid tot voortijdige beëindiging van de trajecten.
In de nadere toelichting van 29 december 2025 heeft de bewindvoerder aangegeven dat zij de situatie van rechthebbende [rechthebbende 2] niet kan beoordelen omdat rechthebbende [rechthebbende 1] daar altijd bij is. rechthebbenden leveren stukken te laat aan, gebruiken extra gelden voor andere doeleinden en hebben beperkt inzicht in verantwoord omgaan met geld. Zij zijn afhankelijk van hun kinderen voor regelwerk en contact met de bewindvoerder. Feitelijk is volgens de bewindvoerder sprake van verkwisting bij rechthebbende [rechthebbende 1] .
De bewindvoerder heeft niet gereageerd op het voornemen tot afwijzen van het verzoek en de vraag of zij daarover gehoord wil worden.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:447 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent zijn vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: Regeling), met name de artikelen 3 jo 7 van de Regeling. De Regeling kent een beloning voor een regulier bewind, een bewind met problematische schulden, een en ander zowel voor alleenstaanden als voor twee personen die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd of op andere wijze een economische eenheid vormen. In afwijking daarvan kan de kantonrechter wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de bewindvoerder op andere wijze vaststellen.
De beoordeling
Door recente wijziging in de WSNP (2023) en de gevolgen daarvoor voor de gemeentelijke
minnelijke schuldenregelingen, is de termijn voor beide trajecten verkort van drie jaar naar
anderhalf jaar. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat die halvering leidt tot problemen voor bewindvoerders die daarmee hun hogere kosten in de beginfase van de schuldenregeling niet in de loop van het hele traject kunnen terugverdienen uit de hogere beloning. Dat is in het algemeen niet anders wanneer, zoals in dit geval, het dossier al langer loopt omdat meestal in de periode voorafgaand aan de uiteindelijke schuldregeling (opnieuw) sprake is van veel extra werkzaamheden.
In het dossier van rechthebbenden is aan de situatie van problematische schulden een eind gekomen doordat op 27 februari 2025 een zogenoemd nul-aanbod is gedaan en geaccepteerd. Hierdoor zijn de resterende schulden kwijtgescholden en is de schuldensituatie met ingang van die datum beëindigd. Omdat geen sprake meer is van problematische schulden moet de beloning worden aangepast naar het reguliere tarief.
Met de opkomst van de verkorting van de schuldenregeling en het veelvoorkomende nulaanbod is geen rekening gehouden in de Regeling beloning. De Regeling geeft de kantonrechter niet de mogelijkheid om de hogere beloning voor bewinden met problematische schulden toe te kennen in situaties waarin geen sprake (meer) is van problematische schulden. Dat zou ook kunnen leiden tot onterechte beloningsverschillen tussen bewinden waarin aan het bewind kort na de regeling van de schulden een eind komt en reguliere bewinden (ook wel toestandsbewinden genoemd), die na het regelen van de schulden voor onbepaalde duur doorlopen op grond van de geestelijke of lichamelijke toestand van de rechthebbende.
Dat in het onderhavige dossier sprake is van verkwisting is niet dan wel onvoldoende gebleken. De vraag of bij verkwisting wellicht de hoge beloning van toepassing zou kunnen zijn, hoeft derhalve niet te worden beantwoord.
Een en ander betekent dat de kantonrechter het verzoek zal afwijzen voor zover dat verzoekt om de beloning vast te stellen zoals bedoeld in artikel 7 lid 4 van de Reling tot een jaar na 27 februari 2025.
Het feit dat met de opkomst van de verkorting van de schuldenregeling en het nulaanbod geen rekening is gehouden in de Regeling beloning is naar het oordeel van de kantonrechter echter wel een uitzonderlijke omstandigheid zoals bedoeld in artikel 7 lid 6 van de Regeling zodat de kantonrechter aanleiding ziet om, onder aanvulling van rechtsgronden, een extra beloning vast te stellen op grond van dat artikellid. Daarbij is uitgegaan van het verschil tussen de reguliere beloning en de beloning bij problematische schulden, dat vijf uur per jaar bedraagt. Gelet op het verschil in beloning van artikel 7 lid 4 en de beloning van artikel 7 lid 2 over een jaar, naar het tarief van 2025, zal de kantonrechter een uitzonderlijke beloning van € 495,00 toekennen. In 2025 was over de beloning nog BTW verschuldigd.
Een en ander leidt tot hetgeen in het dictum is bepaald.
De kantonrechter wijst het verzoek voor het overige af.
De beslissing
De kantonrechter:
- stelt vast dat in het onderhavig dossier de jaarbeloning met ingang van 1 maart 2025 overeenkomstig artikel 7 lid 2 van de Regeling inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, € 1.681 bedraagt;
- stelt de beloning aanvullend op het vorenstaande wegens uitzonderlijke omstandigheden op grond van artikel 7 lid 6 van de Regeling als volgt vast dat de bewindvoerder voer 2025 eenmalig een beloning van € 495,00 inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing toekomt;
- wijst het verzoek voor het overige af.