RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/198116-25
Datum uitspraak : 30 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. R.R. Wijnakker, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 december 2024 te [woonplaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina en/of de mond van die [minderjarige] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [minderjarige] en/of
- het (tong)zoenen van die [minderjarige] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige] , p. 40-47;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 25 december 2024 te [woonplaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina en/of de mond van die [minderjarige] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [minderjarige] en/of
- het (tong)zoenen van die [minderjarige] .
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bepleit dat verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt. Alhoewel uit het dossier blijkt dat verdachte niet wist dat aangeefster 13 jaar oud was, doet dit niet af aan de bewezenverklaring en de strafbaarheid van het feit, nu de leeftijd van aangeefster geobjectiveerd is. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er bovendien aanwijzingen waren voor verdachte waaruit hij kon afleiden dat zij heel jong was, onder meer omdat zij zichtbaar jong oogt. Verder was zij een voor verdachte nagenoeg onbekend meisje, waar hij slechts enkele dagen contact mee had. Verdachte heeft geen enkele moeite gedaan om uit te zoeken hoe oud aangeefster daadwerkelijk was.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte aangeefster heeft leren kennen via de app ‘Yubo’. Verdachte wist dat deze app zodanig was ingericht dat meerderjarigen en minderjarigen in ieder geval in livegroepen door de werking van de app van elkaar worden gescheiden. Yubo maakt daarnaast gebruik van een aantal digitale veiligheidshulpmiddelen waarmee (geprobeerd) wordt te voorkomen dat gebruikers zich met een andere leeftijd voor kunnen doen in de app. De app is zodanig ingericht dat op verschillende manieren wordt geprobeerd om leeftijdsmispresentatie te voorkomen. Op het moment dat verdachte contact kreeg met aangeefster, zat zij al in een live-gesprek op Yubo met anderen. Zij hebben aangeefster in het livegesprek gevraagd hoe het zat met haar gebruikersnaam en haar leeftijd, waarop aangeefster had aangegeven dat de getallen in haar gebruikersnaam te maken hadden met haar broertje. Ze stelde dat ze 19 jaar oud was en een modeopleiding volgde aan het Rijn IJssel college. In het gehele contact met aangeefster heeft verdachte op geen enkel moment ook maar enige twijfel gehad over haar leeftijd. Ook haar uiterlijk heeft hem daarbij niet in twijfel gebracht. Gelet op deze omstandigheden heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS) toekomt, doordat hij heeft gedwaald ten aanzien van de leeftijd van aangeefster.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt het volgende voorop. De wetgever heeft in de delictsomschrijving van artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. Dat wil zeggen dat niet is vereist dat de verdachte wetenschap van of opzet op die leeftijd moet hebben gehad. Evenmin is vereist dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het om een minderjarige ging. Een beroep op afwezigheid van alle schuld is mogelijk als verdachte heeft gedwaald omtrent die minderjarigheid. Van een geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld kan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn. Daartoe is vereist dat verdachte in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aan de orde is en overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft [minderjarige] leren kennen via de app Yubo, waarbij hij op enig moment met [minderjarige] in een livegesprek terecht is gekomen. Het feit dat Yubo gebruikt maakt van een leeftijdsverificatie en het volgens de werking van de app niet mogelijk zou zijn om als minderjarige deel te nemen aan een livegesprek, is naar het oordeel van de rechtbank geen garantie dat iemand die zich op deze app begeeft ook daadwerkelijk meerderjarig is. Verdachte had er niet vanuit mogen gaan dat deze controle sluitend is, omdat het niet uit te sluiten is dat deze leeftijdsverificatie wordt omzeild. Een leeftijdsverificatie op een app is geen waterdicht systeem en dat is in dit geval ook gebleken. Het is daarnaast ook niet onwaarschijnlijk dat een minderjarige zich online ouder voordoet, terwijl uit de gebruikersvoorwaarden van Yubo die de raadsvrouw heeft overgelegd volgt dat bij twijfel over de gepresenteerde leeftijd een leeftijdsverificatie kan worden uitgevoerd. Dat laat ruimte over voor die gevallen waarin bij Yubo kennelijk geen twijfel bestaat, maar de desbetreffende persoon wel degelijk minderjarig is. Dat betekent dat in zijn algemeenheid deelnemers gezien niet zonder meer erop mogen vertrouwen dat de ingebouwde digitale hulpmiddelen in een applicatie zoals Yubo mispresentatie altijd voldoende tegengaan.
Verdachte heeft in dit verband dan ook nog steeds een vergaande onderzoeksplicht om zich ervan te vergewissen dat [minderjarige] daadwerkelijk meerderjarig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hier op geen enkele wijze aan heeft voldaan. De omstandigheid dat de jongere er wellicht ouder uitziet dan haar/zijn werkelijke leeftijd en zich presenteert als een 19-jarige maakt dat in het licht van het belang van de bescherming van de minderjarigen, niet anders. Gelet op de bescherming die art. 248 Sr beoogt te geven aan kinderen, die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren hebben bereikt, zou het doel van deze strafbepaling worden gemist, indien het verweer zoals hier gevoerd zou worden gevolgd en daarmee de toepassing van de bepaling wordt uitgesloten. Verdachte had zelf de plicht om na te gaan of [minderjarige] ook daadwerkelijk meerderjarig was en niet enkel en alleen af te gaan op haar mededeling dat zij 19 jaar oud was en op het Rijn IJssel college zit en/of op haar lengte dan wel op haar uiterlijk. Verdachte had dit onder andere kunnen doen door aan [minderjarige] haar identiteitsbewijs te vragen en dit te controleren.
Verdachte heeft zich er naar het oordeel van de rechtbank niet, in ieder geval onvoldoende, van vergewist dat [minderjarige] meerderjarig was en daarmee heeft hij het risico op de koop toegenomen dat zij minderjarig was. Dit risico komt voor zijn rekening. Dit betekent dat aan verdachte geen geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld toekomt.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen een contactverbod met [minderjarige] en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat uit het gehele dossier en uit de proceshouding van verdachte blijkt dat ook verdachte het gebeurde in het geheel niet had gewild, als hij had geweten dat [minderjarige] nog minderjarig was en/of dat zij verdergaande seksuele handelingen niet (meer) wilde. Verdachte heeft direct kenbaar gemaakt hoeveel het hem speet/spijt en hij heeft nadrukkelijk aangeboden om in strafrechtelijke mediation zijn excuus aan te bieden om zo bij te dragen aan het herstel van [minderjarige] . Voorts heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de blanco documentatie van verdachte, de door de reclassering ingeschatte lage kans op recidive en met de Valkenburgse zedenzaak in verband met het taakstrafverbod. Gelet hierop heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een (on)voorwaardelijke taakstraf op te leggen en een gevangenisstraf van 1 dag.
Tot slot heeft de raadsvrouw gesteld dat er geen noodzaak is voor het opleggen van een dermate ingrijpende maatregel als een contactverbod, nu verdachte heeft kenbaar gemaakt dat hij [minderjarige] niet op zal zoeken. Indien [minderjarige] hier wel aan hecht, dan zal verdachte zich daarbij neerleggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met de destijds 13-jarige [minderjarige] , dit terwijl verdachte toentertijd zelf 24 jaar oud was. Verdachte heeft [minderjarige] leren kennen via de app Yubo, waar zij twee dagen eerder voor het eerst contact op hebben gehad. Vervolgens is het op 25 december 2024 tot een fysieke ontmoeting gekomen, waarbij verdachte seks heeft gehad met [minderjarige] en [minderjarige] verdachte heeft gepijpt. Verdachte is niet bewust en doelgericht op zoek gegaan naar een minderjarige, maar hij heeft wel nagelaten om zich te vergewissen van de daadwerkelijke leeftijd van [minderjarige] . Hij heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [minderjarige] , die door haar zeer jonge leeftijd niet in staat was om de gevolgen van haar eigen handelen te overzien. De gevolgen van seksueel misbruik kunnen een leven lang voelbaar blijven en diepe sporen achterlaten. Door zich te laten leiden door zijn eigen seksuele gevoelens, heeft de verdachte de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist.
Uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 20 februari 2026 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 september 2025. Hieruit volgt dat uit het onderzoek van de reclassering geen risico- dan wel beschermende factoren naar voren komen, gezien verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster moedwillig heeft verkracht. Verdachte verwijt het zichzelf volgens de reclassering dat hij niet expliciet aan aangeefster heeft gevraagd of zij wel of geen seks wilde. De reclassering stelt dat verdachte ten tijde van de delictpleging beschikte over stabiele huisvesting, een baan en een inkomen. Ten tijde van het rapporteren door de reclassering beschikt verdachte echter niet meer over werk. Voor zover de reclassering kan inschatten lijkt er geen sprake te zijn van psychische problematiek en/of problematiek op het gebied van gewetensontwikkeling en probleeminzicht.Gelet op de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn er voor de reclassering geen aanknopingspunten naar voren gekomen die een reclasseringstoezicht of een gedragsinterventie indiceren. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag. Tot slot concludeert de reclassering dat verdachte in staat lijkt te zijn om te leren van hetgeen is gebeurd. Gelet hierop adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De eis van de officier van justitie ziet op een gevangenisstraf met een groot onvoorwaardelijk gedeelte en daarnaast een voorwaardelijk deel. Als de rechtbank deze eis volgt, moet de verdachte voor een langere tijd naar de gevangenis. Dit vindt de rechtbank niet passend. Eén van de doelen van strafoplegging is vergelding. Een ander doel is preventie: het voorkomen van herhaling. De rechtbank heeft op basis van de verklaringen van verdachte en het reclasseringsadvies geen reden er aan te twijfelen dat verdachte niet uit was op seks met een minderjarige. Verdachte heeft vanaf het moment dat hij erachter kwam dat [minderjarige] pas 13 jaar oud was ook direct zijn excuses aangeboden en ook daarna heeft hij nog meermaals zijn spijt betuigd. Daarnaast heeft hij vanaf het verhoor bij de politie direct openheid van zaken gegeven en lijkt hij het kwalijke van zijn gedrag in te zien. Dit in combinatie met het reclasseringsadvies, waaruit volgt dat de reclassering geen risicofactoren ziet en de kans op herhaling inschat als laag, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. De rechtbank vindt wel dat de ernst van het feit tot uitdrukking moet worden gebracht in de straf.
Concluderend brengt dit de rechtbank tot de volgende straf. De rechtbank legt aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 365 dagen met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte de maximale taakstraf op van 240 uren. De rechtbank zal aan verdachte geen contactverbod opleggen, ondanks dat hier door de raadsman van [minderjarige] wel om is verzocht. Inmiddels is er een jaar en drie maanden verstreken sinds het feit heeft plaatsgevonden. In de tussenliggende periode heeft verdachte op geen enkel moment contact gezocht met [minderjarige] . Daarnaast heeft verdachte op zitting kenbaar gemaakt dat hij ook in de toekomst zijn best zal doen om het contact met haar uit de weg te gaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een contactverbod een te vergaande maatregel is in dit verband.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. De vergelijking met de in de vordering aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag wordt betwist en voorts wordt met het oog op de Rotterdamse schaal een bedrag van 6000 euro passend geacht.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden die binnen één van de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde categorieën valt. Door het feit is de lichamelijke integriteit van de benadeelde aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen van de normschending zo voor de hand liggen dat wordt aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 6.000,- vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 25 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 248 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht;
bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf, te weten 363 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2026.