RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats 1], eiseres
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/209
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen)
en
(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2], de veehouderij
(gemachtigde: mr. T. van Essen).
1. Deze uitspraak gaat over de positieve weigering van het college van 2 december 2024. In dit besluit heeft het college geweigerd om aan de veehouderij een natuurvergunning te verlenen omdat het aangevraagde project niet vergunningplichtig zou zijn. Eiseres is het niet eens met de positieve weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de positieve weigering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de positieve weigering van 2 december 2024. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De veehouderij heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 10 oktober 2023 heeft de veehouderij bij het college een natuurvergunning aangevraagd voor de locatie [locatie] in [plaats 2]. De aanvraag ziet op het tijdelijk verplaatsen van 80 kalveren van stal D naar stal B. De stal die daarmee leeg komt te staan zal gebruikt worden als houtopslag voor het houtbouwbedrijf op de locatie.
Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Op het ontwerpbesluit tot het positief weigeren van de aanvraag heeft eiseres een zienswijze ingediend. Het college heeft de natuurvergunning op 2 december 2024 positief geweigerd, omdat het aangevraagde project niet vergunningplichtig zou zijn.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. In deze zaak geldt nog het oude recht, de Wet natuurbescherming, omdat de aanvraag om de natuurvergunning is ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Positieve weigering voldoet niet aan inmiddels geldend kader
5. Deze zaak gaat over een positieve weigering op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb bepaalde, kort gezegd, dat het verboden is zonder vergunning van het college een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor zo’n vergunningplichtig project moet het college, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling maken van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
De natuurvergunning in deze zaak is verleend met intern salderen. Dat wil zeggen: door de effecten van het aangevraagde project weg te strepen tegen een eigen (interne) referentiesituatie bestaande uit een oude natuurvergunning is geconcludeerd dat geen sprake is van significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Om die reden is de vergunning positief geweigerd.
Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning is vereist (voortoets), maar alleen nog als mitigerende maatregel in een passende beoordeling. De wijziging geldt met terugwerkende kracht en dus ook voor het besluit in deze zaak.
Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat de positieve weigering niet voldoet aan het gewijzigde toetsingskader uit deze Afdelingsuitspraken.
Het college erkent in het verweerschrift dat de positieve weigering niet voldoet aan dit toetsingskader: “nu in de aanvraag sprake is van een gewijzigd project waarbij het principe van intern salderen is toegepast, hadden wij (met de bril van na 18 december 2024) niet kunnen volstaan met een positieve weigering. Het aangevraagde project is vergunningplichtig. Voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt (…)”.
De gemachtigde van de veehouderij sluit zich aan bij het verweerschrift: “zoals terecht uiteengezet in de brief, gaat het om een vergunningplichtig project en had, met de kennis van nu, niet volstaan kunnen worden met een positieve weigering. Ook wat mijn cliënte betreft komt het besluit voor vernietiging in aanmerking en kan in deze zaak zonder zitting uitspraak worden gedaan.”
Nu partijen het erover eens zijn dat de positieve weigering niet aan het kader uit de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 voldoet, is het beroep alleen al hierom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de positieve weigering van 2 december 2024.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de positieve weigering.
De rechtbank moet onderzoeken of over de zaak zoveel mogelijk definitief kan worden beslist. De rechtbank acht dat in deze zaak niet mogelijk. Het college schrijft namelijk in het verweerschrift: “na vernietiging herleeft de aanvraag. Wij zullen met de aanvrager in contact treden of er (mede gelet op het tijdelijke karakter van de aangevraagde wijziging) aanleiding bestaat om de aanvraag in te trekken, te wijzigen of te handhaven.” En de gemachtigde van de veehouderij stelt: “na vernietiging zal mijn cliënte in overleg met Gedeputeerde Staten bezien welke vervolgstap het beste is voor de dan herleefde aanvraag en daar verder uitvoering aan geven.”
De rechtbank zal de zaak dus niet finaal beslechten omdat niet zeker is of een besluit op de aanvraag nog gewenst is en zo ja, of een natuurvergunning kan worden verleend en zo ja, binnen welke termijn die dan zou kunnen worden verleend.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 december 2024;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.