RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.299826.24
Datum uitspraak : 14 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in gemeente [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. A.M.J. Comans, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 22 juli 2024 te Oldebroek, bij recreatieplas ’t Loo, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig heeft gehandeld, door geen, althans niet voldoende, toezicht te houden op de aan haar, verdachte's zorg en/of toezicht toevertrouwde [minderjarige] (geboren [geboortedag] -2017), tijdens het zwemmen in recreatieplas ’t Loo, immers heeft verdachte
- [minderjarige] , wetende dat hij geen zwemdiploma had en/of niet kon zwemmen, geen zwembandjes en/of zwemvest aangedaan en/of
- [minderjarige] , niet, althans niet voldoende, geïnstrueerd dat hij, in verband met de omstandigheid dat hij (nog) niet kon zwemmen, in het ondiepe deel van de recreatieplas (voor de rode/witte ballenlijn) moest blijven en/of zich er niet, althans niet voldoende, van vergewist dat hij deze instructie heeft begrepen en/of
- zich niet, althans niet voldoende, ervan vergewist of [minderjarige] gedurende het zwemmen niet in (levens)gevaar verkeerde en/of zich (steeds) bevond op een plaats in de recreatieplas waar hij kon staan en/of
- [minderjarige] samen met een ander minderjarig kind ( 7 jaar oud) in het water achtergelaten en/of (vervolgens) met 2 kinderen over het strand naar de handdoek
op (ongeveer) 40 meter afstand gelopen en/of (vervolgens) zich aangekleed en/of (vervolgens) is terug gelopen over het strand naar het water en (intussen) geen, althans onvoldoende toezicht heeft gehouden op [minderjarige] en/of
- ( aldus) niet voorkomen dat [minderjarige] gedurende de onder toezicht van verdachte onder water terecht is gekomen
waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [minderjarige] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk op 30 juli 2024 aan de gevolgen van verdrinking is overleden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op 22 juli 2024 is verdachte samen met vier kinderen van 6 en 7 jaar oud, waaronder [minderjarige] (geboren [geboortedag] 2017), gaan zwemmen in recreatieplas ’t Loo in Oldebroek. [minderjarige] is daar verdronken en op 30 juli 2024 aan de gevolgen van verdrinking overleden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat [minderjarige] geen zwemdiploma had en dat hij zwembandjes nodig had.
Beoordeling door de rechtbank
Wist verdachte dat [minderjarige] geen zwemdiploma had?
Verdachte heeft verklaard dat zij weet dat er een vrouw naast haar stond die aan het bellen was. Die vrouw werkte bij het restaurant en was aan het bellen met 112 denkt verdachte, toen ze bij het water stonden.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 22 juli 2024 met 112 heeft gebeld en zei dat er een jongetje zoek was in het meer. Zij kreeg vragen van de meldkamer en is toen naar die moeder (de rechtbank begrijpt: verdachte) in het water gelopen om via haar de informatie te krijgen. De meldkamer vroeg of het jongetje een zwemdiploma had. De vrouw die het kind kwijt was (de rechtbank begrijpt: verdachte) zei via getuige dat hij geen zwemdiploma had, dat ze nog wel op een wachtlijst stonden voor zwemles.
Later is aan getuige [getuige 1] gevraagd of het kan zijn dat zij van de moeder van het verdronken jongetje heeft gehoord dat hij geen zwemdiploma had en op de wachtlijst stond. Getuige verklaarde toen dat zij zeker weet dat zij dat van die andere moeder heeft gehoord die met de kinderen was (de rechtbank begrijpt: verdachte).
Het geluidsfragment van het 112-gesprek is uitgewerkt. Daarin staat onder meer het volgende:
OC: 112 Politie, van welke plaats belt u vandaan?
M: Vanuit ’t Loo te Oldebroek.
OC: En wat is er aan de hand?
M: Er is een kindje kwijt in onze zwem...n.t.v.
OC: Oké, dan ga ik eerst de melding voor mijn collega’s op het scherm zetten en dan ga ik
met u wat meer doorlopen. En hoelang is dat kindje al zoek?
M: Tien (10) minuten.
OC: Tien (10) minuten. Hoe oud is het?
Verbalisant hoort op de achtergrond een kind huilen.
M: Zes (6) jaar.
OC: Blijft u aan de lijn hoor, ik ga 'm eerst bij mijn collega’s op het scherm zetten.
Kan het kindje zwemmen?
M: Kan het kindje zwemmen, mevrouw (Melder vraagt dit aan de vrouw op de achtergrond)
V: Eh, niet zond.
M: Nee, nee, nee, niet. Het is een ondiepe plas, ja, nee.
V: Niet zwemmen, zwemmen.
M: Nee, nee, geen zwemdiploma, nee.
V: Oh, echt wat
OC: Van een jaar of zes (6), kan niet zwemmen
Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat [minderjarige] geen zwemdiploma had en niet kon zwemmen.
De situering van de verdrinking van [minderjarige]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij bij de fontein ging zoeken omdat de vrouw zei dat het kind daar aan het spelen was geweest. Dat was achter de ballenlijn. De ballenlijn geeft een stuk water aan waar het sowieso ondiep is. Op andere plaatsen is het aan de rand ook wel ondiep maar verder vanaf de rand wordt het dieper.
Getuige [getuige 3] heeft [minderjarige] in het water gevonden. Hij heeft verklaard dat de vrouw de plek aanwees waar het jongetje voor het laatst gezien was. Dit was net achter het ondiepe gedeelte.
De politie heeft een onderzoek uitgevoerd bij de recreatieplas. Daarbij was getuige [getuige 3] aanwezig om de locaties te bepalen. [getuige 3] heeft daarbij ook verklaard dat, toen zij zochten naar het jongetje, het water zo troebel was dat hij niets kon zien.
Uit het onderzoek volgt dat [minderjarige] op 13.30 meter vanaf de ballenlijn is gevonden (gelet op de verklaring van [getuige 3] begrijpt de rechtbank: voorbij het ondiepe gedeelte). Deze locatie was op 40.40 meter van de plaats waar volgens getuige [getuige 3] de vrouw met de kinderen had gelegen.
Ook werden rondom het zwemwater drie borden aangetroffen met daarop de tekst “zwemmen is altijd voor eigen risico” en “toezicht uitsluitend op het aquapark”.
Verdachte heeft verklaard dat zij twee tellen naar de kant is geweest en wat dronk bij de spullen. Toen ging zij weer vijf minuten het water in. Toen zei verdachte dat ze zo zouden gaan en ging zij eruit en ging [naam 1] met haar mee. Verdachte deed een handdoek om en deed een broek aan. [naam 2] kwam toen ook uit het water. Verdachte liep naar het water om de andere twee kinderen op te halen. Toen was [minderjarige] op een gegeven moment weg.
De kinderen hadden geen zwembandjes om of een zwemvestje aan.
Beoordeling
Verdachte is met vier kinderen van 6 en 7 jaar oud naar een recreatieplas gegaan. Verdachte had als enige volwassene op dat moment de verantwoordelijkheid over de vier jonge kinderen. Dat zij bij een recreatieplas, met troebel water en een onvoorspelbare bodem, waren maakt dat extra voorzichtigheid en oplettendheid van haar mocht worden verwacht.
Verdachte wist dat [minderjarige] geen zwemdiploma had en niet kon zwemmen. Toch heeft zij hem geen zwembandjes of een zwemvest aangedaan. Het is algemeen bekend dat kinderen zonder zwemdiploma zwembandjes of een zwemvest nodig hebben en dat zelfs met zwembandjes gevaar voor verdrinking bestaat.
Verdachte heeft [minderjarige] en een van de andere kinderen in het water gelaten, terwijl zij zelf naar de spullen ging die op een afstand van ongeveer 40 meter daar vandaan lagen om zich om te kleden.
[minderjarige] is in het water gevonden achter de ballenlijn, waar het niet zeker is dat het water ondiep is. Verdachte heeft dus of toegestaan dat hij daar was, of niet in de gaten gehad dat [minderjarige] voorbij de ballenlijn ging.
Verdachte had toezicht moeten houden op de aan haar zorg en toezicht toevertrouwde [minderjarige] .
De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op alle omstandigheden, onvoldoende heeft gedaan om de verdrinking van [minderjarige] te voorkomen. Verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en nalatig gehandeld, waardoor het aan haar schuld is te wijten dat [minderjarige] is verdronken en aan de gevolgen van verdrinking is overleden.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op of omstreeks 22 juli 2024 te Oldebroek, bij recreatieplas ’t Loo, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig heeft gehandeld, door geen, althans niet voldoende, toezicht te houden op de aan haar, verdachte's zorg en/of toezicht toevertrouwde [minderjarige] (geboren [geboortedag] -2017), tijdens het zwemmen in recreatieplas ’t Loo, immers heeft verdachte
- [minderjarige] , wetende dat hij geen zwemdiploma had en/of niet kon zwemmen, geen zwembandjes en/of zwemvest aangedaan en/of
- [minderjarige] , niet, althans niet voldoende, geïnstrueerd dat hij, in verband met de omstandigheid dat hij (nog) niet kon zwemmen, in het ondiepe deel van de recreatieplas (voor de rode/witte ballenlijn) moest blijven en/of zich er niet, althans niet voldoende, van vergewist dat hij deze instructie heeft begrepen en/of
- zich niet, althans niet voldoende, ervan vergewist of [minderjarige] gedurende het zwemmen niet in (levens)gevaar verkeerde en/of zich (steeds) bevond op een plaats in de recreatieplas waar hij kon staan en/of
- [minderjarige] samen met een ander minderjarig kind ( 7 jaar oud) in het water achtergelaten en/of (vervolgens) met 2 kinderen over het strand naar de handdoek
op (ongeveer) 40 meter afstand gelopen en/of (vervolgens) zich aangekleed en/of (vervolgens) is terug gelopen over het strand naar het water en (intussen) geen, althans onvoldoende toezicht heeft gehouden op [minderjarige] en/of
- ( aldus) niet voorkomen dat [minderjarige] gedurende de onder toezicht van verdachte onder water terecht is gekomen
waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [minderjarige] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk op 30 juli 2024 aan de gevolgen van verdrinking is overleden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Dood door schuld
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat als de rechtbank tot een veroordeling komt geen gevangenisstraf wordt opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank veroordeelt verdachte voor dood door schuld. Zij heeft aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en nalatig gehandeld, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [minderjarige] is verdronken en is overleden.
Het staat voor de rechtbank vast dat verdachte wist dat [minderjarige] geen zwemdiploma had en daarom zwembandjes of een zwemvest nodig had. Door haar verklaringen te wijzigingen en in strijd met de overige bewijsmiddelen uit het dossier te verklaren, neemt verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen verantwoordelijkheid voor haar aandeel in de dood van [minderjarige] .
Verdachte heeft geen in dit kader relevant strafblad. Onder meer naar aanleiding van het overlijden van [minderjarige] heeft verdachte een mentaal zware periode gekend en heeft zij gesprekken gevoerd met een psycholoog. De rechtbank begrijpt dat ook zij het zeer tragische overlijden van [minderjarige] geenszins heeft gewild.
Met het overlijden van de 6-jarige [minderjarige] is de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht, zoals zijn moeder indringend tot uitdrukking heeft gebracht in haar slachtofferverklaring. Het verdriet van de nabestaanden is invoelbaar en groot. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de ouders, familie en andere nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 120 uur op.
De straf is lager dan de officier van justitie heeft geëist, gelet op uitspraken in vergelijkbare zaken. Over het algemeen wordt daarbij een (nog) lagere straf opgelegd, maar de proceshouding van verdachte en de ernst van de gevolgen rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank deze straf.
Voor een contact- en/of locatieverbod met de ouders van [minderjarige] , zoals de reclassering en benadeelde partij [benadeelde 2] in overweging hebben gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte met hen contact zoekt of zal zoeken.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partijen [benadeelde 1] (moeder van [minderjarige] ) en [benadeelde 2] (vader van [minderjarige] ) hebben in verband met het bewezenverklaarde ieder een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen beiden € 20.000 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de ouders kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling de vorderingen kunnen worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partijen hebben ieder € 20.000 aan smartengeld in de zin van affectieschade gevorderd in verband met het bewezenverklaarde.
Het bewezen verklaarde feit is gepleegd na 1 januari 2019. Het slachtoffer [minderjarige] is als gevolg van het bewezen verklaarde feit overleden. De benadeelde partijen zijn de ouders van [minderjarige] . De vordering is voldoende onderbouwd.
Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf. De benadeelde partijen hebben dan ook beiden recht op € 20.000, zodat de vorderingen worden toegewezen.
Verdachte is ten aanzien van beide benadeelde partijen vanaf 30 juli 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 307 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;