RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-242049-25
Datum uitspraak : 13 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] (Egypte),
wonende aan [adres] (Duitsland)
raadsvrouw: mr. C.A.C. Kooijmans, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
10 06 24 hij vraagt duidelijk de sexuele relatie
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,
en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te [woonplaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
terwijl hij, verdachte wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en er onvoldoende steunbewijs voorhanden is.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster heeft verklaard dat zij samen met verdachte een dochter heeft en dat hun relatie in 2023 is beëindigd. Op 24 augustus 2024 was zij met verdachte weg geweest naar Ikea waar haar auto stond die moest worden gerepareerd. Verdachte – die automonteur is – heeft haar geholpen. Hij zou eigenlijk vanuit Ikea terug gaan naar zijn huis in Duitsland, maar wilde eerst zijn vieze handen wassen bij aangeefster thuis. Hij heeft ook met hun dochter gespeeld. Toen zij terugkwamen is aangeefster gaan bidden op haar slaapkamer. De kinderen zaten in de woonkamer. De slaapkamer is niet erg groot, dus zij zat dicht bij de deur. Aangeefster was net klaar met bidden en was haar spullen op het bed aan het opruimen, toen zag zij dat verdachte ineens achter haar stond. Hij kwam binnen en ging achter haar rug staan. Hij wilde knuffelen, maar dat wilde aangeefster niet. Zij draaide zich om en zij zag dat zijn piemel uit zijn broek was. Hij pakte zijn piemel in zijn hand en zei dat zij er naar moest kijken. Aangeefster zei dat ze dat niet wilde en dat hij weg moest gaan. Dat deed hij niet. Ze heeft hem weggeduwd, waarop hij haar vast pakte bij haar haar, haar naar zich toe trok en hard heeft gekust. Hij drukte haar toen naar achteren zodat zij op het bed kwam te zitten. Hij pakte zijn penis en bewoog deze van links naar rechts langs haar mond. Hij duwde haar op haar rug op bed. Vervolgens deed verdachte de kleding van aangeefster uit en duwde hij haar benen en voeten naar boven/achteren. Op een gegeven moment duwde hij met één hand op haar rug en met zijn andere hand pakte hij de achterkant van haar broek en die trok hij over haar billen. Doordat hij niet alleen haar broek maar ook haar bovenkleding daarbij vast had, trok hij deze ook mee naar beneden waardoor de voorkant van haar hemd en trui tegen haar keel aankwam. Hierdoor kon zij moeilijk ademen. Aangeefster wilde hem niet in haar vagina en daarom deed zij haar hand voor haar vagina. Zij voelde bewegingen tegen haar rug en billen, bewegingen zoals een man die maakt. Zij voelde hem met zijn piemel langs haar billen glijden en zij voelde druk bij haar anus. Verdachte is niet met zijn piemel binnengedrongen, maar hij is wel klaargekomen over haar en haar kleding. Daarna heeft hij zijn piemel weer in zijn broek gedaan en is hij weggegaan. Aangeefster heeft geschreeuwd en dat heeft [getuige 1] gehoord. Nadat het was gebeurd, kwam haar dochter vragen hoe het met haar ging.
Getuige [getuige 1] (dochter van aangeefster) heeft verklaard dat haar moeder (aangeefster) en verdachte heel vaak aan het vechten waren en dat ze heel veel ruzie hadden. Zij hoorde aangeefster vaak ‘stop’ en ‘niet doen’ zeggen. Getuige was op die dag dat het gebeurde, kort na de zomervakantie van 2024, in de woonkamer aan het leren. Verdachte en aangeefster waren in haar slaapkamer. Zij gingen hard praten en getuige hoorde aangeefster de woorden ‘stop’, ‘hou op’ en ‘niet doen’ zeggen. Getuige wilde het verder niet horen dus hield zij haar koptelefoon op. Verdachte was ineens weg gegaan en getuige hoorde aangeefster huilen. Aangeefster zat alleen in haar kamer en keek heel verdrietig en teleurgesteld. Ze keek naar beneden, een beetje naar één kant. Dat was nadat verdachte weg was gegaan. Getuige vroeg aan aangeefster of alles goed ging. Aangeefster zei dat zij zich geen zorgen hoefde te maken. Daarna is getuige weer weg gegaan. Getuige heeft verdachte daarna nooit meer gezien.
Getuige [getuige 2] (dochter van aangeefster) heeft verklaard dat het ergens aan het begin van het schooljaar van 2024 was dat verdachte bij hun thuis was en met dochter [getuige 3] aan het spelen was. Na een momentje zette hij [getuige 3] in de zitkamer en liet haar daar. [getuige 3] kwam naar [getuige 1] en getuige lopen. Haar moeder (aangeefster) was op dat moment in de slaapkamer. Getuige weet niet waar verdachte naartoe ging, maar het is logisch dat hij naar de slaapkamer van aangeefster is gegaan. Een paar minuten later hoorden getuige en haar zus aangeefster schreeuwen. Getuige hoorde dat het geen normaal schreeuwen was, het klonk alsof ze in pijn was. Getuige bleef in de woonkamer en haar zus [getuige 1] was naar de slaapkamer gegaan om te vragen wat er aan de hand was. Vlak daarna kwamen aangeefster en verdachte van de slaapkamer en zij maakten verbaal ruzie. Getuige hoorde verdachte in het Arabisch zeggen dat de politie hem niets kan maken omdat hij in Duitsland woont. Aangeefster zei dat verdachte de woning moest verlaten en zij hem nooit meer wilde zien. Dat is de laatste keer geweest dat getuige verdachte heeft gezien. Getuige heeft verklaard dat aangeefster verdrietig was nadat verdachte de woning had verlaten en dat zij er niet over wilde praten.
De uitwerking en vertaling van geluidsfragmenten en screenshots die door aangeefster zijn aangeleverd betreft communicatie tussen aangeefster en – volgens aangeefster – verdachte. Het gaat om een viertal geluidsopnames – waaraan aangeefster de benaming in onderstaande kopjes heeft gegeven – en twee screenshots, waarvan de vertaling hieronder is opgenomen:
Man: [onverstaanbaar]
[Stem van een kind op de achtergrond]
Vrouw: Ja, wat?
Man: Ik wil je neuken. Ik heb geen geduld meer... Eerst jou neuken en ik daarna pas ga ik naar Egypte maar nu nog niet. Pas in de tiende maand.
Source for REF-excuses na verkracht
Man: Hier, uh... [onverstaanbaar]
Vrouw: Spreekje uit. Wat wil je nou eigenlijk?
Man: Ik hou van je... [onverstaanbaar]
Vrouw: Ben je gek? lemand die van een ander houdt, scheldt hem toch niet uit en vernederd hem niet
(Noot: op de achtergrond is de stem van een kind te horen)
Man: Wat gebeurd is, is gebeurd. De duivel is tussen ons ingekomen
Vrouw: Wat zeg je?
Man: De duivel is tussen ons ingekomen
Vrouw: Ben je gek? lemand die echt van iemand houdt... God allemachtig!
Man: De duivel is tussen ons ingekomen
Vrouw: Wat nou duivel? Er is geen grotere duivel! dan de mens zelf.
Man: Er is geen macht en geen kracht dan bij Allah, de Almachtige. Zand erover. Wie vergeeft, toont edelmoedigheid.
(Noot: op de achtergrond klinkt het gehuil van een kind)
Vrouw: Vergeving is mijn keuze, niet de jouwe. Jij bepaalt dat niet
Source For REF-hij eist dat wij zijn nog getrouwd
Vrouw: Dat jij zomaar naar me toe komt terwijl we uit elkaar zijn — dat kan echt niet.
Man: Het gaat goed... en misschien zullen we elkaar uiteindelijk weer missen.
Vrouw: Wat bedoel je met het gaat goed?
Man: We zijn niet officieel gescheiden. Dus vanuit religieus oogpunt ben jij voor mij niet verboden.
Vrouw: Wat bedoel je met het gaat goed?
Wil je soms dat ik je toelaat uh? Dat je mij seksueel misbruikt hebt? Ik begrijp je echt niet.
Source for REF-vraagt duidelijk hm wensen tegen geld na scheiding
Man: Je neemt vandaag het geld aan en slaapt vannacht in mijn armen. Klaar.
Vrouw: Ik ben nergens toe verplicht.
Man: Jij bent mijn vrouw, en dat is mijn geld. Als je komt, krijg je morgen het echtscheidingspapier.
Vrouw: Waar wacht je dan nog op?
Man: Het is de liefde die me tegenhoudt, meisje. Vannacht zullen we op een tedere manier de liefde bedrijven. Je trekt dat mooie nachthemd aan. Wat heb je te verliezen? Ik ben immers toch impotent?
Vrouw: Jawel, ik heb wél iets te verliezen. Ik verkoop mijn lichaam niet.
Ik heb het nooit aan iemand anders gegeven, waarom zou ik het dan aan jou geven? Ik verkoop mijn lichaam niet.
Man: Dus je bedoelt dat mijn mannelijkheid tekortschiet? Prima. Wat heb je dan te verliezen? Dans dan voor me.
Vrouw: Ik dans niet. Ik ben geen danseres.
Man: Vooruit dan, blijf gewoon bij me zitten. in je nachthemd.
1000055998
16:02 16/09/2024- [verdachte] : Ik zeg je: kom gewoon zonder gedoe, omwille van het meisje
16:03 16-09-2024- [verdachte] : Ik bedoel niet om samen met elkaar te leven.
16:03 16-09-2024- [verdachte] : Wat ik wél bedoel: als we elkaar ontmoeten, verwacht ik dat je
gehoorzaam zult zijn.
16-09-2024:16:08- A: Gehoorzaam? Hoe bedoel je?
1000056022
27-03-2025 04-32 [hartje] 22-09-2024 17:28 Als ik je wilde aangeven dan was jij allang door de politie aangehouden, het was toen je het meisje kwam bezoeken en praten over bezoektijden. Je hebt me van mijn kleren ontdaan tot ik het benauwd kreeg. Ik heb de politie niet gebeld en ben niet naar hen gegaan met het bewijs. Zelfs de laatste keer is het hemd nog steeds gescheurd. En als ik echt een hoer was, zou dit allemaal gemakkelijk voor me zijn geweest. Voor mij is het makkelijk. En ondanks alles wat jij hebt gedaan, heb ik nergens op gereageerd, behalve dat ik je niet meer in mijn huis heb toegelaten. Maar als je wilt kan ik morgenochtend met de meisjes naar de politie gaan, zodat zij vertellen wat ze hebben gehoord en gezien.
22/09/2024 — 17:29 — [verdachte] : Doe wat je wilt, ik ben nergens bang voor.
22/09/2024 — 17:33 — [verdachte] : In de rechtbank zal ik zeggen dat ik van je hou.
22/09/2024 — 17:34 — [verdachte] : Gewoon. Wat is eigenlijk het probleem?
22/09/2024 — 17:34 — A: Oké, laat me dan met rust en schrijf me niet meer. Ik ben je niks verplicht. Vroeger is het je gelukt om me voor de gek te houden, maar nu hebje jezelf ontmaskerd. Zelfs al was jij de laatste man op aarde, dan nog zou ik geen interesse in je hebben.
22/09/2024 — 17:34 — [verdachte] : Jawel, je bent wél geïnteresseerd.
22/09/2024 — 17:34- [verdachte] : ik weet dat je van mijn houdt
22/09/2024 — 17:34- [verdachte] : maarje bent gewoon prikkelbaar.
22/09/2024 — 17:34- [verdachte] : Kom nou, de Rijn stroomt vol.
Verdachte bevestigt dat hij op 24 augustus 2024 in de woning van aangeefster is geweest, maar ontkent stellig dat hij in de slaapkamer is geweest en dat hij seksuele handelingen bij haar heeft verricht.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken bij de beoordeling van het bewijs het vaak zo is dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste seksuele handelingen. Als de verdachte ontkent, is het het woord van de één (aangeefster) tegen het woord van de ander (verdachte). Dat is ook in deze zaak het geval. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
De eerste stap die de rechtbank in dit soort zaken moet zetten, is de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster beoordelen. Vervolgens moet de rechtbank, wanneer sprake is van een betrouwbare aangifte, beoordelen of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen (met andere woorden; of aan het bewijsminimum wordt voldaan). De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van aangeefster op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot opzetverkrachting in de zin van artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. In de jurisprudentie is bepaald dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Een belangrijke beoordelingsfactor hierbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet de gedragingen daarop waren gericht.
Betrouwbaarheid
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen die aangeefster [slachtoffer] heeft afgelegd onbetrouwbaar zijn en om die reden niet mogen worden gebruikt voor het bewijs.
De rechtbank constateert dat de verklaringen die de aangeefster in het informatieve gesprek en haar aangifte bij de politie heeft afgelegd over de gebeurtenissen die zich op 24 augustus 2024 in de woning van de aangeefster hebben afgespeeld, op detailniveau, onderling voldoende consistent zijn. De verklaringen van aangeefster bevatten bovendien authentieke en specifieke details en het zijn juist die specifieke details die bijdragen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Daarnaast past de aangifte in grote lijnen ook bij hetgeen de dochters, [getuige 1] en [getuige 2] hebben waargenomen. Die waarnemingen passen niet bij de verklaring van verdachte dat hij niet in de slaapkamer is geweest. Daar komt bij dat verdachte onduidelijke en wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat er op 24 augustus 2024 is gebeurd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig.
Steunbewijs
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onvoldoende ondersteuning bieden voor de verklaring van aangeefster.
Zoals gezegd is niet vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van aangeefster op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat uit zowel de verklaring van getuige [getuige 1] als uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat aangeefster en verdachte op de slaapkamer waren en dat zij aangeefster hebben horen zeggen dat verdachte moest stoppen of ophouden met wat hij deed. Verdachte en aangeefster waren hard aan het praten en [getuige 1] en [getuige 2] hebben aangeefster horen schreeuwen alsof zij pijn had. Ook hebben beide getuigen verklaard dat aangeefster emotioneel was direct nadat verdachte de woning had verlaten, maar dat zij er niet over wilde praten. Deze verklaringen zijn gebaseerd op eigen waarnemingen van [getuige 1] en [getuige 2] , op het moment zelf en kort nadat verdachte de woning had verlaten. Dat aangeefster niet over de seksuele handelingen wilde verklaren tegen haar (minderjarige) dochters is zeer begrijpelijk, omdat aangeefster hen niet heeft willen belasten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen zijn te beschouwen als zelfstandig steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, aangezien die bewijsmiddelen niet afkomstig zijn uit dezelfde bron.
Daarnaast sluiten de vertalingen van de geluidsopnames van gesprekken tussen aangeefster en verdachte en de vertalingen van de berichten tussen hen aan bij hetgeen in de aangifte naar voren komt. De rechtbank heeft geen twijfel dat het gesprekken en berichten tussen aangeefster en verdachte betreft gelet op de inhoud. Uit de gesprekken blijkt dat sprake is van een religieus huwelijk, dat de man kennelijk Egyptisch is, dat er relationele problemen zijn en dat sprake is van seksueel misbruik. Verdachte geeft in die gesprekken aan dat hij vindt dat hij recht heeft op haar, omdat ze zijn vrouw is, dat zij vanuit religieus oogpunt niet verboden is voor hem en dat de politie hem niets kan maken. Het bevestigt de context die ook blijkt uit de aangifte. Meer specifiek geeft het uitgewerkte screenshot van de berichten van 22 september 2024 onderbouwing aan het incident op 24 augustus 2024.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier op dragende en essentiële onderdelen voldoende steunbewijs biedt voor de verklaring van aangeefster over de gebeurtenissen op 24 augustus 2024.
Poging opzetverkrachting
De rechtbank is van oordeel dat het samenspel van de seksuele handelingen die aangeefster heeft beschreven naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als gericht op voltooiing van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Dat het ook de bedoeling was van verdachte om aangeefster te verkrachten volgt voorts uit zijn gedragingen en is slechts voorkomen doordat aangeefster heeft tegengewerkt en haar vagina heeft beschermd.
Uit de bewijsmiddelen maakt de rechtbank op dat verdachte en aangeefster geen relatie meer hadden, verdachte mocht de woning van aangeefster in om zijn handen te wassen en zijn dochter [getuige 3] te zien. Verdachte is vervolgens de slaapkamer van aangeefster binnen gegaan – terwijl zij daar net klaar was met bidden – en heeft haar van achteren benaderd. Zij heeft hem nog weg proberen te duwen, maar daar trok hij zich niets van aan. Dat het niet tot een voltooide verkrachting is gekomen, ligt niet aan verdachte maar aan de omstandigheden dat aangeefster dat heeft weten te voorkomen.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot opzetverkrachting van [slachtoffer] , zoals primair ten laste gelegd.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,
en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van en/of volgen door dwang en geweld en/of bedreiging,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit primair:
poging tot opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Daarnaast verzoekt de officier van justitie aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor [woonplaats] voor de duur van 2 jaren, bij overtreding een week hechtenis, met een maximum van 6 maanden hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
Namens verdachte is naar voren gebracht dat hij bij een gevangenisstraf veel te verliezen heeft. Hij heeft zijn leven op orde: hij heeft een baan, een huurwoning en er zijn geen schulden. Daarnaast is de omgang met zijn dochter inmiddels opgestart zodat hij aan de band met haar kan werken. De raadsvrouw heeft verzocht de art. 38v Sr maatregel af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken dat de gedragsaanwijzing – inhoudende een contact- en locatieverbod – door verdachte is overtreden. Ook aan de vereisten voor dadelijke uitvoerbaarheid wordt niet voldaan.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot opzetverkrachting van zijn ex-partner. Het slachtoffer bevond zich daarbij in haar eigen woning, wat bij uitstek de plaats is waar zij zich veilig moet kunnen voelen. Daar komt nog bij dat haar drie minderjarige kinderen op dat moment ook in de woning aanwezig waren. Verdachte is voorbijgegaan aan de verbale en fysieke signalen van verzet bij het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich bij het plegen van het bewezenverklaarde feit heeft laten leiden door zijn lustgevoelens en geen waarde heeft gehecht aan de wil van het slachtoffer en de gevolgen die zijn gedragingen voor haar zouden hebben. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden, naar de ervaring leert, veelal langdurig psychisch nadelige gevolgen van wat er is gebeurd. Uit de ontkennende proceshouding van verdachte blijkt dat hij het kwalijke van zijn handelen niet inziet en daarvoor geen verantwoordelijkheid neemt.
Uit het strafblad van verdachte van 20 februari 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. In het rapport van de Reclassering Nederland van 18 maart 2026 wordt gerapporteerd dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat gelet op de stellig ontkennende houding van verdachte. Daardoor ziet de reclassering ook geen mogelijkheden voor behandeling.
Poging tot verkrachting is zonder twijfel een zeer ernstig feit waardoor – redenerend vanuit het doel van vergelding – in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Verdachte wordt dan langdurig uit de maatschappij weggehouden. Net als in vergelijkbare gevallen zal een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook vergaande consequenties hebben voor het werk en de woning van verdachte. Het zal voor hem enorme financiële consequenties hebben. En verdachte zal op die manier afdoende worden afgestraft voor hetgeen hij aangeefster heeft aangedaan.
In de onderhavige zaak spelen echter meer belangen dan alleen het afstraffen van verdachte door middel van een lange gevangenisstraf. Ook is van belang dat voorkomen moet worden dat verdachte denkt dat hij aangeefster kan blijven opeisen omdat zij voor de islam niet zijn gescheiden. Hij dient te beseffen dat zij zijn eigendom niet is en dat hij haar met rust moet laten. Daarmee komt het doel van preventie dus ook een zwaarwegend belang toe, naast het doel van vergelding.
Daarnaast spelen de belangen van hun minderjarige dochter [getuige 3] ook een belangrijke rol. Ondanks de onderhavige strafzaak en ondanks dat de discussie over het gezag over [getuige 3] voor veel tumult tussen verdachte en aangeefster heeft gezorgd, is er kennelijk wel een omgangsregeling tussen verdachte en [getuige 3] tot stand gekomen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat die omgangsregeling niet in het belang van [getuige 3] is. Bij de afdoening van deze zaak moet naar het oordeel van de rechtbank dus ook rekening moet worden gehouden met het feit dat een langdurige onvoorwaardelijk gevangenisstraf die omgangsregeling in ernstige mate zal doorkruisen.
Dit maakt dat de rechtbank dus rekening moet houden met verschillende strafdoelen en belangen, zodat het niet zonder meer passend is om een langdurige gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 13 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk onder de algemene voorwaarden dat verdachte gedurende een proeftijd van 3 jaren geen strafbare feiten pleegt, met daarnaast een onvoorwaardelijke maximale taakstraf van 240 uren, passend en geboden.
Daarnaast zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende dat verdachte gedurende twee jaren geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer] en dat verdachte zich gedurende twee jaren niet mag bevinden in [woonplaats] , uitgezonderd wanneer afspraken in het kader van de omgang met [getuige 3] plaatsvinden. Contact met [slachtoffer] is enkel toegestaan onder begeleiding van hulpverlenende instanties zoals Veilig Thuis en/of Jeugdbescherming Gelderland.
De rechtbank zal deze maatregel ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat de gedragsaanwijzing door dit vonnis komt te vervallen en de rechtbank wil voorkomen dat verdachte alsnog aangeefster zal opzoeken. Gelet op de uitlatingen van verdachte moet immers ernstig rekening worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster. De rechtbank zal daarbij bepalen dat verdachte voor elke overtreding van de maatregel een vervangende hechtenis van een week riskeert, met een maximum van 180 dagen.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 420,12 aan materiële schade en € 7.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair wordt eveneens verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe wordt aangevoerd dat aangeefster van het Schadefonds Geweldsmisdrijven reeds een tegemoetkoming van € 5.000,00 heeft ontvangen en dat niet duidelijk is dat de vermeende psychische klachten rechtstreeks gevolg zijn van het tenlastegelegde. Meer subsidiair wordt verzocht aansluiting te zoeken bij de tegemoetkoming van € 5.000,00 dat aangeefster van het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ontvangen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het de kosten voor het eigen risico en de medicatie tot een hoogte van € 420,12 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat met het door de verdachte gepleegde zedendelict een ernstige inbreuk is gemaakt op de integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, en gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dat de benadeelde door deze aantasting in haar persoon immateriële schade heeft geleden, is onderbouwd. Bovendien liggen door de aard en de ernst van de normschending de nadelige gevolgen daarvan voor de hand. De rechtbank is aldus van oordeel dat er immateriële schade is geleden die het rechtstreeks gevolg is van het door de verdachte gepleegde strafbaar feit. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 5.000,00 vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Het feit dat de benadeelde partij een bedrag heeft ontvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven maakt dit niet anders. Verdachte is immers rechtstreeks schadeplichtig aan de benadeelde partij. De benadeelde partij zal het schadefonds van dit vonnis in kennis dienen te stellen, waarna het aan het schadefonds is op welke wijze zij vervolgens zullen acteren. Dit staat los van de verplichting van verdachte om de geleden schade en de toegekende schadevergoeding te betalen.
Verdachte is vanaf 24 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 45 en 243 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
Vordering benadeelde partij
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende
- Een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende drie jaren niet bevindt in [woonplaats], uitgezonderd wanneer afspraken in het kader van de omgang met dochter [getuige 3] plaatsvinden;
en
- Een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende drie jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1977. Contact met haar is enkel toegestaan onder begeleiding van hulpverlenende instanties zoals Veilig Thuis en/of Jeugdbescherming Gelderland;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de
maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;