RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-215455-25 (+ tul 01-028799-22)
Datum uitspraak : 13 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
postadres aan de [adres 1], in [postcode 1] [woonplaats] ,
wonende aan het [adres 2], in [postcode 2] [woonplaats] .
raadsman: mr. J.M. van Dam, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Lochem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in uit/een winkel
- een hoeveelheid geld (in totaal 24.415,99 euro) en/of
- een of meer rollen muntgeld (in totaal 181,50 euro) en/of
- postzegels (met een totale waarde van 4.070,40 euro) en/of
- krasloten (met een totale waarde van 917,50 euro),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Kruidvat Lochem
AS Watson, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Lochem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
in uit/een winkel
- een hoeveelheid geld (in totaal 24.415,99 euro) en/of
- een of meer rollen muntgeld (in totaal 181,50 euro) en/of
- postzegels (met een totale waarde van 4.070,40 euro) en/of
- krasloten (met een totale waarde van 917,50 euro),
in elk geval enig goed,
dat geheel of ten dele toebehoorde aan Kruidvat Lochem AS Watson,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededaders,
en welk goed verdachte en/of zijn mededaders,
uit hoofde van zijn/haar/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten
verkoopmedewerkster in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich
hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, nu medeverdachte [medeverdachte] werkzaam was bij de Kruidvat en verdachte samen met haar het feit heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 januari 2025 rond 19.00 uur de Kruidvat in Lochem is binnengegaan. Op dat moment was medeverdachte [medeverdachte] als leidinggevende aan het werk in de Kruidvat. [medeverdachte] heeft verklaard dat de man, naar later bleek verdachte, haar aansprak met de vraag of hij gebruik mocht maken van het toilet. [medeverdachte] verschafte verdachte vervolgens toegang tot de kantoorruimte, waar zich ook de kluis bevindt. In de kantoorruimte heeft verdachte aan [medeverdachte] gevraagd de kluis te openen. [medeverdachte] heeft daarop de code van de kluis ingetoetst. [medeverdachte] vertelde verdachte dat het een 10 minutenkluis betrof. Verdachte ging daarop naar het toilet in het kantoor en bleef daar een paar minuten. Kort daarna kwam een collega van [medeverdachte] , binnen en vroeg om een product. Verdachte kwam, nadat de collega van [medeverdachte] weg was, weer uit het toilet, Nadat het tijdslot van 10 minuten van de kluis was verstreken, heeft verdachte de inhoud van de kluis en de telefoon van [medeverdachte] meegenomen en de winkel verlaten.
Uit de kluis is weggenomen een geldbedrag van € 24.415,99,-, € 181,50,- aan rollen muntgeld, € 917,50,- aan krasloten en € 4.070,40,- aan postzegels.
Door verbalisanten werd verdachte op de camerabeelden van de Kruidvat herkend als de overvaller. Verdachte heeft verklaard dat hij de man op de beelden van de Kruidvat is.
Uit de camerabeelden bleek dat [medeverdachte] om 19:08 uur met verdachte het kantoor binnen ging. Om 19:13 uur opende [medeverdachte] de deur van het kantoor en keek zij de winkel in, waarna ze de deur weer dicht deed. Om 19:15 uur kwam de collega van [medeverdachte] het kantoor binnen. Om 19:23 uur liep [medeverdachte] de winkel weer in en sloeg zij alarm.
De districtsmanager van de Kruidvat, [naam 1] , heeft verklaard dat geen klanten toegelaten mogen worden in de kantoorruimte en dat alle medewerkers van die regel op de hoogte zijn. Ook [naam 2] , medewerker van de Kruidvat in Lochem, heeft verklaard dat dit niet mag en dat deze regel in het handboek staat. De kluis wordt 1 keer per maand geleegd en dat stond gepland voor 25 januari 2025. In de kluis zat de opbrengst van kerst en oud en nieuw, waardoor er meer geld in de kluis zat dan normaal.
[medeverdachte] heeft verklaard dat op het moment dat zij aan het werk was en in het kantoor met de overvaller stond, dat zij haar telefoon in haar zak had. Als [medeverdachte] de winkel moest openen, was zij op de hoogte van de hoeveelheid geld in de kluis. Dat was ongeveer 2 keer in de week. [medeverdachte] verklaarde ook dat zij wist dat als er een code met één cijfer hoger of lager wordt ingetoetst op de kluis, dat deze opengaat én dat er een onopvallend signaal naar de meldkamer van de politie gaat.
[medeverdachte] wilde niet haar inloggegevens van Find my Iphone geven, ondanks dat de politie liet weten dat ze niet geïnteresseerd waren in foto’s, maar haar telefoon wilde opsporen zodat ze verder zouden kunnen met het onderzoek.
[medeverdachte] zag dat haar weggenomen telefoon zich in de nacht van 10 op 11 januari 2025 bevond aan de [adres 3] in [plaats 1] en aan de [adres 4] in [plaats 2] . Daarop werden de mastgegevens opgevraagd over deze locaties. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bleek het enige telefoonnummer te zijn dat die nacht heeft aangestraald op beide masten op de locaties in [plaats 1] en [plaats 2] . Dit telefoonnummer bleek in gebruik te zijn bij [naam 3] . [medeverdachte] heeft verklaard dat zij [naam 3] kende en in januari 2025 een relatie met hem had.
In de iPhone 11 van [medeverdachte] , die zij na de overval tijdelijk in gebruik had, stond het telefoonnummer [telefoonnummer 2] opgeslagen onder de naam ‘‘M’’. Uit de politiesystemen kwam naar voren dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] in 2024 is gekoppeld aan verdachte. Verdachte is een contact van [naam 3]
Conclusie
Verdachte heeft op 10 januari 2025 de inhoud van de kluis van de Kruidvat in Lochem meegenomen.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] in strijd met de bedrijfsregels [verdachte] toegang heeft verschaft tot de kantoorruimte waarin zich de kluis bevond. Uit de verklaringen van de districtsmanager en een medewerker van de Kruidvat is naar voren gekomen dat deze regels voor alle medewerkers golden en duidelijk waren. Daarnaast had [medeverdachte] op meerdere momenten tijdens de overval de gelegenheid om zich aan de situatie te onttrekken of hulp in te roepen, door bijvoorbeeld het stilalarm op de kluis te activeren of haar collega in te seinen toen hij het kantoor binnen kwam. Maar ook had zij weg kunnen lopen uit het kantoor of haar telefoon kunnen gebruiken toen de overvaller op het toilet verstopt zat. De telefoon zat immers in haar zak. Bovendien verklaart [medeverdachte] niet dat zij is bedreigd vóórdat ze de code van de kluis intoetste. [medeverdachte] heeft niet verklaard waarom zij tijdens de overval zelf de deur van het kantoor heeft geopend om de winkel in te kijken. Ook heft zij niet verklaard waarom zij toen niet de winkel in is gegaan om hulp te roepen of om uit de volgens haar dreigende situatie te stappen.
Verder is ook het tijdsverloop van betekenis. Uit de camerabeelden blijkt dat tussen het moment van het kantoor ingaan en het naar buiten lopen door [medeverdachte] ruim 15 minuten zit, terwijl de kluis door het tijdslot na 10 minuten opengaat. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] aldus niet direct na afloop van het incident alarm heeft geslagen, iets wat wel voor de hand ligt in een dergelijke dreigende situatie. [medeverdachte] had, zoals in de vorige alinea overwogen, niet alleen na afloop, maar ook gedurende het incident meerdere momenten de gelegenheid om hulp in te roepen of alarm te slaan, zonder dat zij daarvan gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt verder dat er een relatie lijkt te bestaan tussen verdachte en [medeverdachte] , [medeverdachte] had niet alleen het nummer dat gekoppeld kan worden aan verdachte in haar tijdelijke telefoon opgeslagen, ook bevond haar eigen telefoon, die door de overvaller was meegenomen, zich kort na het incident op dezelfde locaties als van [naam 3] , met wie [medeverdachte] op dat moment een relatie had. Bovendien kennen verdachte en [naam 3] elkaar. Deze omstandigheden wijzen op een onderling verband dat het scenario van een willekeurige overval onaannemelijk maakt. Dat wordt verder onderstreept door het feit dat verdachte in [plaats 2] woonachtig is, maar een overval heeft gepleegd in Lochem, precies bij de Kruidvat waar [medeverdachte] werkzaam was en waar er veel geld in de kluis lag. [medeverdachte] was door haar leidinggevende functie bekend met de de hoeveelheid geld in de kluis en dat er op dat moment meer in de kluis lag dan normaal.
Tot slot is het opmerkelijk dat [medeverdachte] niet de inloggegevens van Find my Iphone wilde geven aan de politie, ondanks het gegeven dat de politie liet weten niet op zoek te zijn naar foto’s, maar te willen onderzoeken waar haar telefoon die zou zijn weggenomen zich bevond.
Alle feiten en omstandigheden in onderling samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de overval in scène hebben gezet. Daardoor hebben verdachten zich samen schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.
Verdachte verschafte zich namelijk door middel van [medeverdachte] toegang tot de kantoorruimte van de Kruidvat, welke voor klanten niet toegankelijk is, en heeft zich vervolgens samen met [medeverdachte] in die ruimte begeven. [medeverdachte] had als vast onderdeel van haar werkzaamheden toegang tot de kluis. Immers opende zij ongeveer 2 keer per week de Kruidvat en moest dan het geld uit de kluis tellen. [medeverdachte] was als medewerkster van de Kruidvat daarom bevoegd en in staat de kluis te openen.
Gelet op het voorgaande is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft door het openen van de kluis de loten, de postzegels en het geld ter beschikking gesteld aan verdachte. De inhoud is vervolgens door verdachte meegenomen uit de winkel. Daarmee hebben zij gezamenlijk gehandeld met het oogmerk zich deze goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Nu [medeverdachte] de goederen uit hoofde van haar dienstbetrekking onder haar had, is er sprake van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte heeft hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd en kan daarom als medepleger worden aangemerkt. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 10 januari 2025 te Lochem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in uit/een winkel
- een hoeveelheid geld (in totaal 24.415,99 euro) en/of
- een of meer rollen muntgeld (in totaal 181,50 euro) en/of
- postzegels (met een totale waarde van 4.070,40 euro) en/of
- krasloten (met een totale waarde van 917,50 euro),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Kruidvat Lochem
AS Watson, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair:
medeplegen van verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft ook gevraagd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er bij de strafoplegging moet worden volstaan met onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder ziet de raadsman geen reden tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis, nu verdachte tijdens de schorsing heeft meegewerkt aan de voorwaarden, er geen nieuwe verdenkingen zijn ontstaan en de enkele reden dat er een mogelijk langere gevangenisstraf wordt opgelegd dan de duur van de voorarrest geen reden is om de schorsing op te heffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van een geënsceneerde overval op de Kruidvat. Daarbij is er erg geraffineerd te werk gegaan: op het moment van de geënsceneerde overval heeft [medeverdachte] – en dus ook verdachte - moeten weten dat de hoeveelheid geld die in de kluis lag door de feestdagen aanzienlijk hoger was dan normaal. Door het geldbedrag, postzegels en loten weg te nemen is er inbreuk gemaakt op het eigendom van de Kruidvat. Verdachte heeft daarbij uitsluitend gehandeld uit financieel gewin en geen oog gehad voor de gevolgen.
Persoon van verdachte
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 31 oktober 2025 blijkt dat verdachte in 2023 onherroepelijk is veroordeeld voor een inbraak, waardoor er sprake is van recidive.
Uit het reclasseringsrapport van 24 oktober 2025 volgt dat het negatieve sociale netwerk en de houding van verdachte als risicofactoren worden beschouwd. Het is gelet op de schulden van verdachte aannemelijk dat ook zijn financiële situatie een rol heeft gespeeld in de totstandkoming van het delictgedrag. De reclassering ziet geen beschermende factoren in het leven van verdachte.
De straf
In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee de relatief jonge leeftijd van verdachte. Daartegenover staat dat verdachte een actieve rol heeft vervuld bij het plegen van het feit en heeft samengewerkt met een ander. Ook liep verdachte in een proeftijd vanwege de veroordeling in 2023 voor een soortgelijk feit. De proeftijd heeft verdachte er niet van weerhouden een strafbaar feit te plegen. Gelet op de ernst van het feit en dat verdachte als een gewaarschuwd mens gold, ziet de rechtbank geen aanleiding om te volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende is door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank ziet echter geen reden om over te gaan tot opheffing van de schorsing. Het feit dat bij het vonnis een langere vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, levert op zichzelf onvoldoende grond voor opheffing van de schorsing. Verdachte heeft de schorsingsvoorwaarden nageleefd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij Kruidvat AS Watson heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €29.403,80,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en vordert de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat (de hoogte van) de schadevordering niet is betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade volledig kan worden toegewezen voor het bedrag van €29.403,80,-.
Verdachte is vanaf 10 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet af van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Omdat de benadeelde partij een rechtspersoon is, gaat de rechtbank ervan uit dat in deze zaak geen extra inspanning van de Staat nodig zal zijn bij het incasseren van het geld bij verdachte, als verdachte niet uit zichzelf betaalt.
De rechtbank overweegt dat verdachte en haar medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag hoofdelijk kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 01-028799-22)
De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte op 9 mei 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 234 dagen waarvan 210 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
De raadsman heeft bepleit dat de voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden omgezet in een taakstraf.
toewijzing
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf, gelet op de ernst van het feit en aangezien verdachte als een gewaarschuwd mens gold. De rechtbank zal de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer leggen.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 47 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Beslissing op de vordering tenuitvoerlegging
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 9 mei 2023 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 210 dagen (parketnummer 01-028799-22).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. A.T.G van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2026.