uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,
Bewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers
(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),
en
de minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder
(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V. uit Rotterdam, Rotterdam Airport
(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, mr. W.J.L. Zwaan, [persoon E] en [persoon F]. Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G], [persoon H] en [persoon I] als deskundige namens Rotterdam Airport.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek tot handhavend optreden aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
3. Rotterdam Airport heeft op 1 oktober 2020 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ gepubliceerd en ter inzage gelegd.
Op 12 mei 2022 hebben eisers verweerder verzocht om (preventief) handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Eisers vrezen dat de Wet natuurbescherming (Wnb) zal worden overtreden omdat op het terrein van Rotterdam Airport (de luchthaven) meer vliegtuigbewegingen plaatsvinden dan zijn toegestaan in de referentiesituatie, terwijl Rotterdam Airport niet over een natuurvergunning beschikt (het handhavingsverzoek).
Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 16 maart 2023 afgewezen (het primaire besluit). Volgens verweerder was ten tijde van het primaire besluit sprake van een overtreding, omdat Rotterdam Airport niet beschikte over de vereiste natuurvergunning voor de exploitatie van de luchthaven. Volgens verweerder bestond echter concreet zicht op legalisatie van deze overtreding, omdat een natuurvergunning was aangevraagd en een ontwerpnatuurvergunning ter inzage had gelegen. Handhavend optreden achtte verweerder onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen natuurbelangen. Volgens verweerder was sprake van aanzienlijke bestaande rechten en leidde het project niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied.
In het besluit van 29 september 2023 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Leeswijzer
4. De rechtbank bespreekt eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden in strijd is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder, voordat werd besloten om niet tot handhavend optreden over te gaan, een gebrekkige belangenweging heeft uitgevoerd.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuurbescherming het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 12 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft verweerder kunnen besluiten dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding?
6. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport, omdat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Eisers betogen dat de ontwerpnatuurvergunning al dateert van 2021 en twee en een half jaar later, ten tijde van de beslissing op bezwaar, daarom geen sprake meer kon zijn van concréét zicht op legalisatie van de overtreding. Verder stellen eisers dat Rotterdam Airport in haar aanvraag berekeningen heeft aangeleverd die een onjuist en veel te hoog beeld van de referentiesituatie opleverden. Daarbij merken eisers op dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van het project zoals het nu in werking is, als de verwachting bestaat dat er maatregelen getroffen moeten worden.
Verweerder voert hierover aan dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht was op legalisatie van de overtreding en dat daarom het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Verweerder stelt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de ontwerpnatuurvergunning was gepubliceerd waarin de overtreding waarop het handhavingsverzoek zag, past. Dat er aanvullende gegevens zijn opgevraagd aan Rotterdam Airport heeft niet tot gevolg dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de omstandigheid dat veel tijd is verstreken tussen de publicatie en de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de beslissing op bezwaar niet tot gevolg heeft dat verweerder niet alsnog een natuurvergunning kon verlenen. Daarbij merkt verweerder op dat de aanvraag voor de natuurvergunning inmiddels op 17 juni 2024 (positief) is afgewezen.
Rotterdam Airport stelt zich eveneens op het standpunt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De enkele omstandigheid dat de aanvraag voor de natuurvergunning na de ontwerpnatuurvergunning is aangepast maakt dat niet anders, aldus Rotterdam Airport.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op 15 februari 2021 een ontwerpbesluit voor verlening van een natuurvergunning heeft gepubliceerd. In deze ontwerpnatuurvergunning heeft verweerder onder meer het volgende besloten: ‘Op deze aanvraag is de uniforme voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, van toepassing. Ik verleen u de gevraagde vergunning. In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die aan de vergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.’
‘De vergunning is aangevraagd voor het project Exploitatie Rotterdam The Hague Airport (verder: project) en omvat de volgende activiteiten:
Luchtgebonden activiteiten
- Het landen, stijgen en taxiën zoals toegestaan in de referentiesituatie en conform het Aanwijzingsbesluit 2001 voor maximaal 24.923 vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer.
- Uit het Aanwijzingsbesluit 2001 vloeit, naast het aantal hiervoor genoemde vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer, ook een aantal vliegtuigbewegingen voort onder de naam General aviation. Dit aantal is bepaald op 61.402 en wordt niet afzonderlijk in de aanvraag genoemd, maar is wel conform het Aanwijzingsbesluit 2001 en daarmee onderdeel van het project. General aviation is passend beoordeeld en de stikstofeffecten maken onderdeel uit van de stikstofberekeningen.
Grondgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omgevingsvergunning.
Gebruik auxiliary power units (APU); gebruik van een kleine motor in het vliegtuig die het vliegtuig van stroom voorziet anders dan voor voortstuwing.
Het in gebruik hebben van Ground Power Units (GPU) een externe bron die geparkeerde vliegtuigen van stroom voorziet;
Proefdraaien. Het testdraaien van motoren terwijl een vliegtuig stil staat en opgesteld staat op één van de proefdraaiplaatsen;
Platformverkeer, te weten het gebruiken en in werking hebben van alle voertuigen en mobiele werktuigen op en rond het platform.
De verkeersaantrekkende werking, het wegverkeer van en naar de luchthaven inclusief verkeer als taxi’s en bussen voor het halen en brengen van passagiers, is geen afzonderlijke deelactiviteit. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project heeft wel gevolgen voor de stikstofemissie en -depositie. Dit onderdeel is daarom wel betrokken in de effectbeoordeling.
Niet als onderdeel van de effectbeoordeling is meegenomen de verwarming van gebouwen omdat dit gebeurt met gebruikmaking van Warmte Koude Opslag. Daarbij wordt (nagenoeg) geen gebruik gemaakt van fossiele brandstof en is er ook geen bijdrage aan stikstofemissie of -depositie.’
In de beslissing op bezwaar heeft verweerder onder meer het volgende opgenomen: ‘Uw bezwaren heb ik zorgvuldig beoordeeld en het besluit getoetst aan het wettelijk kader. De conclusie is dat uw bezwaren ongegrond zijn. Hierna kunt u lezen waarom
(…)
Overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb
Bij besluit van 29 september 2020 is vastgesteld dat (vooralsnog) sprake is van een overtreding, nu RTHA niet over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb beschikt. (…) Dit neemt niet weg dat voor RTHA een vergunning is aangevraagd en dat er ook al een ontwerpbesluit is genomen dat strekt tot vergunningverlening. Er zijn nadere gegevens opgevraagd, maar er is geen reden om ervan uit te gaan dat geen definitief besluit genomen zal worden dat in toestemming voorziet voor de luchthaven. Zoals uit het hierna volgende zal blijken, is dat concreet zicht op legalisatie reden om niet tot handhaving over te gaan.
(…) Gelet op de omstandigheid dat ik nog altijd voornemens ben om de gevraagde vergunning te verlenen, ben ik van mening dat gezien de vaste jurisprudentie van de Afdeling nog altijd zicht op legalisatie bestaat. Het feit dat ik naar aanleiding van ingediende zienswijzen heb besloten om een nieuwe berekening op basis van een realistisch vlootscenario op te vragen, maakt het vorenstaande niet anders.
Het uitgangspunt blijft immers hetzelfde, namelijk dat RTHA aanzienlijke rechten heeft verworven (ook wel de referentiesituatie). Dit is een wezenlijke andere situatie dan die waarin voor een geheel nieuwe activiteit een vergunning wordt aangevraagd. (…)
In het handhavingsverzoek hebben eisers onder meer het volgende opgenomen:‘Namens cliënten verzoek ik u daarom om zo spoedig mogelijk een (al dan niet preventieve) bestuursdwangaanschrijving dan wel een effectieve (al dan niet preventieve) dwangsomaanschrijving uit te doen aan Rotterdam The Hague Airport, teneinde de overtreding van de Wet natuurbescherming te (doen) beëindigen en beëindigd te laten, c.q. te voorkomen dat het bedrijf de Wet natuurbescherming weer overtreedt, door meer stikstof op Natura 2000-gebieden te deponeren dan op basis van de referentiesituatie is toegestaan.’
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dit laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst dienen te worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Wanneer de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen kan volgens vaste rechtspraak concreet zicht op legalisatie bestaan als ten minste een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd waarin het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past. In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisatie van de overtreding, indien op voorhand duidelijk is dat die omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. In een procedure als de onderhavige bestaat daarom enige ruimte voor een beoordeling van die omgevingsvergunning, maar uitsluitend in die zin of op voorhand duidelijk is dat die geen rechtskracht zal verkrijgen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken wanneer het gaat om natuurvergunningen.
De rechtbank stelt voorop dat blijkens de rechtspraak van de Afdeling het onvoldoende is dat aangevraagde natuurvergunning mogelijk kan worden vernietigd, om aan te nemen dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank dient te beoordelen of op voorhand vast staat dat de ontwerpvergunning geen rechtskracht krijgt.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen natuurvergunning was verleend voor de exploitatie van de luchthaven en dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek van eisers ziet, past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning. De aanvraag omvatte namelijk de referentiesituatie, ongeacht wat de omvang van de referentiesituatie is. Daarentegen staat wel ter discussie tussen partijen of op voorhand vast stond dat de ontwerpnatuurvergunning geen rechtskracht ging krijgen en dat er te veel tijd was verstreken sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning.
De rechtbank oordeelt dat verweerder in de beslissing op bezwaar heeft kunnen besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning en niet op voorhand duidelijk was dat de uiteindelijke natuurvergunning niet verleend kon worden. Dat Rotterdam Airport na de publicatie en de terinzagelegging van de ontwerpnatuurvergunning nog aanvullende gegevens moest aanleveren, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat daarom verweerder niet kon besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De verwijzing van eisers naar de rechtspraak van de Afdeling waarom in dit geval geen sprake kon zijn van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, gaat niet op. In die betreffende procedures was geen sprake van een publicatie of een ter inzage gelegd ontwerpbesluit dan wel werd in de betreffende procedures de bestaande strijdige situatie niet gelegaliseerd met de (aangevraagde) vergunning. Wat betreft de stelling van eisers dat de natuurvergunning ten tijde van de beslissing op bezwaar al een periode van ongeveer twee en een half jaar een ontwerp was, overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat verweerder om die reden niet kon aannemen dat er concreet zicht op legalisatie van de overtreding was. Zoals verder in deze uitspraak zal blijken, speelt dit laatste gegeven wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet over te gaan tot handhavend optreden door verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.
Rol van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn
7. Eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden door verweerder een schending oplevert van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Eisers stellen onder meer dat verweerder onvoldoende passende maatregelen treft door niet handhavend op te treden.
Verweerder voert hierover aan dat het treffen van een passende maatregel niet aan de orde kan komen in het kader van een handhavingsverzoek van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Volgens verweerder is het in een handhavingsprocedure aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een overtreding van een wettelijke bepaling. Een verzoek om passende maatregelen te treffen kent volgens verweerder een afzonderlijke juridische grondslag en een ander toetsingskader.
De rechtbank overweegt dat in onderhavige procedure alleen ter beoordeling voorligt of verweerder kon besluiten dat Rotterdam Airport een overtreding begaat en vervolgens of verweerder handhavend moest optreden tegen Rotterdam Airport. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn en daaropvolgend artikel 2.4 van de Wnb kan Rotterdam Airport niet overtreden, omdat zij immers geen normadressant is van deze bepalingen. Deze bepalingen zijn immers geschreven als bevoegdheden van de overheid in het kader van haar verplichting om de kwaliteit van de habitats te bevorderen. Bovendien heeft verweerder daarom het handhavingsverzoek van eisers mede gekwalificeerd als een verzoek om passende maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb. De stellingen van eisers over de hoeveelheid stikstofdepositie en de staat van de natuur, wat ook van deze stellingen zij, maken niet dat verweerder in strijd handelt met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn als niet handhavend wordt opgetreden tegen de overtreding. Verweerder geeft immers geen toestemming voor het project, maar treedt enkel niet handhavend op tegen de overtreding. Zoals hierna wordt overwogen, spelen deze omstandigheden wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet alsnog tot handhavend optreden over te gaan tegen Rotterdam Airport. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de belangenafweging van verweerder in de beslissing op bezwaar gebrekkig?
8. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen dan wel een gebrekkige belangenafweging heeft verricht in de beslissing op bezwaar. Eisers voeren daartoe aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het algemene belang dat is gediend bij handhaving van de normen uit de Wnb. Daarentegen heeft verweerder disproportioneel veel gewicht toegekend aan het (met name economische) belang dat is gediend bij voortzetting van de exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar de slechte staat van de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de hoge stikstofbelasting. Verder heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat het (gedeeltelijk) afschalen van de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven tot de referentiesituatie leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van Rotterdam Airport.
Verweerder voert hierover aan dat volgens hem geen sprake was van een situatie waarbij hij verplicht was tot handhavend optreden tegen Rotterdam Airport. Verweerder stelt dat hij in de beslissing op bezwaar heeft toegelicht dat het natuurbelang niet vereiste dat de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven werden beëindigd totdat het moment dat de vereiste natuurvergunning was verleend. Daarentegen zou het beëindigen van de exploitatie van Rotterdam Airport grote financiële en maatschappelijke gevolgen hebben gehad, aldus verweerder.
Zoals de rechtbank onder 6.10 heeft overwogen heeft verweerder, ten tijde van de beslissing op bezwaar, kunnen besluiten dat er een concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestond. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het bevoegd gezag bij een concreet zicht op legalisatie van een overtreding niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening moet houden met de omstandigheden van het concrete geval.
De rechtbank oordeelt dat de verrichte belangenafweging door verweerder onvoldoende was om te kunnen besluiten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Dat verweerder, ondanks het feit dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, in de beslissing op bezwaar wel een belangenafweging heeft gemaakt, brengt geen verandering in dit oordeel. Deze belangenafweging vertoont namelijk een aantal gebreken. Enerzijds heeft verweerder te veel gewicht toegekend aan de gevolgen die Rotterdam Airport ondervindt wanneer verweerder handhavend zou optreden. Verweerder is er in de beslissing op bezwaar namelijk ten onrechte van uitgegaan dat de gehele exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport stilgelegd dient te worden, wanneer hij handhavend zou optreden tegen Rotterdam Airport. In het handhavingsverzoek is alleen opgenomen dat handhaving zou moeten plaatsvinden voor zover zonder natuurvergunning buiten de referentiesituatie wordt getreden. Anderzijds heeft verweerder alleen de (maximale) hoeveelheid stikstofdepositie op de meest belaste hexagoon benoemd, maar niet de depositie op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt en daarbij de staat van de Natura 2000-gebieden betrokken. Tot slot heeft verweerder in de belangenafweging ook niet onderkend dat sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning tot het moment van de beslissing op bezwaar meer dan 2,5 jaar waren verstreken. De beslistermijn van 6 maanden was dus ruimschoots overschreden. Gelet op het voorgaande had verweerder de relevante belangen onvoldoende geïnventariseerd en is daarmee deze belangenafweging gebrekkig. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De verrichte belangenafweging door verweerder was namelijk onvoldoende om te besluiten om niet handhavend op te treden jegens Rotterdam Airport. Verweerder dient opnieuw een belangenafweging te maken met betrekking tot het wel of niet handhavend optreden jegens Rotterdam Airport, ondanks de omstandigheid dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Omdat het besluit tot het (positief) weigeren van de aanvraag van Rotterdam Airport in procedure ARN 24/5175 is vernietigd en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat er aanvullende stukken moeten worden ingediend om deze aanvraag te completeren, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting. Zij zal verweerder daarom opdragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In deze nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, eveneens de tijdspanne te betrekken tussen de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers.
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers in de beroepsfase gemaakt proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.