RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/230991-25 + 05/248799-24 (TUL)
Datum uitspraak : 15 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in [woonplaats] (Duitsland),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. F.H.J. de Graaf, advocaat in Tilburg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, en/of te [woonplaats] , althans in Duitsland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een kussen en/of een deken, althans stoffen voorwerpen, op het gezicht en/of de mond van voornoemde [slachtoffer] heeft gezet en/of gedrukt en/of gehouden, terwijl hij, verdachte, vervolgens en/of tegelijkertijd (met zijn, verdachtes, hele lichaamsgewicht) op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] zat/drukte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 februari 2025 tot en met 15 augustus 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, en/of te [woonplaats] , althans in Duitsland, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door (met kracht)- op/tegen het gezicht en/of lichaam te slaan en/of stompen en/of- aan de armen en/of de hand en/of de vingers, althans het lichaam vast te pakken en/of vast te houden en/of- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of voorhoofd te slaan en/of voornoemde [slachtoffer] van de trap te duwen en/of (vervolgens) op de rug en/of schouders te slaan en/of stompen en/of- de hand van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/(vervolgens) voornoemde [slachtoffer] te laten struikelen en ten val te brengen door zijn, verdachtes, voet voor haar benen te zetten/plaatsen, en/of- een kussen en/of een deken, althans stoffen voorwerpen, op het gezicht en/of de mond van voornoemde [slachtoffer] te zetten en/of drukken en/of houden terwijl hij, verdachte, vervolgens en/of tegelijkertijd (met zijn, verdachtes, hele lichaamsgewicht) op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] zat, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3.hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 juli 2025 tot en met 8 juli 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, en/of te [woonplaats] , althans in Duitsland, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden, door de woning aan [adres] te (laten) leeghalen, althans (een deel van) het meubilair weg te (laten) doen/halen en/of de hulpverlening van voornoemde [slachtoffer] te (laten) beëindigen en/of de uitkering van voornoemde [slachtoffer] te (laten) stoppen om voornoemde [slachtoffer] te dwingen en/of laten dulden naar Duitsland te verhuizen, althans mee te gaan naar Duitsland;
4.hij op of omstreeks 24 september 2025 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 24 september 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Nederland door zich op 24 september 2025 omstreeks 17:00 uur samen met de in de gedragsaanwijzing genoemde persoon in Utrecht te bevinden en/of (telefonisch) contact te zoeken/hebben met de in de gedragsaanwijzing genoemde persoon.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, feit 2 en feit 4 ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 1 is naar voren gebracht dat op basis van de verklaring van aangeefster en de foto’s die van haar gezicht zijn gemaakt, kan worden bewezen dat sprake is geweest van poging tot zware mishandeling. Door een kussen of deken in het gezicht van aangeefster te drukken en door op haar te gaan zitten, kan sprake zijn van een belemmering van de zuurstoftoevoer naar de hersenen. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aldus de officier van justitie.
De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte van feit 3 moet worden vrijgesproken. Op basis van de aangifte is niet vast komen te staan dat verdachte aangeefster heeft gedwongen om bij hem te komen wonen en daarvoor haar huur op te zeggen, afstand te doen van meubilair en haar uitkering en hulpverlening te beëindigen.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft bepleit dat verdachte van feit 1 en feit 2 moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Het dossier bevat voor de in de aangifte genoemde incidenten geen steunbewijs. Bovendien heeft aangeefster ten aanzien van een aantal incidenten verklaard er geen pijn of letsel aan over te hebben gehouden.
Ook ten aanzien van feit 3 is door de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De rechtbank kan niet de overtuiging bekomen dat de verhuizing naar Duitsland tegen de wil van aangeefster was. Verdachte en aangeefster hebben gezamenlijk besloten naar Duitsland te verhuizen. Daar komt bij dat aangeefster, gelet op haar verklaring, wel degelijk in staat was om weerstand te bieden aan de (vermeende) dwang door verdachte.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijspraak feit 1
Aangeefster heeft op 18 augustus 2025 verklaard dat sinds twee à drie weken als zij en verdachte ruzie kregen, verdachte een deken pakte en over haar hoofd deed. Verdachte ging dan op haar zitten op de bank. Als aangeefster schreeuwde, deed hij ook nog een kussen op haar gezicht. Verdachte schreeuwde dan dat aangeefster stil moest zijn en haalde de deken en het kussen pas weg als zij haar mond hield. In het dossier bevindt zich naast de verklaringen van aangeefster een drietal foto’s van aangeefster met een rood aangelopen gezicht/rode wangen. Aangeefster heeft verklaard dat zij deze foto’s heeft gemaakt nadat verdachte een kussen op haar hoofd had gedrukt. Verdachte betwist dit.
De rechtbank is van oordeel dat de foto’s onvoldoende steun bieden aan de verklaring van aangeefster dat verdachte haar heeft geprobeerd te smoren. Niet is uit te sluiten dat er een andere, aannemelijke verklaring is waarom aangeefster op de foto een rood aangelopen gezicht heeft, bijvoorbeeld dat aangeefster overstuur was doordat zij net ruzie met verdachte had gehad, zoals hij heeft verklaard. In het dossier zit verder geen bewijsmateriaal ten aanzien van dit feit. Op grond van de wet kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet op maar één bewijsmiddel worden gebaseerd. Alleen de verklaring van aangeefster is dus onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daar dan ook van vrij.
Vrijspraak feit 3
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangeefster heeft gedwongen haar woning leeg te (laten) halen en haar hulpverlening en uitkering te beëindigen met als doel om haar te dwingen te verhuizen naar zijn woning in Duitsland. Aangeefster heeft hierover verklaard dat verdachte het idee had om haar woning leeg te halen, omdat hij wilde dat zij bij hem kwam wonen, zodat aangeefster rust zou krijgen en geen bemoeienis meer zou hebben van de hulpverlening. Aangeefster heeft verklaard dat zij geen ‘nee’ durfde te zeggen en dat haar dit ook wel wat leek, omdat ze geen bewindvoering wilde en dacht dat verdachte goede intenties met haar had en een toekomst met haar wilde opbouwen. Zij heeft ook verklaard dat zij haar uitkering niet heeft stopgezet en haar huurcontract niet heeft opgezegd.
De rechtbank overweegt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen dat aangeefster zich gedwongen heeft gevoeld om (een deel van) haar woning leeg te (laten) halen. Dat aangeefster er achteraf wellicht spijt van heeft gehad, maakt dit niet anders. Van de juridisch vereiste ‘dwang’ is dus geen sprake. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder feit 3 tenlastegelegde vrijspreken.
Feit 2: mishandeling levensgezel
Verklaringen aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar op meerdere momenten heeft mishandeld. Zij heeft hierover onder meer het volgende verklaard.
Half februari 2025 was aangeefster in de woning van verdachte en begon verdachte haar na een verbale ruzie te slaan. Hij raakte haar op haar onderarmen en pakte op een gegeven moment haar linkerhand vast. Aangeefster voelde toen een hevige pijn in haar linkerhand. Naderhand ging zij naar het ziekenhuis en bleek na het maken van foto's dat zij een breuk had in het middenhandsbeentje van haar linkerhand. Haar hand is in het gips gezet. Op een gegeven moment was zij klaar met het gips en de dag van de rechtszaak (20 maart 2025) kwam eraan. Aangeefster heeft hierdoor besloten het gips er af te laten halen. Zij wilde niet dat de rechter haar hand in het gips zag en vragen daarover zou stellen. Verder heeft aangeefster verklaard dat zij op 18 juni 2025 in de woning van verdachte was en verdachte haar met kracht met zijn rechtervuist klappen in haar gezicht gaf. Hij sloeg haar op haar voorhoofd en dit deed aangeefster erg pijn. Hierop bleef hij haar met gebalde vuist op haar rug en schouders slaan. Ook heeft zij verklaard dat zij op 15 augustus 2025 met verdachte in zijn woning was en zij ruzie kregen. Verdachte pakte aangeefster toen met kracht bij haar linker onderarm vast, wat haar erg veel pijn deed. Toen aangeefster probeerde weg te lopen, liet verdachte haar struikelen door zijn voet voor haar benen te zetten. Aangeefster viel toen op haar knieën, wat pijn deed. Door het vastpakken en het struikelen had aangeefster blauwe plekken op haar linkerarm en beide knieën.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen te twijfelen. Haar verklaringen zijn gedetailleerd, consistent en gespecificeerd over wat er gebeurd zou zijn. Aangeefster heeft aan de hand van specifieke gebeurtenissen (zoals de rechtszaak op 20 maart 2025, aanwezigheid van de Duitse politie) over de incidenten verklaard. Ook zijn haar verklaringen authentiek. Aangeefster belast bijvoorbeeld ook zichzelf, aangezien zij ook haar eigen aandeel in de dynamiek tussen haar en verdachte benoemt en verklaart dat zij verdachte ook heeft geslagen. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat in gevallen van huiselijk geweld zich vaak de situatie voordoet dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat hun verklaringen niet volledig overeenkomen. Dat is ook in deze zaak het geval.
Van belang is dat op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige. Alleen de verklaring van aangeefster is dus onvoldoende. Nu verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, moet de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging.
Februari 2025
Verdachte heeft verklaard dat hij en aangeefster in de periode van 1 februari 2025 tot en met 15 augustus 2025 erg vaak heftige ruzies hadden. Ook verklaarde hij ter terechtzitting dat aangeefster ten tijde van de rechtszaak in maart 2025, letsel had aan haar hand.
In het dossier bevindt zich verder een foto van een linkerhand in het gips, die volgens aangeefster is genomen na de mishandeling, half februari 2025.
18 juni 2025
Uit de politiesystemen is naar voren gekomen dat wijkagent [agent] heeft beschreven dat zij op 18 juni 2025 werd gebeld door een buurvrouw van de moeder van aangeefster. Aangeefster had een andere buurvrouw, [buurvrouw] , benaderd op WhatsApp dat zij in elkaar geslagen werd door verdachte. De wijkagent kreeg later via de Duitse politie te horen dat aangeefster door verdachte was mishandeld en dat aangeefster de voordeur van verdachte had ingetrapt. Later vertelde aangeefster haar dit ook.
In het dossier bevindt zich een tweetal foto van het voorhoofd van aangeefster met zichtbaar letsel. Volgens aangeefster zijn deze foto’s door de wijkagent gemaakt kort na de mishandeling op 18 juni 2025.
15 augustus 2025
In het dossier bevinden zich foto’s van verkleuringen op een onderarm en knieën. Deze foto’s zijn volgens aangeefster genomen na de mishandelingen op 15 augustus 2025.
In het (huisartsen)journaal van aangeefster staat onder meer het volgende, letterlijk weergegeven:
(…)
O Knie rechts: 2 handpalmgrootte hematoom boven de patella, strekapparaat is intact, geen drukpijn aover laterale en mediale gewrichtsspleet. patella normaal mobiel en niet pijnlijk, glad oppervlak. Er lijkt een soort corpus librum voor de patella te liggen die vrijuit te bewegen is. (DD in de bursa?), enkele mm groot, glad oppervlak. Zwelling van de suprapetellaire en prepattelaire bursa, geen tekenen van infectie.
E Klacht knie.
P Zeer lage verdenking op ossaal letsel, wel opgezwollen bursa's. Corpus librum waarschijnlijk al langer bestaand gezien compleet afgerond. X-onderzoek voor dossier vorming en uitsluiting van fractuur. Tav compleet lichamelijk onderzoek; dit lijkt me geen taak voor de huisarts, indien de politie informatie wenst kunnen ze dit opvragen. Willen ze een onderzoek naar oude letsels lijkt me dit voor een forensisch arts. Wenst graag te spreken met POH-GGZ. Lijkt me een heel goed plan;
Beoordeling rechtbank
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, zoals hierboven al naar voren is gekomen, dat er sprake was van meerdere, vaak heftige ruzies tussen hem en aangeefster. Volgens hem was er bij deze ruzies sprake van schreeuwen, dreigen en met voorwerpen gooien, maar was er geen sprake van fysiek geweld, zoals wel door aangeefster is verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat de verklaringen van aangeefster ten aanzien van dit fysieke geweld op verschillende punten steun vinden in bovengenoemde onderdelen van het procesdossier Zo heeft verdachte zelf verklaard dat aangeefster rond de rechtszaak van 20 maart 2025 letsel aan haar hand had en bevinden zich daarnaast verschillende foto’s in het dossier die het letsel tonen dat aangeefster tijdens de drie hiervoor genoemde incidenten heeft opgelopen. Haar verklaring over het incident op 18 juni 2025 wordt – naast de foto’s – ondersteund door het proces-verbaal van de wijkagent. Het letsel dat aangeefster op 15 augustus 2025 heeft opgelopen, wordt – naast de foto’s – ook ondersteund door het journaal van de huisarts, waaruit blijkt dat aangeefster in het ziekenhuis foto’s van haar knieën heeft laten maken, om een breuk uit te sluiten.
Op basis van al het voorgaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op meerdere momenten in de periode tussen 1 februari en 15 augustus 2025 in zijn woning in [woonplaats] , aangeefster heeft mishandeld.
Levensgezel
Verdachte wordt verweten dat hij dit feit heeft begaan tegen zijn levensgezel. Door de verdediging is aangevoerd dat aangeefster niet als levensgezel van verdachte kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Om als levensgezel te kunnen worden aangemerkt, gaat het niet enkel om het hebben van een relatie. Doorslaggevend in het begrip ‘levensgezel’ is de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte sinds augustus 2023 samen waren. Dit is ter zitting bevestigd door verdachte. Hoewel zij niet samenwoonden, waren zij vaak bij elkaar en hadden zij het plan om in de woning van verdachte te gaan samenwonen. De rechtbank is van oordeel dat gedurende de bewezenverklaarde periode sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid en dat aangeefster dus wel degelijk als levensgezel van verdachte kan worden aangemerkt.
Conclusie
Op basis van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op meerdere momenten in de periode tussen 1 februari en 15 augustus 2025 in zijn woning in [woonplaats] , zijn levensgezel heeft mishandeld.
Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2025, p. 65-66;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2025, p. 93 e.v.;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 april 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 februari 2025 tot en met 15 augustus 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, en/of te [woonplaats] , althans in Duitsland, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door (met kracht)- op/tegen het gezicht en/of lichaam te slaan en/of stompen en/of- aan de armen en/of de hand en/of de vingers, althans het lichaam vast te pakken en/of vast te houden en/of- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of voorhoofd te slaan en/of voornoemde [slachtoffer] van de trap te duwen en/of (vervolgens) op de rug en/of schouders te slaan en/of stompen en/of- de hand van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] te laten struikelen en ten val te brengen door zijn, verdachtes, voet voor haar benen te zetten/plaatsen, en/of- een kussen en/of een deken, althans stoffen voorwerpen, op het gezicht en/of de mond van voornoemde [slachtoffer] te zetten en/of drukken en/of houden terwijl hij, verdachte, vervolgens en/of tegelijkertijd (met zijn, verdachtes, hele lichaamsgewicht) op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] zat,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
4hij op of omstreeks 24 september 2025 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 24 september 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Nederland, door zich op 24 september 2025 omstreeks 17:00 uur samen met de in de gedragsaanwijzing genoemde persoon in Utrecht te bevinden en/of (telefonisch) contact te zoeken/hebben met de in de gedragsaanwijzing genoemde persoon.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd
feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is door een GZ-psycholoog onderzocht. Zij heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van psychische problematiek, maar heeft niet kunnen concluderen of en hoe dit heeft doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten, omdat verdachte daarover niet inhoudelijk wilde spreken. Zij heeft vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn om te concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was, maar dat er ook onvoldoende gegevens zijn om te stellen dat hij volledig toerekeningsvatbaar was.
De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanknopingspunten om de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren. Zij acht de verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder de feiten 1, 2 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Voorts vordert de officier van justitie de oplegging van de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 tot en met 3. Zij heeft bepleit dat voor de bewezenverklaring van feit 4 schuldigverklaring zonder oplegging van een straf dient te volgen conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of een symbolische gevangenisstraf van enkele dagen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft aangeefster, zijn vriendin, gedurende een half jaar meerdere malen mishandeld in zijn woning. Aangeefster heeft hierdoor pijn en verschillende soorten letsels opgelopen. Verdachte is reeds op 20 maart 2025 veroordeeld voor verschillende mishandelingen van aangeefster, waaronder zware mishandeling, en is dus rondom die zitting en ook de maanden erna desondanks doorgegaan met de mishandelingen. Verdachte lijkt misbruik te maken van de kwetsbaarheid van aangeefster, een jonge vrouw met veel persoonlijke problematiek die zichzelf niet tegen hem in bescherming kan nemen. Hij heeft keer op keer een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit.
Nu verdachte ook tijdens de bewezenverklaarde pleegperiode is veroordeeld, is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
NIFP-rapport
In de rapportage d.d. 23 december 2025 is door mw. M.M.M. Verberk, GZ-psycholoog, onder meer beschreven dat - gelet op de bij betrokkene aanwezige cognitieve beperkingen, hechtingsproblematiek en persoonlijkheidsmatige kwetsbaarheden, in combinatie met de geïdentificeerde risicofactoren, waaronder eerdere partnergeweldsincidenten, relationele instabiliteit, beperkte emotieregulatie, jaloezie en controlebehoefte - het risico op nieuw partnergericht geweld als hoog wordt ingeschat. Verdachte heeft moeite om oplopende spanning en conflicten in intieme relaties te hanteren, beschikt over beperkt geweldregulerend vermogen en heeft tot op heden geen interventies gehad die deze risicofactoren hebben kunnen reduceren. Dit maakt dat het risico vooral in (toekomstige) partnerrelaties opnieuw kan manifesteren. Aanbevolen wordt om verdachte te plaatsen in een beschermde woonvorm en hem van daaruit een intensief ambulant behandeltraject te laten volgen, gericht op agressie- en emotieregulatie, aangepast aan zijn zwakbegaafdheidsniveau. De voorgestelde interventies kunnen het meest passend worden gerealiseerd binnen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante behandeling, toezicht en begeleiding. Een TBS-maatregel is overwogen, maar wordt op dit moment niet geïndiceerd geacht, omdat eerdere gedragsinterventies nog niet zijn gestart en minder ingrijpende, kaders eerst benut dienen te worden.
Reclasseringsadvies
De reclassering sluit zich aan bij bovengenoemd advies om verdachte te plaatsen in een beschermde woonvorm en hem van daaruit een intensief ambulant behandeltraject te laten volgen. Echter, verdachte weigert zijn medewerking te verlenen aan een opname in een instelling voor beschermd wonen. De mogelijkheid voor een klinische behandeling is door de reclassering onderzocht, maar blijkt gezien de houding van verdachte niet haalbaar. Elektronische monitoring is ook niet mogelijk, nu verdachte in Duitsland woont. De reclassering heeft geconcludeerd dat zij onvoldoende toezicht kan houden op verdachte wanneer hij in Duitsland verblijft. Gezien het hoge recidiverisico en de geïndiceerde interventies acht de reclassering het ook niet wenselijk om het toezicht over te dragen naar Duitsland, omdat verdachte de Duitse taal onvoldoende machtig zou zijn. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Strafoplegging
Gelet op al het bovenstaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen acht, zal de straf lager uitvallen dan geëist. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij wat andere rechters in Nederland in soortgelijke gevallen opleggen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte ook ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat hij absoluut niet wil meewerken aan een plaatsing in een beschermde woonvorm of een klinische opname. Hij wil alleen ambulante behandeling, zodat hij in zijn eigen woning kan blijven wonen. De rechtbank overweegt dat verdachte kennelijk wel hulp wil, maar alleen op zijn eigen voorwaarden, die volgens de reclassering praktisch gezien niet uitvoerbaar zijn. Verdachte heeft zelfs ter terechtzitting aangegeven dat als een plaatsing in een beschermde woonvorm of kliniek als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen, hij dat zal weigeren en dan het mogelijk op te leggen voorwaardelijk deel van zijn gevangenisstraf zal uitzitten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Verdachte wordt veroordeeld voor mishandelingen die zich over een periode van maanden hebben voorgedaan. Een van de bewezenverklaarde mishandelingen heeft zich afgespeeld ten tijde van de strafzaak in maart 2025. Ook heeft verdachte zijn gedragsaanwijzing geschonden, nota bene op de dag dat hem deze is uitgereikt en voorgelezen. Verdachte geeft daarmee blijk zich niet te kunnen of willen houden aan hem opgelegde voorwaarden.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.
De rechtbank ziet daarnaast, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van (vergelijkbare) strafbare feiten, aanleiding om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, te weten een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze, niet direct en ook niet indirect, in contact mag proberen te komen met aangeefster. Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich niet in een straal van 200 meter rond de woning van aangeefster mag begeven. De rechtbank zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er – mede gelet op het reclasseringsadvies en het strafblad – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich opnieuw belastend gedraagt jegens aangeefster.
De maatregel geldt voor de duur van drie jaren en voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van een week, met een maximum van zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/248799-24)
De rechtbank heeft verdachte op 20 maart 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat aangeefster slechts aangifte heeft gedaan zodat verdachte de juiste hulpverlening zou krijgen. Het ten uitvoer leggen van de voorwaardelijke straf levert daarom een onbevredigende uitkomst op. De raadsvrouw heeft daarom bepleit de vordering af te wijzen, zodat het voorwaardelijk kader dat aan de voorwaardelijke straf is gekoppeld, in stand blijft. Dat kader is namelijk - volgens de psycholoog die verdachte heeft onderzocht – geschikt om de problematiek van verdachte op adequate wijze aan te pakken.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Deze voorwaardelijke straf heeft verdachte destijds opgelegd gekregen voor het (zwaar) mishandelen van zijn vriendin. Kennelijk heeft he hem er niet van weerhouden om zijn vriendin opnieuw te mishandelen. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 57, 63, 184a, 304 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1. en 3. ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 (een) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 20 maart 2025 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden (parketnummer 05/248799-24).
mr. Verbeek en mr. Benbouazza zijn buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen