ECLI:NL:RBGEL:2026:3043

ECLI:NL:RBGEL:2026:3043

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 05/222724-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

gevangenisstraf 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk voor een poging tot doodslag en bezit vuurwapen. Voorwaardelijk opzet door van dichtbij te schieten. Betrouwbaarheidsverweer verworpen. Beroep op noodweer verworpen, want niet voldaan aan proportionaliteitseis. Vordering bp deels toegewezen, deels eigen schuld slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/222724-25

Datum uitspraak : 21 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsvrouw: mr. C.A.C. Kooijmans, advocaat in Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Brakel, gemeente Zaltbommel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,

-een of meerdere malen met een vuurwapen op/in/in de richting van het (rechter)been en/of de bil(spier), althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Brakel, gemeente Zaltbommel aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de bilspier, althans in het lichaam, heeft toegebracht, door

-een of meerdere malen met een vuurwapen op/in/in de richting van het (rechter)been en/of de bil(spier), althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te schieten;

2.

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Brakel, gemeente Zaltbommel een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd alarm)pistool, van het merk Blow, type mini 9, kaliber 9mm knal zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, primair en feit 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Daartoe is primair aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het dossier onbetrouwbaar zijn, onder andere nu de getuigen allemaal bij de groep van aangever horen en ook na het incident met elkaar hebben gesproken. Zij kunnen elkaar daarom hebben beïnvloed en hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Bovendien worden de verklaring niet ondersteund door objectief bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte geen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het overlijden van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Beoordeling door de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier valt af te leiden dat de getuigen die een verklaring hebben afgelegd over het incident op 8 augustus 2025 tot de groep van aangever behoren of dat zij in ieder geval kort na het incident contact hebben gehad met elkaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat er behoedzaam moet worden omgegaan met deze verklaringen.

De rechtbank overweegt voorts dat zowel aangever als de getuigen direct hebben verklaard dat verdachte degene is geweest die met een vuurwapen heeft geschoten. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, vinden hun verklaringen wel voldoende steun in andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals hierna zal blijken. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de aangifte en de hierna door de rechtbank geselecteerde getuigenverklaringen op dit punt betrouwbaar zijn en dat deze kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Inhoudelijke beoordeling

Aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat hij op 8 augustus 2025 op de [adres] in Brakel door [verdachte] is beschoten met een vuurwapen en is geraakt. Zijn buurjongen [getuige 1] en zijn broertje [getuige 2] waren daarbij. [verdachte] had blijkbaar iets gedaan bij een vriend van [getuige 2] . Daar was [getuige 2] heel kwaad over. Aangever reed zelf in een auto. [getuige 2] reed in een brommobiel. [getuige 1] was met de scooter en reed iets voor hem. Aangever reed [getuige 1] achterna de [adres] op. Daar zat even tijd tussen. Vervolgens zag hij [getuige 1] bij zijn scooter staan ter hoogte van de flat bij het bejaardenhuis. [getuige 1] had zijn scooter nog vast. Aangever zag toen gelijk de jongen staan die later [verdachte] bleek te zijn. Hij zag dat [verdachte] een vuurwapen in zijn hand had. Hij zag dat [getuige 1] de scooter liet vallen en dat deze [verdachte] erbij stond. Hij zag dat [verdachte] het wapen echt op [getuige 1] richtte, op zijn hoofd. De afstand tussen aangever en [verdachte] en [getuige 1] was ongeveer 5-6 meter. Aangever herkende het wapen als een vuurwapen. Hij is uitgestapt en hij zag dat [verdachte] tegen de scooter van [getuige 1] trapte, terwijl hij het wapen nog steeds op [getuige 1] gericht had. Aangever heeft zijn auto gelijk op straat gestopt en hij is uitgestapt. Hij zag dat [verdachte] vervolgens wegrende in zijn richting. Aangever dacht op dat moment dat hij [verdachte] moest stoppen. Hij is achter [verdachte] aan gerend. [verdachte] begon toen weer met het wapen te zwaaien en richtte het wapen ook op hem. Aangever hoorde vervolgens twee schoten. Hij realiseerde zich op dat moment niet dat hij geraakt was en heeft het wapen kunnen afpakken. Hij heeft [verdachte] toen wel een paar tikken gegeven. Daarna voelde hij een stekende pijn in zijn heup/dij. Aangever heeft het wapen in zijn zak gestopt. Hij heeft tegen iedereen gezegd dat ze weg moesten gaan. [getuige 1] en zijn broertje zijn toen vertrokken. [verdachte] is weggerend. Hij heeft het wapen mee naar huis genomen en hij heeft tegen [getuige 1] en [getuige 2] gezegd dat het wapen weg moest. [getuige 1] heeft hem verteld dat hij het wapen in de Maas heeft gedumpt op de Wilhelminasluis. Ze waren in paniek en wilden geen problemen. Aangever is uiteindelijk naar het ziekenhuis gegaan. Daar bleek dat er een kogel in zijn lichaam zat. De kogel is onder zijn heup bot zijn lichaam in gegaan en zit nu nog in zijn bilspier.

Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), het broertje van [slachtoffer] , heeft verklaard dat hij langs de huisartsenpost in Brakel reed. Hij zag daar [verdachte] , waarmee hij vorig jaar ruzie had gehad. [getuige 2] wist dat [verdachte] daar was. Dit zag hij via Snapchat. Toen hij dat zag, zijn ze daarheen gereden. [slachtoffer] en [getuige 1] wisten ook dat ze [verdachte] daar gingen ontmoeten. Hij wilde bij [verdachte] verhaal halen over een incident met een vriend van hem twee weken eerder. Hij stapte uit zijn 45 km-auto en zag dat [verdachte] een wapen uit zijn tas pakte en dat [verdachte] dit op hem richtte. Het was een zwart handvuurwapen. [verdachte] trapte [getuige 1] van zijn scooter. Hij zag dat [verdachte] vervolgens wegrende. [slachtoffer] zag dit gebeuren en stapte uit zijn auto. [verdachte] rende weg en [slachtoffer] rende achter hem aan. Hij zag dat [verdachte] omdraaide en dat hij twee keer op [slachtoffer] schoot. Hij hoorde twee harde knallen. De afstand tussen [slachtoffer] en [verdachte] was ongeveer 3-4 meter. [slachtoffer] sloeg het wapen uit [verdachte] zijn handen. [verdachte] kwam los en rende weg. [slachtoffer] , [getuige 1] en hijzelf zijn vervolgens naar huis gegaan.

Getuige [getuige 1] , een vriend van [getuige 2] , heeft verklaard dat hij op zijn scooter reed. [getuige 2] reed in zijn brommobiel. [slachtoffer] reed achter hem. Vlakbij de huisarts kwam [verdachte] naar hem toe. [verdachte] kwam op hem afgelopen en richtte een wapen op hem. Getuige denkt dat [verdachte] dit deed, omdat hij bang was. Hij denkt dat [verdachte] hen bang wilde maken, zodat hij zelf weg kon. Hij zag dat [verdachte] zijn scooter om trapte. Getuige stond naast zijn scooter en hield de scooter vast. [verdachte] trapte ertegenaan terwijl het vuurwapen nog steeds op hem gericht was. [verdachte] rende daarna weg. [slachtoffer] stond achter hen met zijn auto. [slachtoffer] stapte direct uit toen het vuurwapen op getuige werd gericht. Hij zag dat [slachtoffer] achter [verdachte] aanrende. Hij zag dat [verdachte] naar achter keek en dat hij hierop twee schoten loste. Getuige heeft sowieso één schot gehoord. De tweede zou een echo geweest kunnen zijn. Zijn broer [naam 2] heeft het wapen bij de sluisdeuren in het water laten vallen.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van de woning aan de [adres] in Brakel bekeken van 8 augustus 2025 vanaf 22:34 uur. Verbalisant beschrijft dat op de beelden is te zien dat een auto voorbij komt rijden. Verbalisant hoort kort het geluid van piepende banden, waarna er geen geluid meer te horen is van de motor van het voertuig. Het lijkt erop dat het voertuig is uitgeschakeld. Verbalisant hoort geroezemoes van stemmen, waarop een mannenstem duidelijk zegt: ‘opkankeren’. Zij hoort daarna het geluid van rennende personen en zij hoort iemand zeggen: ‘hier komen jij, jij wilt eraan’. Een andere stem zegt: ‘ja, is dat zo?’. Op datzelfde moment, om 22:35:26 uur, ziet verbalisant twee personen over het trottoir rennen. Het lijkt erop dat de twee elkaar aanraken, zo dicht zijn ze bij elkaar. Direct op het moment dat de jongen zegt: ‘ja, is dat zo?’, hoort verbalisant een schot, als zijnde een vuurwapen. Hierbij ziet zij dat de persoon die als eerste in beeld verscheen en dus voorop rent ter hoogte van zijn bovenlichaam een voorwerp naar achteren brengt. Daarbij lijkt het alsof zij een lichtflits ter hoogte van het voorwerp ziet. De afstand tussen beide personen betreft op dat moment naar schatting nog geen twee meter. Zij ziet dat beide personen doorrennen en uit het zicht van de camera verdwijnen.

Verdachte heeft verklaard dat [getuige 2] met hem wilde praten. De band met [getuige 2] was niet goed, ze hadden ruzie. Hij is samen met [naam 1] naar buiten gegaan. Er was hem verteld dat [getuige 2] zou komen met één andere persoon. [getuige 2] , [naam 2] en [getuige 1] kwamen aan. Verdachte heeft tegen de scooter van [getuige 1] getrapt, waardoor de scooter omviel. Hij probeerde weg te rennen. Vervolgens kwam er een auto aan. [slachtoffer] stapte uit die auto en kwam achter hem aan. [slachtoffer] rende achter hem.

Uit het Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI van 6 februari 2026 volgt dat [slachtoffer] een schotwond had aan zijn rechterbovenbeen, ter hoogte van het bekken, met een projectiel in de rechterbil.

Uit de bevindingen van de politie volgt dat [getuige 1] heeft aangewezen waar hij het wapen in het water heeft gegooid. Door een duiker van de politie is op die plek vervolgens een vuurwapen uit het water gehaald.

De betrokkenheid van verdachte

Op grond van de voorgaande verklaringen en de bevindingen uit het NFI-onderzoek staat voor de rechtbank vast dat [slachtoffer] op 8 augustus 2025 in zijn bovenbeen is geschoten. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Verdachte zelf heeft dit ontkend. De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de betreffende avond in Brakel was en dat er een confrontatie plaatsvond tussen hem en de groep van [getuige 2] . Uit de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat verdachte wegrende, met [slachtoffer] achter zich aan. Tijdens het rennen draaide verdachte zich om en hij schoot vervolgens van dichtbij op [slachtoffer] . Die verklaringen vinden naar het oordeel van de rechtbank op dit punt steun in de (objectieve) beschrijving van de camerabeelden. Op die beelden is immers te zien dat twee personen achter elkaar rennen, waarbij de voorste persoon zich omdraait en een voorwerp – gelijkend op een vuurwapen – naar achteren brengt. Vervolgens klinkt er een schot. Door verdachte is bevestigd dat hij wegrende, met [slachtoffer] achter zich aan. Op de plek die [getuige 1] heeft aangewezen is bovendien een vuurwapen gevonden. Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die, met het vuurwapen dat door de politie in het water is aangetroffen, op [slachtoffer] heeft geschoten. Op basis van de letselinterpretatie en de beschrijving van de camerabeelden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte één keer heeft geschoten.

Poging tot doodslag (feit 1, primair)

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of verdachte met dit schieten het opzet had op de dood van [slachtoffer] , zoals primair ten laste is gelegd.

De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer] te doden. De vraag die daarmee voorligt is of voorwaardelijk opzet op de dood van aangever kan worden afgeleid uit het handelen van verdachte. Hierbij dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen de dood bij aangever zou intreden. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht.

Uit het forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI volgt dat de schotwond zich bevond naast het bekken, direct boven het rechterbovenbeen. In de nabijheid van de betreffende locatie bevinden zich onder andere de aders en de slagaders naar het been en zenuwbanen naar het been, ten behoeve van de aansturing van de spieren en het gevoel in de heup, het been en de voet. Bij beschadiging van de bloedvaten bestaat het risico op levensbedreigende bloedingen, bij beschadiging van de zenuwbanen bestaat er risico op neurologische uitvalsverschijnselen zoals uitval van spieren van het been en/of het gevoel in het been. Meer in het midden van het bekken/de onderbuik, bevinden zich de geslachtsorganen, de blaas en darmen, welke bij beschadiging functieverlies tot gevolg kunnen hebben. Daarnaast kunnen door lekkage van urine en/of darminhoud bij perforatie van de blaas en/of de darmen, potentieel levensbedreigende ontstekingen optreden.

Gezien de inhoud van dit onderzoek, staat voor de rechtbank vast dat de door verdachte toegebrachte schotwond zonder meer tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden, als daarbij de genoemde aders, slagaders en/of organen waren geraakt (met een levensbedreigende bloeding of ontsteking als gevolg).

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verdachte deze aanmerkelijke kans op de dood van aangever ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank overweegt dat verdachte, al rennend, van zeer dichtbij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Verdachte had [slachtoffer] met het schot overal kunnen raken, ook in de genoemde slagaders nabij de geraakte plek. Deze gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer op de dood gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] .

Voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 2)

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte met het vuurwapen heeft geschoten dat uiteindelijk door de politie uit het water is gehaald. Dit wapen is door de politie onderzocht.

Het bleek te gaan om een getransformeerd alarmpistool met patroonmagazijn en een huls. Het getransformeerde alarmpistool is van het merk Blow, model Mini 9, van het originele kaliber 9 mm knal. De originele loop, die was voorzien van een blokkade, is vervangen door een geheel open loop. Door het vervangen van de loop is dit getransformeerde alarmpistool geschikt voor het verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65mm Browning. Dit getransformeerde alarmpistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 in verband met artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie. Het voorhanden hebben van een dergelijk getransformeerd alarmpistool is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en Munitie juncto artikel 55 lid 3 onder a van de Wet Wapens en Munitie.

Door het verboden vuurwapen mee te brengen en het te gebruiken, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 2.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Brakel, gemeente Zaltbommel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven door

- een of meerdere malen eenmaal met een vuurwapen op/in/in de richting van het (rechter)been en/of de bil(spier), althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Brakel, gemeente Zaltbommel een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd alarm)pistool, van het merk Blow, type mini 9, kaliber 9mm knal zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Poging tot doodslag;

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III .

5. De strafbaarheid van de feiten

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Verdachte is naar buiten gelokt om een confrontatie met hem uit te lokken. Daarbij werd verdachte omsingeld door de groep. Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen geslaagd beroep op noodweer rechtvaardigen. Zij gaat daarbij uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Uit de verklaringen van (onder andere) [getuige 2] en [slachtoffer] valt af te leiden dat er eerder al ruzie was geweest tussen [getuige 2] en [verdachte] . [getuige 2] was kwaad op [verdachte] . Zij wisten dat zij [verdachte] bij de huisartsenpost zouden gaan ontmoeten. Het doel van die ontmoeting was om [verdachte] een keer terug te pakken, zo volgt uit de verklaring van [naam 2] . [verdachte] ging samen met [naam 1] naar buiten, naar eigen zeggen om met [getuige 2] te praten. Eenmaal ter plaatse zag verdachte zich geconfronteerd met een overtalsituatie, waarbij verdachte wist dat [getuige 2] kwaad op hem was. Verdachte is op enig moment weggerend en [slachtoffer] rende achter hem aan. Uit de camerabeelden (die de verklaring van verdachte op dat punt steunen) leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] daarbij riep: ‘jij wilt eraan’. Gezien het voorgaande was naar het oordeel van de rechtbank op dat moment sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte, waartegen hij zichzelf mocht verdedigen.

Proportionaliteit

Verdachte heeft zich tegen deze aanval verdedigd door al rennend met een vuurwapen op [slachtoffer] te schieten. Die reactie van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel geweest. Op grond van de feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat zijn handelen geboden was voor de noodzakelijke verdediging van zijn lichaam. Dat de groep van [getuige 2] mogelijk ook een wapen had meegenomen, zoals door de verdediging is betoogd, is uit het dossier niet gebleken of anderszins aannemelijk geworden. Verdachte heeft ook zelf verklaard geen wapen bij hen te hebben gezien. Het potentieel dodelijke schieten met een vuurwapen op [slachtoffer] (op het betreffende deel van zijn lichaam) staat niet in verhouding tot de (dreigende) aanranding. Het spreekt vanzelf dat het recht op leven een groot goed is en dat degene die zich verdedigt tegen een aanval terughoudend moet zijn met het toepassen van (potentieel) dodelijk geweld.

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De standpunten

Voor het geval de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt, heeft de raadsvrouw bepleit dat sprake was van putatief noodweer(exces). Daartoe is aangevoerd dat verdachte vanwege eerdere bedreigingen van de groep in de veronderstelling was dat de groep een wapen bij zich zou hebben om de naar hem geuite bedreigingen waar te maken. Hij voelde zich genoodzaakt zich hiertegen te verdedigen toen er voor hem geen onttrekkingsmogelijkheden van de situatie meer bestonden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake was van een noodweersituatie, wordt het beroep op putatief noodweer verworpen. Ook het beroep op noodweerexces faalt (voor zover de verdediging dat verweer heeft gevoerd). Niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Verdachte heeft ter terechtzitting meermaals verklaard dat hij niet bang was. Het deed hem weinig dat iemand zei ‘je wilt eraan’. Hij rende weg omdat hij escalatie wilde voorkomen.

Verdachte is strafbaar.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft verzocht om het contactverbod op te leggen ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] en zijn broer [getuige 2] . Verder is verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te bevelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor de toepassing van het jeugdstrafrecht gepleit. Verder is verzocht om bij een bewezenverklaring aan verdachte een straf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte kan dan spoedig aan de slag gaan met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Hij is daarnaast in staat om een werkstraf uit te voeren. Door de raadsvrouw is verder verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte een zogenoemde ‘first offender’ is en dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als laag. Daarbij valt de detentie hem zwaar, mede vanwege de medische situatie van zijn vader.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Bij een ruzie met een groep jongeren, heeft verdachte een vuurwapen getrokken en al rennend, van zeer dichtbij op het slachtoffer geschoten. Uit het dossier is gebleken dat sprake was van een langer lopend conflict tussen verdachte en de groep. Daarbij komt het beeld naar voren dat verdachte door de groep naar een parkeerplaats is gelokt, om de confrontatie met hem aan te kunnen gaan. Hoewel voorstelbaar is dat verdachte zich in deze situatie bedreigd heeft gevoeld, heeft hij disproportioneel gereageerd door op het slachtoffer te schieten. De rechtbank benadrukt dat dit incident zomaar veel erger had kunnen aflopen. Het slachtoffer heeft op de terechtzitting verteld dat hij zowel fysiek als geestelijk nog altijd klachten ondervindt van de gebeurtenis. De rechtbank vindt het ernstig en zorgelijk dat verdachte tot deze extreme reactie is overgegaan. Verdachte heeft hiermee niet alleen de gezondheid en veiligheid van het slachtoffer in gevaar gebracht, maar ook die van anderen die bij hem in de buurt stonden of zelfs toevallig voorbij fietsten.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare (gewelds)feiten.

Uit het reclasseringsrapportages van 19 maart 2026 en van 23 september 2025 volgt dat het incident onderdeel is van langduriger bestaande conflicten tussen jongeren die overlast veroorzaken, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd. De reclassering beschrijft verder dat er signalen zijn dat verdachte thuis voor problemen zorgt. Hij is zelfbepalend en weinig gevoelig voor het gezag van zijn ouders. Bij verdachte kan mogelijk sprake zijn van een licht verstandelijke beperking. Verdachte heeft geen inkomen en geen werk of andere zinvolle dagbesteding. Er zijn ook aanwijzingen dat middelengebruik een probleem vormt voor verdachte. Daarbij is sprake van aan negatief beïnvloedend sociaal netwerk. Voor de ouders van verdachte is het een grote belasting om verdachte te begeleiden, mede doordat ze zich onveilig voelen door de rivaliserende groep.

De reclassering schat het algemene risico op herhaling in als laag. Er is geen sprake van een patroon van soortgelijke delicten en verdachte wordt ouder, waardoor doorgaans de frequentie van de justitiecontacten afnemen. De kans op toekomstig geweld, wordt nog wel als verhoogd gezien als rekening wordt gehouden met ondoordacht handelen en beïnvloeding door anderen. Het hangt erg af van de mate waarin verdachte zich aan eventuele voorwaarden houdt en weg blijft bij een negatief netwerk, of deze inschatting op termijn naar beneden kan worden bijgesteld.

In het meest recente rapport vult de reclassering aan dat verdachte zich in detentie meer bewust is geworden van het negatieve patroon waar hij in zat. Verdachte heeft zich voorgenomen om na zijn detentie een positieve daginvulling te zoeken in de vorm van werk. Zijn ouders hebben na gesprekken met hem in het Huis van Bewaring het vertrouwen dat verdachte een meer pro-sociale koers gaat varen en ze willen hem graag weer opnemen in het gezin. Verdachte is bereid om samen te werken met de reclassering aan voorwaarden, waar een locatiegebod met Elektronische Monitoring onderdeel van uitmaakt.

De reclassering heeft verder onderzocht of verdachte in aanmerking komt voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Daaruit komt naar voren dat daar wel enkele argumenten voor zijn, maar dat deze niet doorslaggevend zijn om de toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren. Argumenten om wel aan het jeugdstrafrecht te denken zijn verdachtes leeftijd en de mogelijke verstandelijke beperking. Hij is echter niet afhankelijk van een aanpak die alleen middels jeugdstrafrecht geboden kan worden en voortzetting van scholing is niet aan de orde.

Bij een veroordeling adviseert de rechtbank de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:

Volwassenenstrafrecht

Door de reclassering wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Behalve de jonge leeftijd van verdachte (19 jaar ten tijde van het feit), heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Een licht verstandelijke beperking is niet vastgesteld en hoewel verdachte inmiddels weer welkom is bij zijn ouders, is eerder gebleken dat hij weinig gevoelig is voor het gezag van zijn ouders. Bovendien gaat verdachte niet meer naar school. De rechtbank zal daarom het advies van de reclassering volgen en het volwassenenstrafrecht toepassen.

De op te leggen straf

Bij de ernst van het feit past zonder meer de oplegging van een jarenlange gevangenisstraf.

Daartegenover ziet de rechtbank een hele jonge, mogelijk kwetsbare verdachte met problemen op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte is een ‘first offender’, die in een bedreigende situatie terechtkwam, nadat er een ontmoeting was geregeld door de andere groep jongeren die hem terug wilden pakken. De rechtbank zal in strafverminderende zin rekening houden met deze omstandigheden. Daarnaast acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte de begeleiding en behandeling krijgt die volgens de reclassering nodig is. Te zien is dat verdachte een voorzichtige positieve ontwikkeling doormaakt. Het lijkt tot hem te zijn doorgedrongen dat sprake is van een negatief patroon. Verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt op deze straf in mindering gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank benadrukt dat dit begeleidingstraject voor verdachte een kans biedt om zijn leven een positieve wending te geven. Het contactverbod zal de rechtbank opleggen ten aanzien van [slachtoffer] , [getuige 2] , [getuige 1] en [naam 2] .

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te bevelen. Daarvoor is vereist dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een soortgelijk strafbaar feit zal plegen. Gezien het lage recidiverisico, wordt aan dat criterium niet voldaan.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten is beslag gelegd op een vuurwapen en een huls.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide goederen moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank zal het vuurwapen onttrekken aan het verkeer, nu het gaat om een wapen als

bedoeld in artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie. Hoewel het voorhanden hebben de huls op zichzelf niet strafbaar is, zal de rechtbank ook de huls – als onderdeel van het verboden vuurwapen – onttrekken aan het verkeer.

9. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.380,00 aan materiële schade en € 12.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook heeft de benadeelde partij een bedrag van € 900,00 aan proceskosten gevorderd.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak, meer subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging en meest subsidiair afwezigheid van alle schuld.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat uit de vordering niet duidelijk is geworden of de benadeelde beschikt over een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ten aanzien van de riem en de broek is door de benadeelde partij niet onderbouwd waaruit de marktconforme (rest)waarde van de goederen blijkt.

Om die reden dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering als het gaat om de inkomensschade en de kleding, dan wel dient de vordering te worden gematigd naar redelijkheid en billijkheid.

Ten aanzien van de ziekenhuiskosten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de verzochte immateriële schade heeft de verdediging een beroep gedaan op eigen schuld van de benadeelde en verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen.

Als het gaat om de proceskosten dan dient het liquidatietarief kanton als uitgangspunt te worden genomen. Bij een hoofdsom van rond de € 20.000,00 geldt een tarief van € 432,00 als uitgangspunt. Het bedrag dient bovendien te worden aangepast naar het liquidatietarief passend bij de omvang van de schadevergoeding die al dan niet door de rechtbank wordt opgelegd.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Ten aanzien van de inkomensschade heeft de benadeelde ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij niet beschikt over een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Anders dan een vraag naar de aanwezigheid van een verzekering, is deze schadepost door de verdediging niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 13.095,00 wordt daarom in het geheel toegewezen.

Uit het dossier is voldoende aannemelijk geworden dat de riem en de broek van verdachte door de schotwond beschadigd zijn geraakt. De gevorderde bedragen, waarbij rekening is gehouden met de afschrijvingen, komen de rechtbank bovendien redelijk voor. Ook dit deel van de vordering (€ 285,00) zal daarom worden toegewezen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de poging tot doodslag heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Uit de stukken volgt dat de benadeelde partij hier tot op heden nog klachten van ondervindt. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid acht de rechtbank een bedrag van € 12.000,00 in dit geval passend.

Eigen schuld

Door de verdediging is bepleit dat de benadeelde partij een eigen aandeel had in de door hem geleden schade. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van de benadeelde partij leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht, moet eerst worden beoordeeld in welke mate de gedragingen van de benadeelde partij aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.

Uit het dossier volgt dat de benadeelde wist dat hij, samen met anderen, verdachte ging ontmoeten aan de [adres] in Brakel. Ook is vastgesteld dat het doel van die ontmoeting was om verdachte terug te pakken. De benadeelde partij is achter verdachte aan gerend toen hij wilde vluchten en heeft daarbij – zo blijkt uit de camerabeelden – geroepen dat verdachte eraan zou gaan. Daarmee heeft de benadeelde partij een escalatie van het conflict geïnitieerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze omstandigheden worden toegerekend aan de benadeelde partij en hebben deze bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De rechtbank is van oordeel dat een verdeling in evenredigheid met de mate waarin de aan zowel verdachte als benadeelde toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, in dit geval leidt tot een vermindering van de schadevergoedingsplicht met een vierde deel (25%). De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie. Dat leidt tot de volgende slotsom.

De vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van

(€ 13.380,00 + € 12.000,00 x 3/4 =) € 19.035,00, bestaande uit € 10.035,00 aan materiële schade en € 9.000,00 aan smartengeld.

Verdachte is wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf 8 augustus 2025.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om het opstellen en het invullen van het voegingsformulier door de raadsvrouw en de bijstand door die raadsvrouw op de terechtzitting. Deze kosten zullen aan de hand van het Liquidatietarief kanton worden begroot. Bij een toegewezen bedrag tussen € 10.000,01 en € 20.000,00 geldt een tarief van € 432,00 per punt. De rechtbank acht op basis van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering 2 punten en daarmee € 864,00 toewijsbaar.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte in de P.I. zal worden aangesloten op Elektronische Monitoring. Daar worden meteen afspraken met hem gemaakt over de meldplicht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- verdachte bij zijn ouders zal gaan wonen. Indien dat in de ogen van de reclassering niet goed gaat, doordat verdachte zich niet gedraagt naar de huiselijke regels van zijn ouders of als het recidiverisico in de ogen van de reclassering verhoogd is, werkt verdachte mee aan plaatsing in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- verdachte meewerkt aan verwijzing naar een forensische polikliniek voor diagnostiek, indien de reclassering daar in de loop van de proeftijd een aanleiding voor ziet. Hij werkt mee aan een mogelijk behandeladvies dat volgt uit deze diagnostiek;

- verdachte geen soft- of harddrugs gebruikt. Indien de reclassering daartoe aanleiding ziet, werkt verdachte mee aan controle op drugs en/of alcoholgebruik;

- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of een andere daginvulling met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met:

o [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2006;

o [getuige 2] , geboren op [geboortedag] 2007;

o [getuige 1] , geboren op [geboortedag] 2007;

o [naam 2] , geboren op [geboortedag] 2007.

Verdachte is open over met wie hij omgaat.

- verdachte op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. Verdachte werkt mee aan Elektronische Monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres] , [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de Elektronische Monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de penitentiaire inrichting. Het locatiegebod geldt voor een periode van maximaal 6 maanden of korter als daarvoor door de reclassering, in overleg met het Openbaar Ministerie argumenten zijn.

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslissing ten aanzien van het beslag

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het vuurwapen (goednummer 3513554) en de huls (goednummer 3514034);

Beslissingen ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en

mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2026.

Mr. S.W. van Kasbergen en mr. S.H.W. Martens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.C.P. Goossens
  • mr. S.H.W. Martens

Griffier

  • mr. H. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?