RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/073187-25
Datum uitspraak : 17 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. A.Y. Bleeker, advocaat in Amersfoort.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 2]
te [plaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten
weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een of meerdere armbanden en/of
- een of meerdere kettingen en/of
- een of meerdere horloges,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een
ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of
inklimming.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 38-39;
- de bijlage goederenlijst bij het proces-verbaal van aangifte, p. 41;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 29-31;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 april 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 2]
te [plaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten
weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een of meerdere armbanden en/of
- een of meerdere kettingen en/of
- een of meerdere horloges,
in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een
ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of
inklimming.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Hierop dient het voorarrest in mindering te worden gebracht. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de officier van justitie te volgen in zijn strafeis.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak.
Een woninginbraak is een ernstig feit. Het brengt niet alleen hinder en schade met zich, maar tast ook de gevoelens van veiligheid van de benadeelden in ernstige mate aan. Dat dat hier ook het geval was, blijkt uit wat het slachtoffer daarover heeft aangevoerd ter onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Een woning heeft bij uitstek als het privédomein van de bewoner te gelden en moet dan ook een veilige plek zijn, zowel voor de bewoners als voor de zich in de woning bevindende goederen. Verdachte heeft hier geen rekening mee gehouden en heeft slechts uit eigen financieel belang de inbraak gepleegd. Hij heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten en gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen doorgaans worden opgelegd. De oriëntatiepunten van het LOVS gaan bij een woninginbraak (als startpunt) uit van een gevangenisstraf van 3 maanden. Strafverzwarend kan zijn als de bewoner is geconfronteerd met de inbreker(s).
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 26 februari 2026. Daaruit volgt dat verdachte een vast inkomen heeft en een (jong) gezin. De reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte is in staat om een taakstraf uit te voeren.
De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte ter terechtzitting een verklaring over zijn handelen heeft gegeven en inzicht heeft getoond in de strafwaardigheid van zijn gedrag. Daarnaast draagt hij de zorg voor zijn pasgeboren kind en zijn stiefkinderen. Ook werkt hij als elektricien. Ondanks de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, acht de rechtbank het niet passend om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte lijkt, op dit strafbare feit na, zijn leven op orde te hebben en de rechtbank wil dit niet doorkruisen door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegend acht de rechtbank de maximale taakstraf van 240 uur (met aftrek van het voorarrest), in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend. Dit voorwaardelijke deel is van belang om zoveel als mogelijk te bevorderen dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 775,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Zij is in haar woning geconfronteerd met twee inbrekers en zij meende bij één van hen een vuurwapen te zien. Haar spullen zijn overhoop gehaald en zij mist enkele juwelen en horloges. Nog steeds is zij angstig in haar huis en familieleden moeten steeds komen kijken of alles goed gaat met haar. Haar levensvreugde is ernstig aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 775,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 23 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Verdachte en de medeverdachte zijn voor dit bedrag ieder hoofdelijk aansprakelijk. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte dit schadebedrag heeft vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Mr. G. Pesselse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.