RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/290913-24
Datum uitspraak 10 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. E.J.M.J. Damen, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 maart 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met dat opzet) als bestuurder van een (personen-)auto (met enige snelheid) op voornoemde personen is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een (personen-)auto (met enige snelheid) op voornoemde personen in te rijden;
2.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe [slachtoffer 3] heeft mishandeld door een of meerdere malen met gebalde vuist op/tegen de linkerwang, althans op/tegen/in het gezicht van die [slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;
3.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] een of meerdere malen tegen de borst, althans tegen het lichaam, te schoppen en/of trappen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat niet met enige mate van zekerheid vast te stellen is wat er is gebeurd en er voorts geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van verdachte. De getuigenverklaringen komen op cruciale punten niet overeen en er is geen objectief bewijs aanwezig die deze verklaringen ondersteunen. Verder is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte op een dusdanige wijze is ingereden op de aangevers dat daardoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond en daarmee ontbreekt dus het (voorwaardelijk) opzet daarop.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat het dossier geen beschrijving van enig letsel van mevrouw [slachtoffer 4] bevat, waardoor sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Tot slot heeft de raadsman bepleit dat verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten een beroep op noodweer toekomt. Verdachte werd gewenkt om het erf op te komen, waarbij sprake was van een ‘hinderlaag’. De aangevers waren met een overmacht aan mensen en zij hadden diverse voorwerpen bij zich. Verdachte kon daarom niet anders handelen dan hij heeft gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op de oprit van het woonwagenerf stond. Hij zag een Volkswagen Caddy met hoge snelheid aan komen rijden. De bestuurder van de Caddy maakte een haakse bocht naar links het erf op. [slachtoffer 1] zag direct dat verdachte de bestuurder was. Hij zag dat verdachte met onverminderde vaart het erf op kwam rijden en een stuurbeweging in zijn richting maakte. [slachtoffer 1] werd hierbij geraakt door de linker voorkant van de auto aan de bestuurderskant en hij kwam hierdoor met zijn lichaam op de auto terecht, waarna hij op de grond viel. Hij is vervolgens het erf op gestrompeld en halverwege zag hij dat verdachte zijn zoon [slachtoffer 3] een klap gaf met zijn rechtervuist op de linkerkant van zijn gezicht, waardoor deze op de grond viel. [slachtoffer 1] is door de ambulance meegenomen naar het ziekenhuis, waar bleek dat sprake was van een breuk in de linkerhand. Verder had hij blauwe plekken op zijn lichaam en op zijn linkerbeen zat een grote wond.
Bij de aangifte zijn foto’s van het letsel van [slachtoffer 1] toegevoegd, waarop een grote blauwe plek en wond te zien is op het linker bovenbeen, een blauwe plek op de rechterarm en een gegipste linkerhand. Uit medische informatie van de spoedeisende hulp volgt dat op 25 augustus 2024 werd geconstateerd dat mogelijk sprake was van een factuur aan de linker pols en een hematoom op het linker bovenbeen.
[slachtoffer 3] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij met zijn vader [slachtoffer 1] (de rechtbank leest: [slachtoffer 1] ) en zijn neef [naam] bij de ingang van het woonwagenkamp stond. [slachtoffer 3] zag een zwarte Volkswagen Caddy aan komen rijden, die hij herkende als de auto van verdachte. [slachtoffer 3] zag dat de Caddy recht op hen afreed en dat de voorkant zijn vader raakte en hij hoorde een luide knal. Hij zag dat zijn vader door de klap naar achteren werd geworpen en op zijn rug viel. Vervolgens stapte verdachte uit de auto. Op enig moment liep verdachte met gebalde vuisten op [slachtoffer 3] af, haalde zijn rechterarm naar achteren en sloeg hem met gebalde vuist op zijn gezicht. [slachtoffer 3] verloor hierdoor zijn evenwicht en viel op de grond..
[slachtoffer 4] stond op 24 augustus 2024 rond middernacht met een aantal familieleden aan de voorkant van het kamp op de oprit. Op enig moment zag zij dat een donkere auto met volle vaart het kamp op kwam gereden. [slachtoffer 4] zag dat de bestuurder richting [slachtoffer 1] reed en hem aanreed. [slachtoffer 1] viel op de auto en kwam vervolgens op de grond terecht. Verdachte stapte uit als bestuurder van de auto. Op het moment dat [slachtoffer 4] wegliep, zag zij dat verdachte op haar af kwam en zij voelde dat hij haar een trap gaf op haar borst. Dit deed pijn en zij viel hierdoor achterover op de grond.
[getuige] heeft verklaard dat zij zag dat een Volkswagen Caddy met een noodgang aan kwam rijden. De bestuurder maakte ineens een stuurbeweging naar links en reed recht op iedereen in die op het woonwagenkamp stond. Zij zag dat [slachtoffer 1] tegen zijn been werd gereden door de Volkswagen Caddy en zij hoorde een hele harde klap. Het lichaam van [slachtoffer 1] kwam helemaal op de auto terecht en daarna vloog hij van de auto af en kwam hij op de grond terecht. [getuige] zag dat verdachte als bestuurder uit de auto stapte en vervolgens naar haar schoonmoeder [slachtoffer 4] ging en haar een trap tegen haar borstkas gaf, waardoor deze achteruit viel. [getuige] zag ook dat verdachte naar [slachtoffer 3] liep, met zijn rechtervuist uithaalde en deze op zijn gezicht raakte, waardoor hij half zijn bewustzijn verloor en in elkaar zakte.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij boos is geworden op [slachtoffer 3] en hem een tik heeft gegeven, een stomp met zijn vuist, hij denkt op zijn gezicht.
Conclusie:
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte met zijn auto met enige snelheid op [slachtoffer 1] heeft ingereden. Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, is het nodig dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen – minst genomen – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] letsel kon oplopen. Het met snelheid met een auto inrijden op een persoon brengt in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich mee dat die persoon ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat deze gedraging naar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op een poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Contra-indicaties zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring voor de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 2] te komen en spreekt verdachte hiervan partieel vrij.
De rechtbank is verder van oordeel dat de onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde mishandelingen bewezen kunnen worden. Uit de aangifte van [slachtoffer 3] volgt dat verdachte [slachtoffer 3] een vuistslag heeft gegeven op zijn gezicht, hetgeen wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. De verklaring van [slachtoffer 4] dat verdachte haar een trap tegen haar borst heeft gegeven vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige] , die deze trap tegen de borst van haar schoonmoeder heeft bevestigd. Bovendien heeft [slachtoffer 4] verklaard dat deze trap haar ook pijn deed.
De rechtbank heeft ten aanzien van alle drie de feiten ook de overtuiging dat verdachte deze feiten heeft begaan. De rechtbank acht de verklaringen van de aangevers en getuigen voldoende betrouwbaar, nu deze op hoofdlijnen overeenkomen. Hoewel er mogelijk sprake is van een achterliggend conflict in de familiesfeer, waar de rechtbank niet geheel zicht op heeft gekregen en het incident een aanleiding kent waarover de betrokkenen wisselend hebben verklaard, is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario onvoldoende aanknopingspunten biedt om het wettige bewijs in twijfel te trekken.
Noodweer
De verdediging heeft ten aanzien van alle feiten aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Er was sprake van een hinderlaag, waardoor verdachte in een situatie terechtkwam waarin hij zich mocht verdedigen. Daarnaast waren de aangevers met een overmacht aan mensen en hadden zij diverse voorwerpen bij zich, waardoor hij niet anders kon handelen.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de noodzakelijke verdediging is geboden. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Het door de verdediging aangevoerde scenario dat verdachte ‘in de val’ is gelokt en zich daarom moest verdedigen, wordt namelijk weersproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat verdachte zelf met zijn auto het woonwagenkamp op is gereden, waar hij ook de mogelijkheid had om de andere kant op te rijden, en vervolgens is hij met zijn auto op [slachtoffer 1] ingereden. Vervolgens is verdachte uitgestapt, terwijl er ook op dat moment voor hem voldoende mogelijkheden waren om zich uit de situatie te onttrekken, door in de auto te blijven zitten en weg te rijden. Dat hij vervolgens werd omringd door een groep personen die op hem insloegen met onder meer knuppels, wordt op geen enkele wijze ondersteund door enig bewijsmiddel. Het is hierna verdachte geweest die de agressor was en geweld heeft toegepast richting [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zonder dat hij daarbij degene was die werd aangevallen.
De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met dat opzet) als bestuurder van een (personen-)auto (met enige snelheid) op voornoemde persoon is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe [slachtoffer 3] heeft mishandeld door eenmaal of meerdere malen met gebalde vuist op/tegen de linkerwang, althans op/tegen/in het gezicht van die [slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;
3.
hij, op of omstreeks 25 augustus 2024 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] eenmaal of meerdere malen tegen de borst, althans tegen het lichaam, te schoppen en/of trappen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging tot zware mishandeling;
feit 2 en feit 3:
mishandeling.
5. De strafbaarheid van de feiten
De rechtbank overweegt nader dat het beroep op noodweer, hetgeen ten aanzien van het feit onder 1 moet worden gezien als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, op de hiervoor vermelde gronden wordt verworpen.
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een straf die conform de richtlijn van het openbaar ministerie is, gelet op de rol van aangevers, geen recht doet aan de situatie. Een gevangenisstraf zal grote gevolgen voor verdachte hebben en de raadsman verzoekt daarom te volstaan met de oplegging van een taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op één avond schuldig gemaakt aan twee ernstige mishandelingen, waarbij hij [slachtoffer 3] , zijn neef, een klap in het gezicht heeft gegeven en [slachtoffer 4] , zijn tante, een trap tegen haar borst. Daarnaast is hij met zijn auto op zijn oom, [slachtoffer 1] ingereden waardoor deze ernstig letsel heeft opgelopen. Wat er ook gaande mag zijn geweest binnen de familie, het gebruik van geweld is geenszins de oplossing hiervoor. Tegelijkertijd heeft de rechtbank ook oog voor het feit dat de aangevers zelf mogelijk ook een aandeel hebben gehad in de escalatie.
Uit het strafblad van verdachte van 11 september 2024 volgt dat hij niet recent is veroordeeld.
In het op 13 maart 2026 opgemaakte reclasseringsadvies wordt beschreven dat verdachte naar behoren lijkt te functioneren op diverse leefgebieden. Betrokkene heeft werk en er zijn geen financiële problemen, daarnaast is geen sprake van verslavings- en/of psychische problematiek. Er zijn voorts bij de reclassering geen aanwijzingen voor agressieproblematiek. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag en bij een veroordeling adviseert de reclassering om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de maximale duur, te weten 240 uur, en daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank wijkt met deze straf af van de eis van de officier van justitie. Onderhavige geweldsexplosie speelt zich onmiskenbaar af in het kader van een conflict binnen een uitgebreide normaliter hechte familie. Geen van de betrokkenen wil vertellen wat precies de achtergrond is van wat er is gebeurd die avond, maar het moet ernstig zijn geweest. Het heeft er immers toe geleid dat verdachte, die geen noemenswaardig strafblad heeft en die een rustig burgerlijk leven leidt met werk, woning, vrouw en kinderen, ineens door het lint is gegaan. Dat is geen rechtvaardiging voor zijn handelen, maar de rechtbank houdt er, kennelijk meer dan de officier van justitie, wel rekening mee bij de straftoemeting. Daarnaast let de rechtbank ook op het tijdsverloop (dat overigens in belangrijke mate ook het gevolg is van de onderzoekswensen van de verdediging), waarbij zich in de tussenliggende periode geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het onder feit 1 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat er sprake is van een lopende procedure via de verzekeringsmaatschappij. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er slechts een zeer summiere letselbeschrijving aanwezig is, waardoor de gevolgen moeilijk vast te stellen zijn.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden die binnen één van de in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde categorieën valt. Door het feit heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen. Verdachte is vanaf 25 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2026.