ECLI:NL:RBGEL:2026:3047

ECLI:NL:RBGEL:2026:3047

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 05/292096-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet, door aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam te rijden, waardoor een verkeersongeval is veroorzaakt en een fietser zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank legt een taakstraf op van 120 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/292096-25

Datum uitspraak : 10 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. I. de Gram, advocaat in 's-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op 24 oktober 2024 te Poederoijen in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Maarten van Rossumweg, gaande in de richting van de Afsluitdijk, daarmede rijdende over de Maasdijk,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het donker was en/of mistig was en/of

terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of

terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (de kruising Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek”) en/of

terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd,

- ter hoogte van de T-splitsing dat werd gevormd door de voor het openstaande verkeer openstaande wegen de Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek” , naar links in de richting van die Afsluitdijk is afgeslagen en/of doende was af te slaan en/of een voor verdachte van gezien van links komende rijdende fietser, niet ongehinderd haar weg te laten vervolgen en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden, immers is hij met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig op het weggedeelte voor het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 24 oktober 2024 te Poederoijen in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Maarten van Rossumweg, gaande in de richting van de Afsluitdijk, daarmede rijdende over de Maasdijk,

terwijl het donker was en/of mistig was en/of

terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of

terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (de kruising Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek”) en/of

terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd,

- ter hoogte van de T-splitsing dat werd gevormd door de voor het openstaande verkeer openstaande wegen de Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek” , naar links in de richting van die Afsluitdijk is afgeslagen en/of doende was af te slaan en/of een voor verdachte van gezien van links komende rijdende fietser, niet ongehinderd haar weg te laten vervolgen en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden ,immers is hij met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig op het weggedeelte voor het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Poederoijen , gemeente Zaltbommel als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/kruising ,de Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek” , niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 oktober 2024 heeft in Poederoijen in de bocht tussen de Maasdijk en de Afsluitdijk een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto en een fietser betrokken waren. De bestuurder van de auto, verdachte, reed op de Maasdijk, komende vanuit de Maarten van Rossumweg, in de richting van de Afsluitdijk. De fietser, [slachtoffer] , reed vanaf de Afsluitdijk de Maasdijk op (‘Poederoijenshoek’). Verdachte heeft, terwijl hij de bocht nam, met de linker autospiegel [slachtoffer] geraakt, waardoor zij ten val kwam. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Het ongeval vond plaats in de ochtend, het was op dat moment mistig en donker.

Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen. Na het ongeval is zij meegenomen naar het ziekenhuis, waar zij twee nachten heeft moeten blijven. In het ziekenhuis is geconstateerd dat haar linkeroogkas was gebroken en haar ribben waren gekneusd. Daarnaast had zij een gescheurde pees in haar schouder en was sprake van een hoofdwond die gehecht moest worden. Verder bleek haar linkerenkel op twee plaatsen gebroken (tweezijdige gecompliceerde breuk), waaraan zij geopereerd is en waardoor zij haar voet zes weken niet mocht belasten. [slachtoffer] heeft daarna fysiotherapie gekregen ten behoeve van haar herstel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het onvoldoende rechts houden niet kan worden bewezen en dat alleen sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid, waarbij verdachte het slachtoffer niet (tijdig) heeft opgemerkt op het moment dat hij de bocht in reed. Aldus is sprake van één enkele verkeersfout, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen voor het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij een oranje fluorescerend hesje over haar jas droeg. Vlak voor de T-kruising zag zij een auto van rechts aan komen rijden in haar richting. Haar plaats op de weg was op dat moment uiterst rechts. [slachtoffer] zag dat de auto naar links stuurde, maar dan scherp. De auto kwam hierbij op haar rijstrook terecht.

Verdachte heeft verklaard dat hij linksaf sloeg de bocht in richting de Afsluitdijk. Hij heeft [slachtoffer] op haar fiets niet gezien. Hij heeft ook geen fietslicht gezien toen hij de bocht in wilde sturen. Verder heeft hij verklaard dat het mistig was en dat de weg in beide richtingen niet erg breed is. Op het moment dat je aan komt rijden en de bocht soepel wilt doorrijden, kan het zo zijn dat je onbewust iets eerder op de rijstrook van tegemoetkomend verkeer komt, aldus verdachte.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor een tekening gemaakt van de verkeerssituatie net voorafgaand aan het ongeval, waarbij hij zijn voertuig meer op de linker weghelft heeft getekend, vlak voordat hij de bocht omging.

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en van verdachte zelf vast dat verdachte de bocht is ingereden op de T-splitsing bij de zogenoemde ‘Poederoijensehoek’, waarbij hij onvoldoende rechts heeft gehouden en waardoor hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en onvoldoende op de weg voor hem heeft gelet. Hij heeft immers [slachtoffer] , terwijl zij een oranje fluorescerend hesje droeg, niet gezien. Verdachte is hierdoor in botsing gekomen met [slachtoffer] , die vanuit de tegengestelde richting gefietst kwam. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hierbij dus niet om een moment van onoplettendheid. Verdachte reed vrijwel dagelijks op de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden, waardoor hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse. In de ochtend van het ongeval was het mistig en donker, waarbij verdachte een voor hem dus bekende onoverzichtelijke en smalle bocht inreed. In die gegeven omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte extra voorzichtig en oplettend had moeten zijn en de bocht ruimer had moeten nemen, gezien de kans op tegenliggers.

Gelet op de aard van het letsel van [slachtoffer] , de noodzaak van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel, is de rechtbank van oordeel dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 24 oktober 2024 te Poederoijen in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Maarten van Rossumweg, gaande in de richting van de Afsluitdijk, daarmede rijdende over de Maasdijk, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het donker was en/of mistig was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (de kruising Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek”) en/of terwijl een toen aldaar rijdende fietser zeer dicht was genaderd,

- ter hoogte van de T-splitsing dat werd gevormd door de voor het openstaande verkeer openstaande wegen de Maasdijk/Nieuwendijk en Afsluitdijk / kruising “Poederoijensehoek” , naar links in de richting van die Afsluitdijk is afgeslagen en/of doende was af te slaan en/of een voor verdachte van gezien van links komende rijdende fietser, niet ongehinderd haar weg te laten vervolgen en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden, immers is hij met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig op het weggedeelte voor het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

tot het verrichten van 120 uren taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis en voorts een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding, waardoor een zo groot mogelijk deel van een straf voorwaardelijk zou moeten worden opgelegd. Ten aanzien van een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman bepleit dat ook die (grotendeels) voorwaardelijk zou moeten zijn en dat de duur hiervan zo veel mogelijk moet worden beperkt.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op 24 oktober 2024 als bestuurder van een personenauto, een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft onvoldoende rechts gehouden op het moment dat hij de bocht nam. Hij heeft [slachtoffer] – die in de binnenbocht op haar eigen weghelft fietste – niet gezien. Verdachte heeft [slachtoffer] met zijn autospiegel geraakt, waardoor zij is gevallen. Zij heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waar zij nog altijd last van heeft, zoals is gebleken uit de verklaring die zij ter zitting heeft voorgelezen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij niet beter opgelet heeft en meer rechts heeft gehouden op het moment dat hij de bocht nam. Dit temeer nu het die ochtend donker en mistig was, waardoor van verdachte verwacht mocht worden dat hij extra oplettend was.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel van het strafblad van verdachte van 25 februari 2026. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste taakstraf passend is. In afwijking van de eis van de officier van justitie, legt de rechtbank de geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op, gelet op het tijdsverloop en de schuldbewuste houding van verdachte.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Breimer
  • mr. A. van Veldhuizen

Griffier

  • mr. L. Willems

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?