ECLI:NL:RBGEL:2026:309

ECLI:NL:RBGEL:2026:309, Rechtbank Gelderland, 16-01-2026, ARN 24/8606

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer ARN 24/8606
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Intrekking jachtakte. Minister kan zich op basis van meerdere processen-verbaal op het standpunt stellen dat gebleken is van verdenkingen van verschillende wetsovertredingen en betrokkenheid van eiser bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters). Vrees voor misbruik. Geen lichte onregelmatigheid. Evenredigheid. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser], uit [plaats], eiser

de minister van Justitie en Veiligheid

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van Politie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8606

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

en

(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

1. Deze uitspraak gaat over intrekking van de aan eiser verleende jachtakte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de jachtakte heeft kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. De korpschef heeft in het besluit van 11 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die intrekking gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft op 1 april 2023 (opnieuw) een jachtakte gekregen. Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024.

Op 14 september 2023 is bij eiser thuis een controle gehouden door twee buitengewoon opsporingsambtenaren in het kader van de naleving van de Wet op de economische delicten (WED). Eiser werd verdacht van het vangen van inheemse beschermde vogels in strijd met artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Eiser is vervolgens op 16 oktober 2023 voor deze verdenking en voor een drietal andere verhoord. Uit het proces-verbaal van verhoor van 16 oktober 2023 blijkt dat eiser gebruik heeft gemaakt van zijn recht om geen antwoord te geven op de gestelde vragen. In het proces-verbaal is onder meer opgenomen dat de politie smartphones in beslag heeft genomen (o.a. op 19 juni 2023). Op deze telefoons stond een Whatsappgroep genaamd “Blokperiode”. Eiser maakte hier deel van uit. In deze groepschat werd voornamelijk gecommuniceerd over het vangen van kraaien en het fabriceren van kraaienvangkooien. Verder is al vóór de controle en het verhoor een opsporingsonderzoek verricht naar het gebruik van onvergunde kraaienvangkooien. Het betreft, zo blijkt uit het proces-verbaal van 3 juli 2023, een digitaal onderzoek van Whatsappverkeer tussen eiser en een ander. Uit de transcripties is geconcludeerd dat eiser en de andere persoon zich bezig hielden met het opzettelijk doden en/of vangen van in het wild levende vogels die van nature in Nederland voorkomen; hoofdzakelijk kraaiachtigen, zoals zwarte kraaien (corvus corone) en eksters (pica pica).

De korpschef heeft op 30 januari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte gestuurd naar eiser. Eiser heeft hierop zijn zienswijze kenbaar gemaakt met de e-mail van 29 februari 2024.

Met het besluit van 11 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik.

Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 17 oktober 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte gebleven.

Procesbelang

4. De rechtbank stelt vast dat de ingetrokken jachtakte geldig was tot 31 maart 2024, zodat eiser met deze procedure niet meer kan bereiken dat die weer gaat gelden.

Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat hij elk jaar een nieuwe jachtakte aanvraagt. Gelet hierop heeft eiser nog steeds procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik en heeft de minister die conclusie voldoende gemotiveerd?

5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van vrees voor misbruik en dat de minister die conclusie onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert hij aan dat de minister ten onrechte uit ‘bevindingen rondom de woning’ van eiser een vrees voor misbruik afleidt. De bevindingen zijn gedaan in schuren die niet van eiser zijn en op een terrein dat niet van eiser is. Omdat elke link met eiser ontbreekt kunnen de bevindingen niet een vrees voor misbruik onderbouwen. Daarnaast kent de minister een betekenis toe aan eisers uitspraken tijdens de controle die onjuist en te vergaand is. Ook is van belang dat eiser een blanco strafblad heeft en referenten heeft opgevoerd die kunnen verklaren over de persoon van eiser. De korpschef had die referenten moeten bevragen om een zo compleet mogelijk beeld van eiser te krijgen.

De minister stelt zich op het standpunt dat uit de informatie vanuit de politie blijkt dat er voldoende grond is voor intrekking van de jachtakte. Het gaat ten eerste om bevindingen die zijn gedaan bij de controle op 14 september 2023 bij eiser thuis. De opsporingsambtenaren hebben bij de controle het volgende aangetroffen, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023:

1. diverse vogelvangkooien, thans niet werkend maar wel geschikt voor het vangen van vogels;

2. een wildklem in een schuur, model Duitse “Trap”;

3. een witte plastic bus in een schuur met het opschrift “Rattengif”, In de bus zaten zwarte granulaat korrel vermoedelijk Temik met als werkzame stof Aldicarb (het bezit en voorhanden hebben is strafbaar gesteld ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden);

4. een aluminium verpakking in een schuur met daarin Luxan mollentabletten (deze tabletten mogen uitsluitend gebruikt worden door personen die in het bezit zijn van een vakbekwaamheidsbewijs Mollen- en Woelratten bestrijding. Eiser bezit niet een dergelijk certificaat en maakt zich schuldig aan een overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden);

5. een hond in een hondenkennel met een zogenaamde “schokband” (de hond droeg een halsband met daaraan een kastje. Middels een afstandsbediening was het mogelijk de hond een elektrische schok toe te dienen bij ongewenst gedrag. De hond gedroeg zich panisch en schichtig. Dit soort halsbanden zijn niet toegestaan en is een vorm van dierenmishandeling inzake artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Dieren. 6. de elektrische halsband is inbeslaggenomen en eiser is gevorderd de band uit te leveren. Eiser heeft de halsband bij de hond losgemaakt en vervolgens de band tegen de muur kapot geslagen. Eiser heeft bewust de halsband vernield waarvoor hem proces-verbaal is aangezegd inzake vernieling van inbeslaggenomen goederen inzake artikel 198 Wetboek van Strafrecht);

7. een emmer in een schuur met vermoedelijk het bestrijdingsmiddel Sorkil G (ook voor dit middel is gebruik uitsluitend toegestaan mits de gebruiker in het bezit is van een vakbekwaamheidsbewijs Mollen- en Woelratten bestrijding. Eiser bezit niet een dergelijk certificaat en maakt zich schuldig aan een overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

Eiser heeft hier uitspraken over gedaan die in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 zijn opgenomen. De minister betwist dat hij aan deze uitspraken een bepaalde betekenis heeft toegekend die onjuist is. Het gaat om uitspraken die aantonen dat eiser in ieder geval wist van de aanwezigheid van het rattengif en de mollentabletten. De vrees voor misbruik is overigens niet uitsluitend gebaseerd op het aantreffen van goederen rondom de woning van eiser. Uit de Whatsappberichten en de processen-verbaal blijkt dat eiser betrokken is bij de bouw, het onderhoud en het gebruik van vogelvangkooien zonder ontheffing. Dat eiser een blanco strafblad heeft betekent niet dat geen sprake is of kan zijn van vrees voor misbruik. Gelet op het totaalbeeld en de informatie vanuit de politie die is betrokken in de besluitvorming, blijkt dat er voldoende grondslag is voor een intrekking van de jachtakte. Juist een jager die tot taak heeft op een verantwoorde manier om te gaan met het doden van dieren zou beter moeten weten en zou zich moeten houden aan de geldende regels.

De rechtbank stelt voorop dat het hebben van een jachtakte een bijzondere positie met zich brengt. Een houder van een jachtakte mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd.

De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” en “vrees voor misbruik” worden nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een blanco strafblad heeft. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desalniettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de bevindingen tijdens de controle ter plaatse en het digitale onderzoek van Whatsappverkeer blijkt dat sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft aan de vrees voor misbruik namelijk ook geen veroordeling ten grondslag gelegd, maar zogenaamde ‘andere omtrent de aanvraag bekende feiten’ (zie onder 5.3). En die kunnen ook aanleiding zijn, zo blijkt uit de Circulaire, om een vrees voor misbruik aan te nemen. De minister kan zich op het standpunt stellen dat uit de 5.1 opgesomde bevindingen en het onderzoek naar Whatsappgesprekken zoals gerapporteerd in het proces-verbaal van 3 juli 2023 blijkt van verdenkingen van verschillende wetsovertredingen en van zodanige betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) dat sprake is van vrees voor misbruik. Zo staat in het proces-verbaal van 3 juli 2023, naast verschillende afbeeldingen en gesprekken over vogelvangkooien, de volgende passage uit een Whatsappconversatie:

“[naam eiser]:

“Je mot een zwarte hebben”

[zwarte balk]:

“Ja maar deze zitten er ook zat dus die die kan ik dan misschien in kleine kooi van

[persoon A] vangen die staat ook nog bij mij””

Eisers betoog over de bevindingen rondom de woning maakt dat niet anders. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 blijkt dat eiser in elk geval wist van de aanwezigheid van het rattengif en de mollentabletten. In het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 staat namelijk dat eiser als volgt op de aanwezigheid van het rattengif en de mollentabletten gereageerd:

“Dat spul gebruik ik niet, dat staat er al jaren.”

Ook is van belang dat in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023 staat dat bij de controle ter plaatse een hond is aangetroffen met een halsband met een blokvormig kastje dat een verboden elektrische (correctie)halsband zou kunnen zijn. Voor inbeslagname heeft de verbalisant eiser gevraagd de halsband af te nemen, omdat de hond zo min mogelijk te verontrusten. Eiser heeft dat gedaan, zo blijkt nog steeds uit het proces-verbaal van bevindingen, maar heeft de halsband vervolgens tegen de naastgelegen bakstenen wand geslagen, afgegeven en daarbij gezegd:

“Zo nou mag je de halsband hebben! Doe er mee wat je wil!”

De minister kan, zoals hij stelt, uit het totaalbeeld dat uit de bevindingen tijdens de controle ter plaatse, eisers opmerkingen tijdens die controle en dat wat uit het Whatsappverkeer naar voren komt, concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Er is verder geen rechtsregel die voorschrijft dat de minister gehoor moet geven aan een oproep om referenten over de vrees voor misbruik te horen. Uit de informatie waarop de minister zijn besluit heeft gebaseerd kan de minister, zoals hiervoor overwogen, een vrees voor misbruik afleiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister voor een minder vergaande maatregel moeten kiezen?

6. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een waarschuwing. Eiser voert daartoe aan dat de schuren, terreinen en inhoud niet van eiser zijn en dat daarom uitsluitend een waarschuwing meer op zijn plaats zijn. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat er ondanks veroordelingen nog steeds ruimte is voor het niet aannemen van enige vrees voor misbruik of dat, ondanks veroordelingen, kan worden volstaan met een waarschuwing.

De minister stelt dat alleen in geval van een lichte onregelmatigheid sprake kan zijn van een schriftelijke waarschuwing. Daarvan is in dit geval geen sprake. De jurisprudentie waar eiser in de zienswijze naar heeft verwezen maakt niet dat in zijn geval moest worden volstaan met een waarschuwing. In de zaken waarin de jachtakte niet werd ingetrokken, was sprake van administratieve fouten, een ander feitencomplex of bijzondere omstandigheden.

De beroepsgrond slaagt niet. Uit de Circulaire volgt dat de korpschef een jachtakte niet hoeft in te trekken als sprake is van een lichte onregelmatigheid. In dat geval kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Volgens de circulaire gaat het bij een lichte onregelmatigheid om kleine onjuistheden of slordigheden. Zoals de rechtbank onder 5.5 heeft overwogen kan de minister zich op het standpunt stellen dat uit de verschillende processen-verbaal blijkt van verdenkingen van verschillende wetsovertredingen en van betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters). De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat geen sprake is van een lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan. Dat in andere zaken, waarin soms ook sprake was van een veroordeling, kon worden volstaan met een waarschuwing maakt dat oordeel niet anders.

Was er aanleiding voor de minister om af te wijken van de standaard terugkijktermijnen in de Circulaire?

7. Eiser betoogt dat de omstandigheden aanleiding geven om op grond van onderdeel B, paragraaf 1.2., ad a, onder het kopje afwijking termijnen van de Circulaire af te wijken van de standaardbepalingen over de te hanteren terugkijktermijnen voor verweten gedragingen.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister betoogt terecht dat het onderdeel van de Circulaire waar eiser naar verwijst ziet op de situatie waarin de intrekking van een jachtakte is gebaseerd op een veroordeling. In dit geval ligt de vrees voor misbruik aan de intrekking ten grondslag, zoals neergelegd in onderdeel B, paragraaf 1.2, ad b, van de Circulaire. Hierin zijn geen termijnen genoemd waarvan afgeweken zou kunnen worden en moeten worden.

Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

8. Eiser betoogt dat zijn persoonlijke belangen moeten prevaleren. Hij stelt zijn jachtakte beroepsmatig nodig te hebben. Eiser is namelijk betrokken bij het bestrijden van schade door wilde zwijnen op agrarische grond en heeft er belang bij om dat te kunnen voortzetten gezien zijn beroep en bedrijf.

De minister stelt zich op het standpunt dat een jachtakte wordt ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. De feiten en omstandigheden bieden voldoende grondslag om te concluderen dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Het feit dat eiser de schade door wilde zwijnen op landbouwgrond wil beperken en dat dit invloed heeft op zijn beroep en bedrijf, maakt het standpunt van de minister niet anders. De minister stelt zich op het standpunt dat het zwaarwegende algemene belang van de veiligheid in de samenleving boven eisers persoonlijke belangen moet prevaleren.

Het betoog van eiser dat de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen voorrang heeft gegeven aan zijn belangen, slaagt niet. Voor de beoordeling van dit betoog is van belang dat artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is voor zowel intrekking als weigering van de jachtakte een dwingende formulering die in beginsel geen ruimte laat voor een afweging van de belangen van eiser. Dat doet er niet aan af dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn, omdat de rechtbank het betoog van eiser zo begrijpt dat hij vindt dat de toepassing van het artikel voor hem onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft onder 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet eerst voor een schriftelijke waarschuwing is gekozen (zie onder 6.2). De minister kan zich daarom op het standpunt stellen dat de maatregel tot intrekking van de jachtakte noodzakelijk is vanwege de vrees voor misbruik. Eisers betoog dat hij agrariër is en daarnaast wordt ingehuurd om op agrarische percelen de schade door zwijnen te bestrijden is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister van toepassing van zijn intrekkingsbevoegdheid had moeten afzien. Daarvan zou sprake zijn als het besluit gelet op de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1, eerste lid, onder f

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: (…)

een jachtgeweeractiviteit, (…).

Besluit Kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.74t, tweede lid, onder a

2. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als:

a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;

Artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c

1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als: (…)

de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

Circulaire wapens en munitie 2019

B. Bijzonder deel (B), 1.2 Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

B Bijzonder deel (B), 1.2, onder Ad a , onder Ad c, onder afwijking termijnen :

Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?