ECLI:NL:RBGEL:2026:310

ECLI:NL:RBGEL:2026:310, Rechtbank Gelderland, 16-01-2026, ARN 24/9382

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer ARN 24/9382
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Intrekking jachtakte. Minister kan zich op basis van processen-verbaal op het standpunt stellen dat gebleken is van betrokkenheid van eiser bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters). Vrees voor misbruik. Geen lichte onregelmatigheid. Evenredigheid. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

de minister van Justitie en Veiligheid

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef van Politie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/9382

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

en

(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

1. Deze uitspraak gaat over intrekking van de aan eiser verleende jachtakte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de jachtakte heeft kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. De korpschef heeft in het besluit van 11 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 19 november 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die intrekking gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft op 1 april 2023 (opnieuw) een jachtakte gekregen. Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024.

Op 14 september 2023 is eiser verhoord omdat hij wordt verdacht van overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het al dan niet opzettelijk doden/vangen van inheemse vogels). Uit het proces-verbaal van verhoor van 14 september 2023 blijkt dat eiser heeft aangegeven vangkooien te bouwen maar nooit te gebruiken. De vangkooien werden wel gebruikt op het terrein/grond van eiser, maar eiser geeft aan niet te weten door wie. Eiser heeft aangegeven dat hij gevangen kraaien heeft losgelaten. Verder heeft eiser over heel veel vragen “Geen idee". Daarnaast is al vóór het verhoor opsporingsonderzoek verricht naar het gebruik van onvergunde kraaienvangkooien. In de processen-verbaal van bevindingen van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 staan de resultaten van dit onderzoek. Het betreft een digitaal onderzoek van WhatsApp-verkeer tussen eiser en anderen van wie de jachtakte ook is ingetrokken, in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 19 juni 2023. Op die datum is onder eiser een rondvormige ekstervangkooi inbeslaggenomen die stond opgesteld op gestapelde betonplaten op de [locatie] in [plaats] . Ook is toen de telefoon van eiser inbeslaggenomen. Uit de transcripties is verder geconcludeerd dat eiser en de andere personen zich bezig hielden met het opzettelijk doden en/of vangen van in het wild levende vogels die van nature in Nederland voorkomen; hoofdzakelijk kraaiachtigen, zoals zwarte kraaien (corvus corone) en eksters (pica pica).

De korpschef heeft op 6 februari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte gestuurd naar eiser. Eiser heeft hierop zijn zienswijze kenbaar gemaakt met de brief van 29 februari 2024.

Met het besluit van 11 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken omdat er sprake is van vrees voor misbruik.

Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 19 november 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte gebleven.

Daarvoor heeft de minister overwogen dat de feiten en omstandigheden voldoende onderbouwen dat er aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd.

Procesbelang

4. De rechtbank stelt vast dat de ingetrokken jachtakte geldig was tot 31 maart 2024, zodat eiser met deze procedure niet meer kan bereiken dat die weer gaat gelden.

Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat hij elk jaar een nieuwe jachtakte aanvraagt. Gelet hierop heeft eiser nog steeds procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik en heeft de minister die conclusie voldoende gemotiveerd?

5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van vrees voor misbruik en dat de minister die conclusie onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert hij aan dat hij geen strafbare feiten heeft gepleegd en dat geen sprake is van een ernstige aantasting van de rechtsorde. De conclusie van de minister dat cliënt bewust, planmatig en in nauwe samenwerking met anderen vogelvangkooien zou hebben gebouwd, onderhouden en gebruikt is gezien de inhoud van de aangedragen app-berichten niet juist. Eiser betwist voor alle afzonderlijke app-berichten dat daaruit feiten blijken die vrees voor misbruik opleveren. Daarbij komt dat het bouwen en onderhouden niet strafbaar is. Er kan hooguit sprake zijn van een incidentele betrokkenheid bij gebruik van één vangkooi. En als al sprake zou zijn van betrokkenheid dan levert dat geen vrees voor misbruik op. Eiser heeft een blanco strafblad en heeft referenten opgevoerd die kunnen verklaren over de persoon van eiser. De korpschef had die referenten moeten bevragen. Om te kunnen vaststellen of sprake is van misbruik moet namelijk een totaalbeeld van eiser worden gegeven en kan niet uitsluitend naar de gestelde strafbare feiten worden gekeken. Dat totaalbeeld ontbreekt in het bestreden besluit. De minister heeft de vrees voor misbruik daarom ook onvoldoende gemotiveerd.

De minister stelt zich op het standpunt dat uit de informatie vanuit de politie blijkt dat er voldoende grond is voor intrekking van de jachtakte. Uit de processen-verbaal van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 blijkt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het bouwen, het onderhouden en het gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) terwijl daar geen ontheffing voor was verleend. Aan de intrekking is niet uitsluitend het bouwen en onderhouden van vogelkooien ten grondslag gelegd. Juist gelet op het totaalbeeld en de informatie vanuit de politie die is betrokken in de besluitvorming, blijkt dat er voldoende grondslag is voor intrekking van de jachtakte. Er zijn op meerdere locaties werkende vogelvangkooien aangetroffen en inbeslaggenomen. Ter onderbouwing wijst de minister op de volgende passages uit de processen-verbaal van 27 juni 2023 en 3 juli 2023:

“12-02-2023.

[eiser] stuurt zonder begeleidende tekst een foto van een vierkante

ekstervangkooi met daarin twee stuks gevangen eksters (Pica pica).

24. 02-2023

[eiser] stuurt een (1) foto van de op 19 juni 2023 inbeslaggenomen kraaienvangkooi zonder begeleidende tekst. Zichtbaar is in deze foto dat er in de kraaienvangkooi een (1) merel aanwezig is (Turdus merula).

05. 03-2023

[eiser] stuurt een (1 ) foto getiteld met bijschrift:

“Ik vang van alles .

13. 04-2023

(...): “Ik wil ff de ronde kooi gebruiken ff wat zwart wit vangen”

noot verbalisant: mij is ambtshalve bekend dat met zwart-wit eksters (Pica pica) worden bedoeld.

[eiser] : "Ja die lopen er best wel wat in de buurt bij (...) zaten der ook 5 op de vijver. Die staat bij mij achterop die beton platen kun je zo pakken”

14. 05-2023

(...) “Kan ik dinsdag een niet bevroren kraai van jou krijgen.

” [eiser] : “Ja dan moet ik hem maandag uit de vriezer halen”.

18. 05-2023

[eiser] stuurt een (1) foto van de op 19 juni 2023 inbeslaggenomen

rondvormige ekstervangkooi met de begeleidende tekst: “Nu zijn het ter al 3”

In de rondvormige kooi is goed te zien dat in centrale deel de lokvogel, ekster wel een watervoorziening heeft de overige twee gevangen eksters hebben dit niet.

- Proces-verbaal van bevindingen (PL0600-2023240963-26)

30. 01-2023

[eiser] : “Hé kunnen we vrijdag misschien die kooi bouwen ik heb

smiddags papa dag als ik donderdag dan wat hout bij jou haal dan kan ik daar

mooi mee aan de gang en (...) is dan ook vrij denk”.

(...) “Ja dat kan zeker. Wou je ze hier nog bouwen?”

21. 03-2023.

(...): Heb je al kraaien te pakken?

[eiser] : “Nee nog niet.”

17. 05-2023

[eiser] : “Moet ik nog bij jou kraaien kooi kijken” “Ja ga er wel ff langs

moet ook ff kraai hebben ga zo die andere kooi ergens brengen met (...)”

- Proces-verbaal van bevindingen (PL0600-2023240963-27)

02. 02-2023

[eiser] : “Joh heb jij morgen middag ff tijd om die kooien te bouwen heb

hout al gehaald bij [persoon A]”

12. 02-2024

[eiser] : “Krijg binnenkort ekster””

De minister stelt zich op het standpunt dat het voorhanden hebben van wapens en/of munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd. Juist een jager die tot taak heeft op een verantwoorde manier om te gaan met het doden van dieren zou beter moeten weten en zou zich moeten houden aan de geldende regels.

De rechtbank stelt voorop dat het hebben van een jachtakte een bijzondere positie met zich brengt. Een houder van een jachtakte mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. Zowel artikel 5.42, derde lid, van de Omgevingswet als artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c van het Bkl schrijven voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd.

De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” en “vrees voor misbruik” worden nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een blanco strafblad heeft. Er is geen sprake van een veroordeling die de aanleiding is om de jachtakte in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desalniettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de processen-verbaal van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 blijkt dat sprake is van vrees voor misbruik. De minister heeft aan de vrees voor misbruik ook geen veroordeling ten grondslag gelegd, maar zogenaamde andere omtrent de aanvraag bekende feiten (zie onder 5.3). De minister kan zich op het standpunt stellen dat onder meer uit de onder 5.1 geciteerde passages uit verschillende processen-verbaal blijkt van zodanige betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters) dat maakt dat sprake is van vrees voor misbruik. Dat eiser voor alle afzonderlijke app-berichten betwist dat daaruit vrees voor misbruik blijkt maakt dat niet anders. De minister kan, zoals hij stelt, uit het totaalbeeld dat uit het app-verkeer blijkt, concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. De Whatsappgesprekken gaan verder dan uitsluitend over het bouwen van kooien. Zo staat er bijvoorbeeld ook:

“21-03-2023.

(...): Heb je al kraaien te pakken? [eiser] : “Nee nog niet.”

Er is verder geen rechtsregel die voorschrijft dat de minister gehoor moet geven aan een oproep om referenten over de vrees voor misbruik te horen. Uit de informatie waarop de minister zijn besluit heeft gebaseerd kan de minister, zoals hiervoor overwogen, een vrees voor misbruik afleiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister voor een minder vergaande maatregel moeten kiezen?

6. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een waarschuwing. Eiser voert daartoe aan dat er, gezien de inhoud van de app-berichten, hooguit een incidentele en indirecte betrokkenheid van hem kan zijn bij vangactiviteiten van anderen. Dat is niet aan te merken als een ernstige aantasting van de rechtsorde. De minister heeft ook niet gemotiveerd waarom geen sprake is van een lichte onregelmatigheid maar van een ernstige aantasting van de rechtsorde. De minister verwijst uitsluitend naar het gestelde overtreden wetsartikel.

De minister stelt dat alleen in geval van een lichte onregelmatigheid sprake kan zijn van een schriftelijke waarschuwing. Daarvan is in dit geval geen sprake. Eiser wordt namelijk verdacht van het bouwen, onderhouden en gebruiken van vogelvangkooien, conform artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een dergelijk misdrijf kan aangemerkt worden als een ernstige aantasting van de rechtsorde. Uit de processen-verbaal volgt dat eiser gedurende een periode van enkele maanden in 2023 bezig was met het bouwen en gebruiken van vogelvangkooien, terwijl niet is gebleken dat hij daarvoor bevoegd was. Een schriftelijke waarschuwing is daarom niet passend.

De beroepsgrond slaagt niet. Uit de Circulaire volgt dat de korpschef een jachtakte niet hoeft in te trekken als sprake is van een lichte onregelmatigheid. In dat geval kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Volgens de Circulaire gaat het bij een lichte onregelmatigheid om kleine onjuistheden of slordigheden. Zoals de rechtbank onder 5.5 heeft overwogen kan de minister zich op het standpunt stellen dat uit de onder 5.1 geciteerde passages uit verschillende processen-verbaal blijkt van betrokkenheid bij het bouwen, het onderhouden en het zonder vergunning gebruiken van vogelvangkooien (kraaien/eksters). De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister heeft kunnen besluiten dat geen sprake is van een lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan.

Heeft de minister gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

7. Eiser betoogt dat de minister heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft in administratief beroep bij dezelfde korpschef melding gemaakt van valse jachthuurovereenkomsten en van stroperij. Hierop is niet geacteerd. Terwijl dat een veel ernstiger vergrijp is dan de feiten waarvan eiser wordt verdacht.

De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Wat eiser aanvoert is geen omstandigheid die het gedrag van eiser en de daarop gebaseerde vrees voor misbruik raakt. Het gaat niet om een houder van een jachtakte die op dezelfde manier is betrokken bij vogelvangkooien en die zijn jachtakte wel mag houden.

De beroepsgrond slaagt niet. Voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur moet eiser concreet aangeven met welke andere situaties zijn situatie vergelijkbaar is en op welke manier daarin anders is gehandeld. Eiser heeft verzuimd om gelijke situaties te benoemen waarin de minister anders heeft gehandeld, bijvoorbeeld door de jachtakte niet in te trekken en ‘slechts’ een waarschuwing te geven.

Was er aanleiding voor de minister om af te wijken van de standaard terugkijktermijnen in de Circulaire?

8. Eiser betoogt dat de omstandigheden aanleiding geven om op grond van onderdeel B, paragraaf 1.2., ad a, onder het kopje afwijking termijnen van de Circulaire, af te wijken van de standaardbepalingen over de te hanteren terugkijktermijnen voor verweten gedragingen.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister betoogt terecht dat het onderdeel van de Circulaire waar eiser naar verwijst ziet op de situatie waarin de intrekking van een jachtakte is gebaseerd op een veroordeling. In dit geval ligt de vrees voor misbruik aan de intrekking ten grondslag, zoals neergelegd in onderdeel B, paragraaf 1.2, ad b, van de Circulaire. Hierin zijn geen termijnen genoemd waarvan afgeweken zou kunnen en moeten worden.

Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

9. Eiser heeft op de zitting nog toegelicht dat hij aan schadebestrijding doet en dat het daarom voor hem belangrijk is dat hij weer in het bezit is van een jachtakte.

Voor zover eiser hiermee betoogt dat de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen voorrang heeft gegeven aan zijn belangen, slaagt dat betoog niet. Voor de beoordeling van dit betoog is van belang dat artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is voor zowel intrekking als weigering van de jachtakte een dwingende formulering die in beginsel geen ruimte laat voor een afweging van de belangen van eiser. Dat doet er niet aan af dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn, omdat de rechtbank het betoog van eiser zo begrijpt dat hij vindt dat de toepassing van het artikel voor hem onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft onder 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet eerst voor een schriftelijke waarschuwing is gekozen (zie onder 6.2). De minister kan zich daarom op het standpunt stellen dat de maatregel tot intrekking van de jachtakte noodzakelijk is vanwege de vrees voor misbruik. Eisers betoog dat hij wordt ingehuurd om op twee landgoederen aan schadebestrijding te doen is geen zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister van toepassing van zijn intrekkingsbevoegdheid had moeten afzien. Daarvan zou sprake zijn als het besluit gelet op de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de jachtakte in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wettelijk kader

Omgevingswet

Artikel 5.1, eerste lid, onder f

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: (…)

een jachtgeweeractiviteit,

Artikel 5.39, onder a

Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:

a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,

Artikel 5.42, derde lid

3. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid die voorhanden te hebben, of waarin er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

Besluit Kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder a

Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:

a. de bij aan aanvraag om die omgevingsvergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, als de juiste gegevens waren verstrekt, de vergunning zou zijn geweigerd;

Artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c

1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als: (…)

de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

Artikel 8.104, derde lid, aanhef en onder a

Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit kan die omgevingsvergunning intrekken, als:

a. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheid om de jacht uit te oefenen misbruik maakt;

Circulaire wapens en munitie 2019

B. Bijzonder deel (B), 1.2 Invulling van het ‘vrees voor misbruik’criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

B Bijzonder deel (B), 1.2, onder Ad. a, onder Ad. C, onder afwijking termijnen :

“Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.”

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?