RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-222346-25
Datum uitspraak : 22 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. J. Gunning, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- een of meerdere afbeeldingen van [aangever 2] op de oprit achter te laten en/of
- een of meerdere malen met een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, kogels op de woning en/of de toegangspoort tot het terrein waarop de woning staat af te vuren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
[medeverdachte] , op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- een of meerdere afbeeldingen van [aangever 2] op de oprit achter te laten en/of
- een of meerdere malen met een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, kogels op de woning en/of de toegangspoort tot het terrein waarop de woning staat af te vuren,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het (vlucht) voertuig (met [medeverdachte] als inzittende) te besturen;
2.
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, op hen te richten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:
[medeverdachte] , op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, op hen te richten
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het (vlucht) voertuig (met [medeverdachte] als inzittende) te besturen;
3.
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals primair ten laste gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , zodat medeplegen niet bewezen kan worden. De gedraging van verdachte [verdachte] (het besturen van een auto) pleegt doorgaans met medeplichtigheid in verband te worden gebracht en niet met plegen; verdachte dient alleen daarom al van het primair ten laste gelegde plegen te worden vrijgesproken. Verdachte had echter geen wetenschap van wat [medeverdachte] zou gaan doen, zodat ook van opzet op de bedreiging geen sprake kan zijn. Ook medeplichtigheid daaraan kan dus niet worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] in de nacht van 28 juli 2025 door [verdachte] met een auto is opgehaald in [woonplaats] . Vervolgens zijn zij samen naar de opdrachtgever gereden waar [medeverdachte] een automatisch vuurwapen, Kalasjnikov type AK-47, heeft opgehaald. Daarna zijn [medeverdachte] en [verdachte] , na een korte tussenstop bij een tankstation, samen naar Overasselt gereden. [medeverdachte] zat achterin met een grote sporttas met het vuurwapen, [verdachte] bestuurde de auto. In Overasselt heeft [verdachte] de auto geparkeerd en is [medeverdachte] naar de verderop gelegen woning aan [adres] gelopen. Daar heeft hij de omgeving ongeveer een half uur geobserveerd en toen hij er zeker van was dat alles stil bleef, heeft hij omstreeks 03:58 uur met de AK-47 in totaal 25 kogels afgevuurd op de toegangspoort tot het terrein van de woning. Daarbij liet hij door de opdrachtgever meegegeven foto’s achter van één van de bewoners. Vervolgens is [medeverdachte] naar de auto gevlucht en ingestapt, waarna [verdachte] is weggereden.
[verdachte] heeft verklaard dat hij via Snapchat is benaderd om voor 500 euro een auto te regelen en iemand van A naar B te brengen. Hij heeft een auto gehuurd, hij kreeg de locatie van de voor hem onbekende [medeverdachte] door en heeft hem opgehaald en naar Overasselt gebracht. Hij dacht dat het een soort snorder ritje was, maar vond het bedrag van 500 euro wel aan de hoge kant voor een dergelijk ritje. Hij heeft vragen gesteld, maar kreeg te horen dat het beter was als hij niet te veel wist. [verdachte] had het vermoeden dat het geen zuivere koffie was wat [medeverdachte] ging doen, maar hij durfde naar eigen zeggen niet door te vragen, omdat hij bang was dat hij na het horen van het antwoord niet meer zou durven.
Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat hij erkent dat hij als chauffeur met [medeverdachte] mee naar Overasselt is geweest, maar ontkent dat hij wetenschap had van het plan om daar de toegangspoort van een perceel met een woning te beschieten.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of [verdachte] als medepleger van de door [medeverdachte] uitgevoerde bedreiging kan worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen is vereist dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] . De rechtbank is van oordeel dat het bewijs daarvoor ontbreekt. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering (alleen [medeverdachte] is uitgestapt en heeft schoten gelost en afbeeldingen achtergelaten) en uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de bijdrage van [verdachte] aan het ten laste gelegde uit meer heeft bestaan dan het optreden als chauffeur. Dat is van onvoldoende gewicht voor een bewezenverklaring van medeplegen.
Het optreden als chauffeur is een gedraging die doorgaans met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht. Vast staat dat [verdachte] door zijn chauffeursdiensten onmiskenbaar behulpzaam is geweest bij het plegen van het feit. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is vereist dat bewezen kan worden dat het opzet van [verdachte] – in ieder geval in voorwaardelijke zin – zowel was gericht op de bedreiging zelf als op zijn behulpzaamheid daarbij. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is het minst genomen dubieus te noemen dat [verdachte] in opdracht van iemand anders voor 500 euro een voor hem onbekende jongen heeft opgehaald, zij vervolgens een grote tas hebben opgehaald en daarmee midden in de nacht naar de andere kant van het land zijn gereden. Dat [verdachte] , naar zijn eigen zeggen, aanvoelde dat het geen zuivere koffie was, begrijpt de rechtbank dan ook heel goed. Het is moeilijk te geloven dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] gedurende de reis vanuit [woonplaats] naar Overasselt niet gesproken is over het doel van de reis, zoals [verdachte] beweert. Verder valt op dat [verdachte] pas na het gereedkomen van het dossier een verklaring heeft afgelegd en hij zich ter zitting ten aanzien van meerdere (kritische) vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Hierdoor ontstaat het beeld dat [verdachte] meer weet dan hij heeft willen loslaten en is het de vraag of zijn verklaringen geloofwaardig zijn. Het komt echter niet aan op de vraag of de rechtbank [verdachte] gelooft, maar op de vraag of op grond van de bewijsmiddelen in het dossier buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij wist voor welk concreet strafbaar feit hij [medeverdachte] naar de andere kant van het land reed. Kortom: of daar bewijs voor is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de genoemde omstandigheden – hoewel verdacht – hiervoor onvoldoende.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd oordeelt de rechtbank dat uit het feit dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het wapen is gaan halen nadat hij door [verdachte] was opgehaald, niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat [verdachte] dus wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van dit wapen. Vast staat immers dat dit wapen in een grote sporttas werd vervoerd. Bewijs dat het wapen in [woonplaats] of gedurende de autorit is gezien door [verdachte] ontbreekt. Uit de verklaring van [medeverdachte] kan niet worden afgeleid dat [verdachte] wist dat hij een wapen had opgehaald en ander bewijs voor wetenschap bij [verdachte] dat [medeverdachte] een wapen bij zich had en op de poort zou schieten, ontbreekt. Wat er na het schieten is gebeurd – het na het horen van de knallen samen met [medeverdachte] wegrijden van de plaats delict – kan niet als bewijs dienen voor opzet op het gronddelict of op de behulpzaamheid daarbij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vereiste opzet voor medeplichtigheid geen sprake is.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] als medepleger, dan wel als medeplichtige betrokken is geweest bij de bedreiging. Dit betekent dat de rechtbank het tenlastegelegde niet bewezen vindt. Verdachte zal daarvan integraal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan de bedreiging van de politieagenten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat uit het dossier op geen enkele wijze volgt dat verdachte betrokkenheid had bij de bedreiging van de politieagenten, dan wel dat hij hierbij op enige wijze behulpzaam is geweest.
Beoordeling door de rechtbank
Uit de bewijsmiddelen in het dossier en wat ter zitting is besproken, leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.
Nadat [medeverdachte] de schoten op de toegangspoort had gelost, is hij weer bij [verdachte] in de auto gestapt en zijn zij weggevlucht. [verdachte] was de bestuurder van de auto vanuit Overasselt, [medeverdachte] zat achterin. Gewaarschuwde politie is achter hen komen rijden en heeft meerdere stoptekens gegeven. In de auto hebben [verdachte] en [medeverdachte] afgesproken dat [medeverdachte] uit zou stappen en [verdachte] weg zou rijden. Daarna zou het ieder voor zich zijn.
Op enig moment is [verdachte] in Beuningen gestopt om [medeverdachte] uit de auto te laten. [medeverdachte] is uitgestapt met het vuurwapen en in de beweging die hij vervolgens maakte, is de loop van het wapen op de inmiddels eveneens uitgestapte politieagenten gericht geweest. De politieagenten hebben zich door de op hen gerichte AK-47, volstrekt begrijpelijk, zeer ernstig bedreigd gevoeld.
De rechtbank overweegt dat op geen enkele wijze blijkt van enige actieve betrokkenheid van [verdachte] bij het richten van het vuurwapen op de politieagenten. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt.
Naar het oordeel van de rechtbank is verder niet komen vast te staan dat [verdachte] behulpzaam is geweest bij de door [medeverdachte] gepleegde bedreiging, laat staan dat zijn opzet hierop was gericht. Het enkele feit dat hij [medeverdachte] op enig moment heeft laten uitstappen, zodat zij beiden weg konden vluchten, is hiervoor onvoldoende.
Concluderend acht de rechtbank niet bewezen dat [verdachte] als medepleger, dan wel als medeplichtige, betrokken is geweest bij de bedreiging van de politieagenten. Dit betekent dat de rechtbank het tenlastegelegde niet bewezen vindt. Verdachte zal daarvan integraal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
De feiten
[verdachte] en [medeverdachte] zijn in de nacht van 28 juli 2025 vanuit [woonplaats] naar Overasselt gereden. In Overasselt is [medeverdachte] uit de auto gestapt met een grote sporttas. [medeverdachte] is naar een verderop gelegen woning gelopen waar hij 25 kogels heeft afgevuurd op de toegangspoort tot het erf van een woning. Dit deed hij met een automatisch geweer, namelijk een Kalasjnikov type AK-47, kaliber 7.62 nato. Nadat hij de poort had beschoten, is [medeverdachte] met dit vuurwapen weer in de auto gestapt waarna [verdachte] en [medeverdachte] zijn weggereden. In Beuningen zijn zij, met de politie achter zich, gestopt en vervolgens is [medeverdachte] met het wapen uitgestapt en weggevlucht. Bij het aantreffen van het wapen in Beuningen zat er nog één kogelpatroon van het kaliber 7.62 nato in het wapen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen en hij hierover bovendien geen beschikkingsmacht had.
Beoordeling door de rechtbank
Vast staat dat [medeverdachte] die nacht een Kalasjnikov, type AK-47 voorhanden heeft gehad. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [verdachte] als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Voor een veroordeling voor het – als medepleger – voorhanden hebben van een voorwerp moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Uit het dossier volgt dat [verdachte] [medeverdachte] heeft opgehaald in [woonplaats] en zij samen naar de opdrachtgever zijn gereden waar [medeverdachte] een automatisch vuurwapen heeft opgehaald dat vervoerd werd in een grote sporttas. Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 al overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit het enkele feit dat [medeverdachte] het wapen heeft opgehaald nadat hij door [verdachte] was opgehaald niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat [verdachte] tijdens de rit naar Overasselt dus wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van dit wapen (in de tas). Uit de verklaring van [medeverdachte] kan niet worden afgeleid dat [verdachte] wist dat hij een wapen had opgehaald en ander bewijs dat [verdachte] zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwapen ontbreekt.
Dat is wat de rechtbank betreft anders vanaf het moment dat [medeverdachte] in Overasselt de toegangspoort naar de woning had beschoten en hij met het wapen weer bij [verdachte] in de auto stapte.
[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] had verteld dat hij naar een huis zou gaan om iets af te handelen. Hij stond al enige tijd op [medeverdachte] te wachten toen hij ineens harde knallen hoorde. Hij dacht aan vuurwerk of een vuurwapen en hij bracht de knallen in verband met [medeverdachte] . Daarna kwam [medeverdachte] rennend terug bij de auto met dezelfde tas en hij was volledig buiten adem. Op dat moment kwam het in [verdachte] hoofd op dat er misschien een wapen in de tas zat. [verdachte] wilde [medeverdachte] niet achterlaten in Overasselt en heeft bewust gewacht tot [medeverdachte] weer was ingestapt. Na het instappen zei [medeverdachte] dat ze zo snel mogelijk weg moesten, omdat het fout was gegaan.
Voor zover [verdachte] ter terechtzitting heeft verklaard dat na het instappen door [medeverdachte] in de auto tussen hun beiden niet zou zijn gesproken over wat er zojuist gebeurd was omdat [medeverdachte] te zeer buiten adem was en dat [verdachte] pas op de hoogte raakte van de aanwezigheid van het wapen in de auto toen [medeverdachte] hierover tijdens de vlucht bij het zien van de politie vertelde, acht de rechtbank dit volstrekt ongeloofwaardig.
Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld of [medeverdachte] het vuurwapen bij het rennen naar de auto zichtbaar vast had of dat hij het wapen tijdens zijn vlucht al terug in de tas had gestopt. Ook als het vuurwapen in de tas zat en voor [verdachte] niet zichtbaar was, is de rechtbank van oordeel dat hij zich er in ieder geval toen van bewust moet zijn geweest dat [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte] en [verdachte] midden in de nacht samen met een tas naar de andere kant van het land zijn afgereisd, dat er sprake was van een opdrachtgever en er geld werd betaald voor een klus. Dat [verdachte] aanvoelde dat het geen zuivere koffie was en op het moment dat [medeverdachte] met de sporttas uit de auto stapte wist dat hij iets af moest handelen. Dat er knallen klonken waardoor [verdachte] er – naar eigen zeggen - van uitging dat dit van vuurwerk of een vuurwapen kwam en dat [medeverdachte] , nadat de knallen hadden geklonken, (volgens [verdachte] ) buiten adem met de grote sporttas terugkeerde bij de auto. Dit moet in ieder geval het moment zijn geweest dat [verdachte] wist dat het om een vuurwapen ging en niet zoals hijzelf ook nog opperde om vuurwerk. Als het om vuurwerk was gegaan, was dit immers achtergebleven op de plaats waar het was afgestoken en was [medeverdachte] teruggekeerd met een lege tas. Dat de tas ook bij terugkeer bij de auto gevuld was, moet gelet op de omvang en het gewicht van een Kalasjnikov AK-47 voor [verdachte] duidelijk te zien zijn geweest. [verdachte] is echter bewust op [medeverdachte] blijven wachten en hij heeft hem met de tas met het wapen in laten stappen. Hij heeft er dus bewust voor gekozen met het wapen in de auto te gaan rijden.
Concluderend vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] in ieder geval vanaf dat moment wist dat [medeverdachte] een vuurwapen had. Door op hem te wachten en hem welbewust in te laten stappen, had [verdachte] vanaf dat moment niet alleen de wetenschap van de aanwezigheid van, maar ook de beschikkingsmacht over het wapen in de door hem bestuurde auto. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van de Kalasjnikov en de kogelpatroon die zich in dit wapen bevond.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Aan deze voorwaardelijke straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, indien tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring en strafoplegging wordt gekomen, rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte ervoor open staat met de reclassering samen te werken om zijn leven op de rit te krijgen. Aan verdachte dient geen langere gevangenisstraf te worden opgelegd dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
Daarnaast is, gelet op de bepleite vrijspraken, verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een geladen Kalasjnikov AK-47 met bijbehorende munitie voorhanden gehad in een auto. Dit is een ernstig feit. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan. Een dergelijk wapen dient geen ander doel dan anderen te bedreigen, te verwonden of te doden. Voor het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen worden doorgaans dan ook lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank vindt dat in dit geval ook passend.
De rechtbank ziet aanleiding aansluiting te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin wordt als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in de openbare ruimte een gevangenisstraf van vijftien maanden gehanteerd.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit volgt dat hij in 2023 is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het plegen van een overval op een winkel. Deze eerdere veroordeling heeft hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Uit de reclasseringsadviezen die zijn opgemaakt volgt dat binnen het reclasseringstoezicht van deze eerdere veroordeling is geprobeerd het leven van verdachte op de rit te krijgen. Er is ingezet op opleiding, werk, huisvesting, gezondheid, forensische behandeling en een coachingstraject. Echter, op geen van deze gebieden werd resultaat bereikt en het lukte verdachte niet om stappen te maken. Op dit moment is nog steeds sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering twijfelt over de haalbaarheid van bijzondere voorwaarden, maar gezien de jonge leeftijd van verdachte en zijn uitgesproken bereidheid om nu wel met zichzelf aan de slag te gaan, vindt zij het passend dit traject alsnog een kans te geven. Geadviseerd wordt aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod, dagbesteding en het aflossen van schulden.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte met zichzelf aan de slag gaat om zijn leven een positieve wending te geven, in het belang van de samenleving en in zijn eigen belang. De door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden kunnen hem hierbij helpen. Daarom zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke zin opleggen en hieraan bijzondere voorwaarden verbinden met een proeftijd van drie jaren.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers van de bedreigingen en een locatieverbod voor Overasselt. Verdachte en zijn medeverdachte kennen elkaar niet en er zijn geen aanwijzingen dat zij contact met elkaar zullen opnemen. Verdachte wordt bovendien vrijgesproken van betrokkenheid bij de bedreigingen en er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte contact zal opnemen met de slachtoffers van die feiten, dan wel dat hij naar Overasselt zal afreizen.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat verdachte van twee feiten wordt vrijgesproken.
Gelet op de opgelegde gevangenisstaf, bestaat geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen. Het daartoe gedane verzoek wordt afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] hebben in verband met de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen € 206.351,00 aan materiële schade en ieder € 10.000,00 aan immateriële schade (smartengeld), die zij als gevolg van de bedreiging zouden hebben geleden.
Verdachte wordt vrijgesproken van dit feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 werkdagen het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12, 1091 GM in Amsterdam;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door PsyQ (transculturele psychiatrie) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische, dan wel lichamelijke problematiek;
- verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijheidsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade/smartengeld.