beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: 464362 KG RK 26-210
Beslissing van 13 april 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster]
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
hierna te noemen: verzoekster
strekkende tot de wraking van
mr. S.S. van Nijen
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 maart 2026;
de schriftelijke reactie van de rechter van 17 maart 2026;
Bij de mondelinge behandeling is verschenen:
verzoekster.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak
met nummer C/05/455762 / JE RK 25-868.
Verzoekster heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Op 11 maart 2026 stond een mondelinge behandeling gepland. Verzoekster heeft de uitnodiging voor de mondelinge behandeling en de stukken van de Raad voor de Kinderbescherming enkele dagen voor de zitting ontvangen, waardoor zij onvoldoende tijd heeft gehad om zich adequaat voor te bereiden en haar standpunt zorgvuldig te onderbouwen. Door medische omstandigheden was verzoekster niet in staat om bij de geplande zitting aanwezig te zijn en heeft zij uitstel gevraagd. Dit uitstelverzoek is geweigerd. Verzoekster is van mening dat geen sprake is van een eerlijk proces.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en dat moet doen zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
Verzoekster heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat haar wrakingsverzoek niet persoonlijk tegen de rechter bedoeld is, maar dat haar verzoek met name voortvloeit uit de door haar ervaren onmacht en frustraties over de bij de procedure betrokken instanties, het verloop van het gehele proces, waaronder hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van 24 september 2025 is besproken en de nadien genomen beslissingen. Hierin kan echter geen grond voor wraking van de (behandelend) rechter worden gevonden.
Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen mr. Post, geldt dat het wrakingsverzoek van 11 maart jl. niet tijdig is gedaan, gelet op het tijdsverloop van ruim vijf maanden sinds de mondelinge behandeling op 24 september 2025. De in dat kader nader aangevoerde mogelijke wrakingsgronden behoeven daarom niet te worden behandeld. In zoverre is verzoekster dan ook niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Voor zover verzoekster haar verzoek heeft gegrond op de beslissing van de rechter, mr. van Nijen, om haar verzoek om uitstel af te wijzen, constateert de wrakingskamer dat sprake is van een procesbeslissing van de rechter. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Het is dus niet aan de wrakingskamer om te beoordelen of de rechter terecht het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen en of de rechter daarbij de door verzoeker genoemde omstandigheden goed heeft meegewogen. Ook voor de motivering van een procesbeslissing geldt in het algemeen dat dit geen grond kan zijn voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daar geen sprake van.
Omdat er geen concrete feiten zijn gebleken waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees kan afleiden, wordt het verzoek afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.