RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/444104 / HA ZA 24-573
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats] (gemeente [woongemeente] ),
eisende partij,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,
hierna te noemen: [de eiser] ,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam,2. [naam gedaagde 1],
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum,3. [naam gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum,4. [naam gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: de bank, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juni 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Beknopte weergave van de zaak
Deze zaak gaat over verwikkelingen rond de aankoop in 2011 van het Gelva-complex in de gemeente Vaals door Mamelis B.V. en de financiering ervan door de bank. Hierover zijn al eerder procedures gevoerd: een die is begonnen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) en die via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad is geëindigd met een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en een voor de rechtbank Limburg (Maastricht).
[de eiser] , toenmalig indirect medebestuurder en medeaandeelhouder van Mamelis, verwijt de bank dat zij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar is tekortgeschoten doordat zij de aankoop van het complex door Mamelis heeft gefinancierd hoewel zij wist dat de aankoop en financiering niet verantwoord waren. Op die grond spreekt hij haar aan tot schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de bank haar zorgplicht niet heeft geschonden en wijst de vordering van [de eiser] op de bank daarom af.
[de eiser] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vennoten van BricXchange CVBA, de partij die aanvankelijk als makelaar is opgetreden en uiteindelijk als eigenaar het complex aan Mamelis heeft verkocht, dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog. Op die grond spreekt hij hen aan tot schadevergoeding. Die vordering wijst de rechtbank ook af. Dat doet zij omdat de rechtbank Limburg (Maastricht) reeds heeft geoordeeld dat de verwijten die [de eiser] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maakt niet terecht zijn. Dat oordeel van die rechtbank heeft in deze procedure gezag van gewijsde.
[de eiser] verwijt [gedaagde 3] dat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam bankier mag worden verwacht door [de eiser] als borg te sommeren € 25.000,00 aan de bank te betalen. Op die grond vordert hij dat de rechtbank [gedaagde 3] veroordeelt dat bedrag als schade aan hem te vergoeden. De rechtbank wijst die vordering ook af. Als [gedaagde 3] [de eiser] al tot betaling heeft aangesproken, dan was dat naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig.
3. De feiten
[de eiser] is advocaat geweest. Hij is ook direct dan wel indirect bestuurder en aandeelhouder geweest van verschillende vennootschappen die zich direct dan wel indirect bezighielden met projectontwikkeling. Tot die vennootschappen behoorden Mamelis B.V. en haar bestuurder Mamelis Holding B.V. [de eiser] was samen met [betrokkene 1] indirect bestuurder en aandeelhouder van deze holding. [de eiser] en [betrokkene 1] lieten zich bijstaan door een financieel adviseur, [adviseur] .
[de eiser] en [betrokkene 1] hebben het plan opgevat om het Gelva-complex te verwerven. Dat is een voormalige schuurpapierfabriek in de buurtschap Mamelis in de gemeente Vaals. De eigenaar daarvan was aanvankelijk Saint-Gobain Abrasives B.V. BricXchange CVBA trad aanvankelijk op als makelaar.
Begin augustus 2011 heeft [adviseur] de bank gevraagd of zij de aankoop van het Gelva-complex wilde financieren.
[betrokkene 1] heeft Troostwijk Taxaties opgedragen het Gelva-complex te taxeren. Troostwijk heeft een taxatierapport uitgebracht op 17 augustus 2011. In dat rapport staat dat de onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfscomplex (vrij van huur en/of gebruik) € 2,9 miljoen bedraagt en de executiewaarde (vrij van huur en/of gebruik) € 2,3 miljoen. [betrokkene 1] heeft dat rapport aan de bank ter beschikking gesteld.
Op 11 oktober 2011 hebben [de eiser] en [betrokkene 1] de bank onder meer bericht:
Wij kopen Mamelis te Vaals aan via de makelaar, die het koopt via BricXchange van multinational Saint Gobain. Bij deze BOG makelaar is het zeer gebruikelijk dat hij zaken van en voor klanten aankoopt en deze direct door verkoopt. Zeker bij grote ondernemingen wordt dit vaak geprefereerd.
[de eiser] en [betrokkene 1] hebben op 27 oktober 2011 een notitie gemaakt van hun idee over de verwerving van het Gelva-complex. Zij hebben die notitie aan de bank doen toekomen. In de notitie staat:
De heren [betrokkene 1] en [de eiser] hebben de wens vastgoed aan te kopen in Vaals. Zij werken al jaren lang samen (...) en richten nu Mamelis Vastgoed BV op, daarvan worden beiden 50% aandeelhouder, met een holding erboven. (...)
Het pand is destijds aangeboden in de markt voor € 4.500.000,- k.k. Dat was voor de kredietcrisis. (...) Deze bedrijfsgebouwen (...) op deze locatie (...) zou een normale huurwaarde hebben van ± € 40 per m² per jaar zijnde € 450.000,-. Kantoren en woning brengen bij verhuur ongeveer € 70.000,- per jaar op.
Er is een bouwbedrijf die voor € 200.000,- de twee achterste hallen (...) wenst te huren en de bedrijfswoning voor een opzichter. (...)
Het voorste gedeelte van de bedrijfsgebouwen en de kantoren voor verhuur (...). Daar is een potentiële huurder voor, over de details zijn nog onderhandelingen.
De taxatie is gedaan, zie de bijlage hiervoor. Gebaseerd op de aangegeven getaxeerde onderhandse verkoopwaarde zou de externe financiering iets meer dan 50% zijn, op basis van de koopsom is het ongeveer 60%.
De aanvangsbalans van Mamelis Vastgoed BV en de prognose van de winst/verlies rekening is ook bijgevoegd. In de ontwerp koop overeenkomst wordt nog gesproken over het scheiden van het juridisch en economisch eigendom bij de overdracht, inmiddels wordt dat een gehele overdracht.
Van de totale investeringen ad € 2.700.000,- wordt € 1.500.000,- financiering gevraagd. Daarnaast is een achtergestelde lening overeengekomen tegen een rentepercentage van 4,5% zonder aflossingsverplichtingen. Zodra de huurstroom dat toestaat, zal er worden afgelost.
Op 7/8 november 2011 heeft Mamelis B.V. i.o. en/of de opgerichte vennootschap € 1,5 miljoen van de bank geleend, uiterlijk op 1 december 2011 ter beschikking te stellen in één bedrag. In die overeenkomst staat:
Zekerheden en verklaringen
- Krediethypotheek van EUR 1.500.000,00 in hoofdsom, te vermeerderen met 40% voor rente en kosten, te verstrekken door BricXchange CVBA, op elk van de onroerende zaken te Lemiers, aan en nabij Mamelis 1, één en ander nader te omschrijven in de hypotheekakte.
- Borgstelling van EUR 150.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van de heer [de eiser] , wonende te [woonplaats] .
- Borgstelling van EUR 150.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van de heer [betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] .
(...)
- Pandrecht vorderingen.
(...)
Overige bepalingen
(...)
De Kredietnemer geeft ABN AMRO de/het huurcontract(en) ter inzage. De inhoud ervan dient ABN AMRO te conveniëren.
(...)
Voorwaarden voor terbeschikkingstelling
De in deze Kredietovereenkomst vastgelegde kredietfaciliteit wordt beschikbaar gesteld indien alle hiervoor genoemde zekerheden en verklaringen tot genoegen van ABN AMRO zijn gevestigd respectievelijk zijn verstrekt en indien ABN AMRO in het bezit is gesteld van:
- Een kopie van de leningsovereenkomst, in hoofdsom groot EUR 1.200.000,00, tussen Mamelis B.V. i.o. en BricXchange CVBA.
- Rechtsgeldig getekende en ons conveniërende huurcontract(en) ter hoogte van minimaal EUR 290.000,-.
Op 2 december 2011 heeft BricXchange aan Mamelis (destijds genaamd Plant Adviescentrum B.V.) het Gelva-complex te Vaals verkocht voor € 2,4 miljoen. Deze koopovereenkomst is namens BricXchange ondertekend door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en namens Mamelis door [betrokkene 1] .
Eveneens op 2 december 2011 hebben BricXchange en [de eiser] en [betrokkene 1] een ‘akte inzake hoofdelijke aansprakelijkheid’ gesloten betreffende de verplichting van Mamelis tot betaling van de restantkoopprijs van € 1,2 miljoen met de daarover verschuldigde rente.
In aanvulling op de overeenkomst van 2 december 2011 zijn BricXchange en Mamelis in januari 2012 overeengekomen dat het restant van de koopprijs groot € 1,2 miljoen bij wege van afstand om baat wordt omgezet in een geldleningsovereenkomst onder de bepalingen zoals opgenomen in die aanvulling.
Op 17 december 2011 hebben [de eiser] en [betrokkene 1] zich ten behoeve van de bank ieder borg gesteld voor € 150.000,00.
De bank had sinds 2005 een kredietrelatie met Ziwa Holding B.V. (verder ‘Ziwa’). Ziwa was op een gegeven moment de enig aandeelhouder van Medcom Services B.V. (verder ‘Medcom’).
Op 21 december 2011 heeft [de eiser] de bank per e-mail bericht:
Bijgaand treft u aan het door de huurder getekende huurcontract voor het pand in Lemiers. (...)
Omdat wij een huurcontract moesten hebben van minstens € 290.000,00 op jaarbasis, was het contract [betrokkene 2] voor een gedeelte van het pand, niet toereikend. Wij hebben eerst gezocht naar een tweede huurder voor de rest van het complex, maar zijn uiteindelijk via Brix terecht gekomen bij Medcom Services B.V. die het hele gebouw huurt. Wij hebben afscheid moeten nemen van [betrokkene 2] en de zaken met Medcom moeten uit onderhandelen, en dat heeft even geduurd. Wij hopen dat u daar begrip voor heeft.
Op 15/17 februari 2012 hebben Mamelis en de bank de kredietovereenkomst gewijzigd. Als kredietnemer treedt daarbij niet meer op een vennootschap in oprichting, maar Mamelis B.V. In de gewijzigde kredietovereenkomst is opgenomen dat op de hoofdsom van de achtergestelde lening mag worden afgelost indien de vrije cashflow van Mamelis daarvoor voldoende ruimte laat.
Op 9/12 maart 2012 zijn BricXchange, Mamelis en de bank overeengekomen dat de vordering van BricXchange op Mamelis wordt achtergesteld bij de vordering van de bank op Mamelis.
Bij akte van 12 maart 2012 heeft BricXchange aan de bank het recht van hypotheek verleend op het Gelva-complex tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Dat recht strekt tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen Mamelis aan de bank verschuldigd mocht blijken te zijn, onder meer op grond van de kredietovereenkomst van 17 februari 2012.
Op 4 september 2012 heeft het kantoor Maastricht van de bank het krediet intern overgedragen aan de afdeling FR&R regio Zuid. Binnen die afdeling was [medewerker ABN 1] de behandelaar van het krediet. Zijn leidinggevende was [gedaagde 3] . Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de bank Mamelis (t.a.v. [de eiser] en/of [betrokkene 1] ) hierover bericht:
Op grond van de ons ter beschikking staande informatie bestaat er bij ABN AMRO Bank bezorgdheid over de financiële ontwikkelingen binnen uw onderneming. Dientengevolge heeft ABN AMRO Bank besloten uw kredietfaciliteit onder te brengen bij afdeling Bijzonder Beheer, welke afdeling vanaf nu verantwoordelijk is voor de kredietverlening. (...)
De redenen voor overdracht naar Bijzonder Beheer vatten wij onderstaand kort samen:
Tot op heden is er geen huurstroom op gang gekomen waaruit uw bancaire verplichtingen moeten worden nagekomen. Mede hierdoor was u ook niet in staat om per 1.10.2012 aan uw rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen.
Op 10 oktober 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden met u beiden, de heer [medewerker ABN 2] van kantoor Maastricht en de heer [gedaagde 3] en [medewerker ABN 1] van onze afdeling Bijzonder Beheer. Doel van het gesprek was om een inventarisatie te maken van de stand van zaken binnen uw onderneming. In dit gesprek werd onder andere het volgende besproken:
In maart 2012 heeft u bedrijfsonroerend goed gekocht, waarbij ABN AMRO Bank een deel van de koopsom heeft gefinancierd. U heeft een huurcontract gesloten met Medcom Services B.V. voor de duur van 5 jaar (+ 5 optiejaren). Tot op heden zijn activiteiten van Medcom Services B.V. nog niet opgestart en is de huurder ook niet in staat gebleken om zijn huurverplichtingen (maandelijks € 30.000,-) na te komen.
Wij hebben uitgebreid gesproken over het gevolgde traject en hebben aangegeven ons niet comfortabel te voelen in de ontstane situatie. (...)
U heeft nog steeds het vertrouwen dat de huurder op korte termijn in staat zal zijn om aan haar verplichtingen te gaan voldoen. Wij hebben u dringend geadviseerd om op korte termijn alternatieve scenario’s aan ons te presenteren voor het geval dat het huurcontract toch moet worden ontbonden.
Vooralsnog zullen wij de bestaande kredietfaciliteit tegen de overeengekomen zekerheden en voorwaarden (...) continueren, behoudens de in dit schrijven genoemde aanpassingen. (...)
Op 11 oktober 2012 is in het nieuws gekomen dat er in het Gelva-complex een grote hennepplantage was aangetroffen. Het Gelva-complex is in januari 2013 op last van de burgemeester van Vaals voor een half jaar gesloten.
Op 6 december 2012 heeft BricXchange [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda). Zij heeft gevorderd dat de rechtbank hen veroordeelt tot betaling aan haar van het restant van de openstaande koopsom € 1.131.156,00. [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis hebben vorderingen in reconventie ingesteld. Bij vonnis van 4 februari 2015 heeft de rechtbank de vordering in conventie grotendeels toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen. [de eiser] en [betrokkene 1] zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. Bij tussenarrest van 8 augustus 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [de eiser] en [betrokkene 1] een bewijsopdracht gegeven. Na bewijslevering heeft het hof bij eindarrest van 25 september 2018 het vonnis van 4 februari 2015 voor zover in conventie gewezen vernietigd en [de eiser] (althans de curator in zijn faillissement) en [betrokkene 1] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan BricXchange van € 564.703,00 met rente. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd voor zover in reconventie gewezen. [de eiser] is in cassatie gegaan van de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij arrest van 17 april 2020 heeft de Hoge Raad die arresten vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat gerechtshof heeft na een tussenarrest van 26 juli 2022 bij arrest van 19 september 2023 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2015 voor zover gewezen tussen BricXchange en [de eiser] vernietigd, de vorderingen van BricXchange tegen [de eiser] afgewezen en de akte hoofdelijke aansprakelijkheid van 2 december 2011 voor zover gesloten tussen BricXchange en [de eiser] vernietigd. Verder heeft het verstaan dat de procedure van rechtswege is geschorst voor zover deze de gevorderde verklaring voor recht betreft dat BricXchange onrechtmatig heeft gehandeld en daarom schade moet vergoeden.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 19 september 2023 overwogen:
1. De motivering van de beslissing na verwijzing
(...)
beoordeling vordering BricXchange en beroep op vernietiging [de eiser]
Het hof gaat uit van de volgende, in het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2020ii [noot ii: HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:717] vermelde feiten en omstandigheden:
(i) BricXchange is een makelaarskantoor.
(ii) In 2008 heeft Saint Gobain B.V. (hierna: Saint Gobain) aan BricXchange een exclusieve opdracht gegeven tot bemiddeling voor de verkoop van haar bedrijfspand te (...). De vraagprijs bedroeg op dat moment € 4 miljoen, de beoogde verkoopprijs € 3 miljoen.
(iii) In januari 2011 hebben Saint Gobain en BricXchange een overeenkomst gesloten waarbij partijen de intentie hebben uitgesproken dat BricXchange het pand voor een koopsom van € 1,2 miljoen van Saint Gobain zou kopen. Voorts zijn partijen toen overeengekomen dat de hiervoor onder (ii) vermelde opdracht tot bemiddeling kwam te vervallen.
(iv) Na een contact in 2009 tussen BricXchange en [de eiser] en [betrokkene 1] over de verkoop van het pand, heeft BricXchange in juli 2011 opnieuw contact opgenomen met [de eiser] en [betrokkene 1] . De vraagprijs voor het pand bedroeg toen € 2,4 miljoen.
(v) [de eiser] en [betrokkene 1] en BricXchange hebben in de periode van juli tot en met oktober 2011 per e-mail overleg gehad over, onder meer, de wijze van financiering van de koopsom en over de noodzaak voor [de eiser] en [betrokkene 1] om het pand te verhuren.
(vi) Op 30 november 2011 hebben Saint Gobain en BricXchange met betrekking tot het pand een koopovereenkomst ondertekend. De koopprijs bedroeg € 1,2 miljoen.
(vii) Op 2 december 2011 hebben BricXchange en de door [de eiser] en [betrokkene 1] verworven vennootschap Plant Adviescentrum B.V. (thans geheten: Mamelis B.V.) een koopovereenkomst gesloten, waarbij BricXchange het pand aan Mamelis heeft verkocht voor een bedrag van € 2,4 miljoen. De koopovereenkomst bevat onder meer de volgende bedingen: (...)
(viii) Eveneens op 2 december 2011 hebben BricXchange en [de eiser] en [betrokkene 1] een ‘akte inzake hoofdelijke aansprakelijkheid’ (hierna: de akte) gesloten betreffende de verplichting van Mamelis tot betaling van de restantkoopprijs van € 1,2 miljoen met de daarover verschuldigde rente.
(ix) Op 7 december 2011 hebben [de eiser] en [betrokkene 1] en Medcom B.V. (hierna: Medcom) op hoofdlijnen overeenstemming bereikt over verhuur van het pand door Mamelis aan Medcom. Medcom was aanvankelijk een gegadigde koper voor het pand, waarmee BricXchange vanaf medio/eind november 2010 tot en met augustus/september 2011 heeft onderhandeld. Mamelis en Medcom zijn onder meer overeengekomen dat Medcom € 360.000,-- huur per jaar zal betalen en een bankgarantie van € 90.000,-- zal stellen.
(x) De huurovereenkomst is getekend en goedgekeurd door de bank van Mamelis.
(xi) Op 16 januari 2012 is het pand door Saint Gobain aan BricXchange geleverd.
(xii) Op 30 januari 2012 zijn BricXchange en Mamelis schriftelijk een aanvulling op de (hiervoor onder (vii) bedoelde) koopovereenkomst overeengekomen, onder meer inhoudende dat de tussen hen bestaande geldleningsovereenkomst voor het bedrag van € 1,2 miljoen met de daarover verschuldigde rente, zonder ingebrekestelling en zonder opzegtermijn direct opeisbaar is indien een betalingstermijn en/of rente niet of niet tijdig wordt voldaan.
(xiii) Op 12 maart 2012 hebben de betaling van een deel van de koopsom, de vestiging van hypotheken en de economische eigendomsoverdracht van het pand door BricXchange aan Mamelis plaatsgevonden.
(xiv) Medcom heeft het pand per 1 mei 2012 gehuurd. Zij heeft niet aan haar huurbetalingsverplichtingen voldaan.
(xv) Mamelis heeft de over de geldlening van € 1,2 miljoen verschuldigde rente over de maand oktober 2012 niet voldaan.
(xvi) Bij brief van 15 november 2012 heeft BricXchange op grond van de hiervoor onder
(xii) bedoelde aanvullende overeenkomst de geldlening van € 1,2 miljoen en de reeds vervallen rente van Mamelis opgeëist.
(xvii) Bij brief van 15 november 2012 heeft BricXchange [de eiser] en [betrokkene 1] op grond van de hiervoor onder (viii) bedoelde akte gesommeerd tot betaling van het gehele door Mamelis te betalen bedrag. [de eiser] en [betrokkene 1] hebben niet aan die sommatie voldaan.
(...)
Het hof is van oordeel dat het beroep op vernietiging wegens bedrog slaagt en motiveert dat als volgt.
- BricXchange deed zich voor als makelaar maar was (al) verkoper voor zichzelf
Voldoende is komen vast te staan dat BricXchange, hoewel zij sinds de ondertekening van de intentieovereenkomst tussen Saint Gobain en haar op 28 januari 2011 niet langer makelaar van Saint Gobain was (art. 3 intentieovereenkomst), zich vanaf juli 2011 bij de onderhandelingen met Mamelis/ [de eiser] is blijven presenteren als makelaar voor Saint Gobain en dat zij het heeft doen voorkomen dat zij alleen omdat Saint Gobain geen financieringsconstructie wilde accepteren bereid was om zelf het pand van Saint Gobain te kopen en om dit vervolgens zelf met een dergelijke financieringsconstructie aan Mamelis door te verkopen.
(...)
Bij gebreke van enige andere plausibele verklaring daarvoor, neemt het hof aan dat BricXchange bewust heeft verzwegen dat zij niet meer als makelaar optrad omdat zij met die onjuiste voorstelling van zaken bij Mamelis/ [de eiser] een resultaat beoogde te bereiken dat zij met een juiste voorstelling van zaken niet of minder gemakkelijk verwachtte te kunnen bereiken. (...)
- aandragen Medcom als geschikte huurder
Verder staat voldoende vast dat BricXchange bewust (haar eigen belang bij verkoop dienend) Medcom bij Mamelis heeft aangedragen als een geschikte huurder. Een huurder die Mamelis nodig had om de voor de koop van het pand vereiste financiering van de bank te verkrijgen.
(...)
De conclusie
Het voorgaande betekent dat voldoende is komen vast te staan dat [de eiser] door BricXchange is bewogen tot het ondertekenen van de hoofdelijkheidsakte door, samengevat,
- i) zich voor te doen als makelaar van Saint Gobain en door opzettelijk te doen voorkomen dat zij enkel omdat Saint Gobain geen financieringsconstructie wilde accepteren bereid was om zelf het pand van BricXchange te kopen en dit vervolgens zelf met een dergelijke constructie aan Mamelis te verkopen, hierbij haar gewijzigde positie en (grote) eigen belang bij de verkoop verbloemend en
- ii) door (terwijl zij wist aan welke eisen de huurder van het (bedrijfs)pand moest voldoen) aan Mamelis/ [de eiser] mede te delen dat zij beschikte over een degelijke huurder met maximale zekerheden, een partij met wie BricXchange een lucratievere deal had kunnen sluiten dan met Mamelis maar dat alleen niet zou hebben gedaan omdat deze eerst drie jaren zou huren voordat een eigendomsoverdracht zou plaatsvinden (en Saint Gobain liever een koper nu had dan op termijn) en door daarbij (omstreeks november 2011) een concept-huurkoopcontract betreffende de nog nader te noemen huurder te overhandigen aan [de eiser] (en [naam3] ) waarin stond dat de huurkoper een bankgarantie van € 500.000 zou stellen, terwijl BricXchange zelf vond of wist dat Medcom geen deugdelijke en betrouwbare huurder was.
Causaal verband
Het hof is van oordeel dat de bewust onjuiste voorstelling van zaken door BricXchange – zowel ten aanzien van de geschiktheid van de huurder als ten aanzien van haar eigen positie en belang bij doorgang van de verkoop – Mamelis en [de eiser] hebben bewogen tot de acceptatie door Mamelis van (de haar toen nog onbekende) Medcom als huurder met ondertekening van de koopovereenkomst met BricXchange tot gevolg en, in het verlengde daarvan, de bereidheid van [de eiser] om zich hoofdelijk te verbinden voor het nog aan BricXchange te betalen deel van de koopsom voor het pand. Deze omstandigheden zijn ook van dien aard dat [de eiser] , ware hij van de werkelijke gang van zaken op de hoogte geweest, zich niet, dan wel niet op dezelfde voorwaarden zou hebben verbonden tot hoofdelijke aansprakelijkheid.
Dit betekent dat het beroep op vernietiging van de hoofdelijkheidsakte wegens bedrog slaagt. De vordering van BricXchange (conventie) wordt daarom afgewezen en de in reconventie gevorderde verklaring voor recht hierover is toewijsbaar. Voor het overige (2.7) zal de procedure van rechtswege worden geschorst op de voet van artikel 29 Fw.
(...)
Op 17 januari 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de bank. Daarbij waren in elk geval aanwezig [de eiser] , [medewerker ABN 1] en [gedaagde 3] .
Op 26 maart 2013 heeft de afdeling Bijzonder Beheer regio Zuid van de bank het krediet overgedragen aan de landelijk opererende afdeling Bijzonder Beheer in Amsterdam.
Bij aangetekende brief van 24 januari 2014 aan Mamelis heeft de bank de overstand op de rekening-courant opgeëist, de lening opgezegd en het geleende bedrag opgeëist.
Bij aangetekende brief van 25 februari 2015 heeft de bank [de eiser] aangesproken tot betaling van € 150.000,00 op grond van de eerder gesloten overeenkomst van borgtocht.
Op 5 maart 2015 heeft de bank [de eiser] onder meer bericht:
De door u afgegeven borgstelling van EUR 150.000,- ten behoeve van het krediet verleend aan Mamelis BV is per 11 maart 2015 opeisbaar, blijkens onze brief van 25 januari 2015. Wij gaan niet in op uw voorstel in uw mail om te wachten op de uitkomst van uw proces tussen Mamelis BV als juridisch eigenaar tegen de makelaar BrixChange als economisch eigenaar van de onroerende zaken in Mamelis BV.
Op 26 juni 2015 hebben de bank en BricXchange bank het faillissement van [de eiser] aangevraagd. Bij beschikking van 14 juli 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) het verzoek afgewezen. De bank en BricXchange zijn in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 september 2015 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank vernietigd en [de eiser] alsnog failliet verklaard, met aanstelling van mr. [curator 1] als curator.
In de procedure voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft [de eiser] een vrijwaringsincident opgeworpen. De rechtbank heeft de vrijwaring niet toegestaan. Mede daarom hebben [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis [Notarispraktijk] B.V., [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , BricXchange C.V.B.A. en Saint-Gobain Abrasives B.V. gedagvaard voor de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Deze rechtbank heeft vonnis gewezen op 20 juli 2016. In dat vonnis worden [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis gezamenlijk Mamelis c.s. genoemd en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en BricXchange gezamenlijk BricXchange c.s. Het vonnis is onherroepelijk geworden. In het vonnis staat:
4. De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
De rechtbank zal eerst de (gestelde) aansprakelijkheid van respectievelijk Saint-Gobain en de notaris beoordelen en vervolgens de aansprakelijkheid van BricXchange c.s. De rechtbank zal ten slotte de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst en de nadere overeenkomst beoordelen.
(...)
BricXchange, [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Mamelis c.s. verwijten BricXchange dat zij Mamelis (c.s.) heeft misleid door zich ten onrechte te presenteren als makelaar van Saint-Gobain, een onbetrouwbare huurder aan te dragen en Mamelis c.s. niet in kennis te stellen van het feit dat BricXchange het pand (recentelijk) voor de helft van de prijs van Saint-Gobain had gekocht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn volgens Mamelis c.s. naast BricXchange op grond van art. 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk voor de door Mamelis als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen geleden schade. (...) BricXchange c.s. betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens Mamelis (c.s.) (...)
De rechtbank kan Mamelis c.s. niet volgen in hun stelling dat BricXchange zich als makelaar presenteerde (en niet louter als verkoper), en dat zij Mamelis c.s. in zoverre heeft misleid. (...)
Mamelis c.s. stellen dat BricXchange hen voorts bewust heeft misleid met betrekking tot de betrouwbaarheid en kredietwaardigheid van de door haar aangedragen huurder, terwijl BricXchange wist van welk belang dit voor Mamelis was bij de afweging om wel of niet tot de aankoop van het pand over te gaan. (...) Dat sprake was van opzettelijke misleiding door BricXchange door de voordracht van Medcom als huurder (met als doel Mamelis te benadelen) is gelet op het voorgaande onvoldoende door Mamelis onderbouwd.
Van misleiding is volgens Mamelis c.s. voorts sprake omdat BricXchange niet aan Mamelis c.s. kenbaar heeft gemaakt dat zij het pand voor de helft van de prijs heeft gekocht van Saint-Gobain. Volgens BricXchange (c.s.) is de verkoop van het pand tegen een hogere prijs dan de aankoopprijs niet ongebruikelijk en getuigde dit louter van goed koopmanschap, hetgeen niet onrechtmatig is. (...)
Alles overziend brengen de door Mamelis c.s. aan BricXchange gemaakte verwijten de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet tot de conclusie dat sprake is van gedragingen die als onrechtmatige gedragingen in de zin van art. 6:162 BW zijn aan te merken. Aan de vraag of bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , naast de vennootschap, persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden, wordt daarom niet toegekomen. De vorderingen van Mamelis jegens BricXchange c.s. en de vorderingen van [de eiser] en [betrokkene 1] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen dan ook afgewezen te worden.
De rechtsgeldigheid van overeenkomst en de aanvullende overeenkomst
Mamelis vordert vernietiging van de tussen Mamelis en BricXchange gesloten overeenkomst van 2 december 2011 en de tussen hen gesloten aanvullende overeenkomst van 30 januari 2012. Mamelis legt aan haar vordering primair bedrog en subsidiair dwaling ten grondslag.
(...)
Mamelis heeft gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat BricXchange haar willens en wetens heeft misleid. Het beroep op bedrog treft dan ook geen doel.
(...)
Voor de toewijzing van een beroep op dwaling is gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld. Ook het beroep op dwaling treft daarom geen doel.
(...)
5. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
wijst de vordering af,
(…)
In 2017 is het Gelva-complex executoriaal verkocht. De veilingopbrengst is in mindering gekomen op de uitstaande financiering van de bank. De vordering van de bank is daarmee niet volledig voldaan.
Voordat de verwijzingszaak bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aanhangig was gemaakt, is [betrokkene 1] overleden (2020).
BricXchange is failliet verklaard op 31 mei 2021 met benoeming van mr. [curator 2] als curator. Dit is gebeurd in de loop van de bodemprocedure die is begonnen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, nadat de Hoge Raad die zaak had verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en voor de verdere behandeling door dat hof. De curator is in de procedure na verwijzing niet verschenen. Het faillissement is in 2023 opgeheven bij gebrek aan baten.
4. De vordering
[de eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat de bank, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [de eiser] hebben gehandeld,
II voor recht verklaart dat de bank, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dientengevolge hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van schade van [de eiser] , waaronder ook begrepen de schade
i) die [de eiser] tezamen met [betrokkene 1] heeft geleden nu hij met [betrokkene 1] een eenvoudige gemeenschap vormt en waarbij de bank, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na betaling ook jegens de erven van [betrokkene 1] gekweten zijn en
ii) de schade die Mamelis c.s. hebben geleden (nu Mamelis c.s. deze vordering aan [de eiser] hebben gecedeerd),
III de schade nader op te maken bij staat,
IV voor recht verklaart dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens [de eiser] heeft gehandeld door hem te sommeren € 25.000,00 aan de bank te betalen,
V [gedaagde 3] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, om aan [de eiser] € 25.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van art. 6:119 BW vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening,
VI de bank, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
5. De beoordeling
De vorderingen op de bank
[de eiser] licht zijn vordering op de bank als volgt toe. De bank had in januari 2011 de financieringsaanvraag van BricXchange ontvangen voor de aankoop van het pand door haar van Saint-Gobain. Daardoor wist de bank dat BricXchange in de relatie tot Mamelis niet langer optrad als makelaar, maar als verkoper. Verder wist de bank op basis van deze financieringsaanvraag dat BricXchange het complex voor aanmerkelijk minder dan € 2,4 miljoen had gekocht en dat het complex dus veel minder waard was dan het bedrag waarvoor Mamelis financiering vroeg. Daarnaast mocht Mamelis erop vertrouwen dat de bank serieus onderzoek zou doen naar de financiële gegoedheid van de huurder. De bank kon dit ook doen, omdat Medcom en haar aandeelhouder Ziwa relaties van de bank waren. Bovendien wist de bank dat Medcom een slechte huurder was. Op grond van deze gegevens wist de bank dat de aankoop door Mamelis van het Gelva-complex niet verantwoord was. Daarom had zij die aankoop niet mogen financieren. Zij heeft dat wel gedaan. Daarmee heeft zij gehandeld in strijd met haar zorgplicht en met de eigen uitgangspunten van de financieringsovereenkomst. Als gevolg hiervan hebben Mamelis, Mamelis Holding, [betrokkene 1] en [de eiser] schade geleden. [de eiser] vordert vergoeding daarvan, op grond van een toerekenbare tekortkoming dan wel op grond van onrechtmatige daad. [de eiser] meent dat hij met [betrokkene 1] een eenvoudige gemeenschap vormde. Hij stelt verder dat Mamelis en Mamelis Holding hun vorderingen tot schadevergoeding aan hem hebben gecedeerd. Op die gronden maakt hij aanspraak op vergoeding van de schade die deze partijen hebben geleden. Subsidiair heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat de bank ook een rol heeft gespeeld in het bedrog dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens hem hebben gepleegd. De bank heeft hier samen met BricXchange aan deelgenomen, althans van meet af aan van af geweten of had er van af moeten weten. Daarmee is de bank aansprakelijk voor de schade die [de eiser] als gevolg van het gepleegde bedrog heeft geleden.
De bank voert gemotiveerd verweer.
De Hoge Raad heeft in een arrest van 5 september 2025 het volgende overwogen over de zorgplicht van banken. De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht mee. Het kan daarbij onder meer gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. De inhoud en de reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht hangen mede af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De inhoud en de reikwijdte van deze zorgplicht zijn beperkt als het gaat om het verstrekken van een geldlening aan een onderneming, nu geldlening op zichzelf niet een ingewikkeld product is en de cliënt niet een consument is. De rechtbank zal binnen dit kader beoordelen of de bank haar zorgplicht heeft geschonden.
Voordat de kredietovereenkomst tussen Mamelis en de bank tot stand kwam, was Mamelis ervan op de hoogte dat zij het Gelva-complex kocht ‘via de makelaar die het koopt via BricXchange van multinational Saint Gobain’. Dat heeft [de eiser] de bank immers zelf op 11 oktober 2011 laten weten. Hij heeft daaraan toegevoegd dat het bij deze makelaar zeer gebruikelijk is dat hij zaken van en voor klanten aankoopt en deze direct doorverkoopt en dat dit zeker bij grote ondernemingen vaak wordt geprefereerd. [de eiser] was er dus van op de hoogte dat Mamelis het Gelva-complex niet rechtstreeks kocht van Saint-Gobain, maar via een tussenschakel. De koopovereenkomst is uiteindelijk tot stand gekomen tussen Mamelis en BricXchange. Gezien de kennis die Mamelis dus zelf had van de rol die Saint-Gobain en BricXchange speelden, verwijt [de eiser] de bank ten onrechte dat zij Mamelis daarover niet heeft geïnformeerd. Overigens is niet duidelijk waarom deze constructie voor de bank aanleiding had moeten zijn om van financiering af te zien. Of de te verlenen financiering verantwoord was, hield immers geen verband met de rol waarin BricXchange optrad.
Ook als de bank ten tijde van de beslissing over de financiering wist dat BricXchange het complex aan Mamelis had verkocht voor een aanmerkelijk hogere prijs dan waarvoor zij het van Saint-Gobain had verworven, had dat haar (de bank) er niet van hoeven weerhouden de aankoop door Mamelis te financieren. De bank mocht zich bij de beslissing over die financiering immers baseren op het taxatierapport van Troostwijk Taxaties, dat zij had gekregen van de zijde van Mamelis ( [adviseur] ). Omdat in dat rapport een onderhandse verkoopwaarde van € 2,9 miljoen is opgenomen, kon de bank de aankoop van het complex voor € 2,4 miljoen financieren zonder daarmee haar zorgplicht te schenden. Dit geldt temeer nu de betreffende onderhandse verkoopwaarde was getaxeerd uitgaande van een situatie vrij van huur en gebruik, zodat de vraag of er voor het pand een (gegoede) huurder beschikbaar was bij de bepaling van deze taxatiewaarde geen rol kan hebben gespeeld.
Er bestond, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de taxatie uitgaande van een situatie vrij van huur of gebruik, geen verplichting voor de bank jegens Mamelis of [de eiser] om zelfstandig te onderzoeken of de door Mamelis aangedragen huurder een goede huurder was. Dit wordt niet anders doordat de bank in de kredietovereenkomst heeft opgenomen dat Mamelis haar de huurovereenkomst ter inzage moest verstrekken en dat deze huurovereenkomst de bank moest conveniëren. Die voorwaarde is immers niet opgenomen in het belang van Mamelis dan wel [de eiser] of [betrokkene 1] maar in het belang van de bank. Op grond van die voorwaarde kon de bank ervan afzien het krediet te verschaffen als zij zou voorzien dat het niet uit de huurinkomsten zou kunnen worden afgelost. [de eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan Mamelis had mogen aannemen dat deze door de bank gestelde voorwaarde de strekking had Mamelis dan wel [de eiser] of [betrokkene 1] te beschermen tegen het risico dat de huurder de huur niet zou betalen. Ook overigens is het naar het oordeel van de rechtbank de verantwoordelijkheid van Mamelis om te onderzoeken of de door haar aangedragen huurder de huur zou kunnen betalen en ziet de rechtbank geen grondslag voor een verplichting van de bank om dat ten behoeve van Mamelis, [betrokkene 1] of [de eiser] te onderzoeken.
[de eiser] stelt dat Medcom een relatie van de bank was en dat de bank daarom wist dat zij een slechte huurder was. De bank betwist dat echter en [de eiser] is daar niet meer op teruggekomen. De bank wist slechts – zoals ook Mamelis en haar bestuurders wisten – dat Medcom een lege dochteronderneming was van Ziwa, dat Medcom een business plan had voor een op te starten krattenwasserij, dat alle inkomsten uit die op te starten onderneming moesten komen en dat Medcom een aanvraag voor een bedrijfsfinanciering had lopen bij de ING Bank. Hieruit blijkt niet dat de bank beschikte over meer informatie dan Mamelis, laat staan over meer informatie waaruit zou blijken dat Medcom geen goede huurder zou zijn.
[de eiser] stelt verder dat BricXchange hem een kopie heeft getoond van een kredietovereenkomst van 19 mei 2011 tussen de bank en Ziwa. Uit die kredietovereenkomst bleek dat de bank aan Ziwa een krediet verstrekte van € 1 miljoen ten behoeve van haar dochteronderneming Medcom. Deze zou het complex gaan huren om er een industriële krattenwasserij te gaan exploiteren. BricXchange gebruikte deze overeenkomst om aan te tonen dat het businessplan haalbaar was. [de eiser] stelt dat hij er in 2017 achter is gekomen dat deze overeenkomst van 19 mei 2011 frauduleus was.
De bank heeft hier het volgende tegen ingebracht. Zij heeft Ziwa op 19 mei 2011 aangeboden de kredietovereenkomst die tussen hen al bestond te wijzigen. De uiterste opnamedatum van een deel van de gewijzigde overeenkomst is ongebruikt voorbij gegaan, waarna het aanbod is vervallen. De overeenkomst waar [de eiser] het over heeft, is daarom niet ondertekend. Op 19 juli 2011 heeft de bank een nieuw voorstel gedaan. Dat aanbod is geaccepteerd.
[de eiser] is niet meer op dit verweer van de bank ingegaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er op 19 mei 2011 geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat [de eiser] de bank dus ten onrechte verwijt een frauduleuze overeenkomst gedateerd 19 mei 2011 te hebben opgesteld. Hier komt bij dat de bank betoogt dat zij er geen belang bij heeft dat Mamelis het complex zou verhuren aan een huurder die de huur niet kan betalen, omdat Mamelis het krediet moet afbetalen uit de huurinkomsten. [de eiser] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling geïnsinueerd dat medewerkers van de bank wisten dat in het complex hennep zou worden gekweekt en dat de bank daarom het krediet aan Mamelis heeft verstrekt, maar hij heeft daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven. De rechtbank gaat er daarom aan voorbij. Het valt dan niet in te zien waarom de bank er met behulp van een frauduleuze overeenkomst op zou aansturen dat Mamelis het door haar aan te kopen complex zou verhuren aan een partij die de huur niet zou kunnen betalen.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de primaire verwijten die [de eiser] de bank maakt niet terecht zijn en dat de bank bij de kredietverschaffing aan Mamelis geen wanprestatie heeft gepleegd en niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vorderingen van [de eiser] op de bank kunnen daarom niet op de primaire grondslag worden toegewezen. Ten aanzien van het subsidiaire verwijt van [de eiser] aan de bank, dat de bank zou hebben deelgenomen aan het gepleegde bedrog door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , heeft [de eiser] geen enkele onderbouwing gegeven welke handelingen van de bank als bijdrage aan dit gestelde bedrog moeten worden beschouwd. Ook dit kan daarom niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van [de eiser] . De overige verweren van de bank, zoals die over de geldigheid van de cessie, hoeven daarom niet te worden besproken.
De vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen in [land] . De Nederlandse rechter heeft in het geschil tussen [de eiser] en hen in ieder geval rechtsmacht omdat zij zijn verschenen zonder de bevoegdheid te betwisten (art. 26 EEX-Verordening).
[de eiser] licht zijn vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt toe. Volgens hem is onherroepelijk in rechte vastgesteld dat BricXchange schadeplichtig is. Hij doelt daarmee op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2023. Omdat volgens [de eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de onrechtmatige en strafbare handelingen feitelijk hebben verricht, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk en schadeplichtig. Subsidiair betoogt [de eiser] dat op grond van de feiten die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft vastgesteld niet anders kan worden geoordeeld dan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ernstig bedrog hebben gepleegd. Daarvan kan hun persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. [de eiser] concludeert dat zij als bestuurders aansprakelijk zijn voor de schade die daarvan het gevolg is.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] brengen hier het volgende tegen in. [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis hebben hen en andere partijen gedagvaard voor de rechtbank Limburg (Maastricht). Die zaak ging over dezelfde feiten, dezelfde partijen, dezelfde verwijten en dezelfde rechtsverhouding als de onderhavige zaak. De rechtbank Limburg heeft de vorderingen van [de eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afgewezen bij vonnis van 20 juli 2016. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op de bindende kracht van dat vonnis (art. 236 lid 1 Rv).
In reactie hierop voert [de eiser] (ter zitting) het volgende aan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op een regel ‘ne bis in idem’ die in het civiele recht niet geldt. Bovendien is er volgens [de eiser] ‘geen sprake van dezelfde partijen’. De vraag ligt voor of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] persoonlijk (met BricXchange) schadeplichtig zijn en daarover is volgens [de eiser] niet eerder geprocedeerd. Overigens zou zelfs na een volwaardige procedure over deze feiten en omstandigheden met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nogmaals geprocedeerd kunnen worden wanneer er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, al dan niet middels een vordering tot herziening.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (art. 236 lid 1 Rv). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen een beroep op dit zogeheten gezag van gewijsde.
De verwijten die [de eiser] in de onderhavige procedure aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maakt, zijn dezelfde verwijten die hij (samen met [betrokkene 1] en Mamelis) aan hen in de procedure bij de rechtbank Limburg heeft gemaakt. Ook in de onderhavige procedure maakt [de eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het verwijt dat BricXchange zich ten onrechte heeft voorgedaan als makelaar, dat zij ten onrechte hebben verzwegen dat BricXchange het complex kort van tevoren voor € 1,5 miljoen van Saint-Gobain had gekocht en dat zij ten onrechte Medcom als goede huurder hebben gepresenteerd. Over die verwijten heeft de rechtbank Limburg al geoordeeld dat zij niet terecht zijn. Naar het oordeel van de rechtbank Limburg heeft BricXchange bij de verkoop van het complex aan Mamelis niet onrechtmatig gehandeld jegens Mamelis, [de eiser] of [betrokkene 1] en zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet jegens hen aansprakelijk. Daarom heeft de rechtbank Limburg de vordering van [de eiser] , [betrokkene 1] en Mamelis bij vonnis van 20 juli 2016 afgewezen. Dat vonnis is onherroepelijk geworden. De beslissing van de rechtbank Limburg heeft daarom in de onderhavige procedure gezag van gewijsde. Op die grond zal de rechtbank de vordering van [de eiser] op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afwijzen.
Dit oordeel wordt niet anders als [de eiser] na het vonnis van de rechtbank Limburg bekend zou zijn geworden met nieuwe feiten waaruit zou blijken dat het oordeel van de rechtbank Limburg niet juist zou zijn. Nieuwe feiten vormen immers geen grond voor aantasting van het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing. Wel zouden zij onder omstandigheden kunnen leiden tot herroeping van het vonnis van de rechtbank Limburg, maar daarover zou die rechtbank dan zelf moeten oordelen (art. 382 e.v. Rv). Overigens heeft [de eiser] niet duidelijk gemaakt op welke nieuwe feiten hij doelt.
[de eiser] doet een beroep op het arrest dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 september 2023 heeft gewezen in de procedure tussen hem en BricXchange (die daar niet is verschenen). In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat de tussen (onder meer) [de eiser] en BricXchange gesloten hoofdelijkheidsovereenkomst nietig is wegens bedrog. Dit oordeel van het hof in de procedure tussen [de eiser] en BricXchange heeft geen bindende kracht in de onderhavige procedure tussen [de eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen partij waren bij die procedure (art. 236 Rv). Dat wordt niet anders doordat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestuurders waren van BricXchange. Dat [de eiser] de procedure bij de rechtbank Limburg is begonnen omdat het hem niet was toegestaan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in vrijwaring op te roepen, is in dit verband niet van belang. Dit is immers een aparte rechtsgang met een eigen mogelijkheid van hoger beroep en herroeping. De omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich hadden kunnen voegen in de procedure die is geëindigd met het arrest van het hof, maakt evenmin dat de beslissingen in dat arrest bindende kracht hebben tussen [de eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich immers niet gevoegd in die procedure, zodat geen sprake is van een ‘ander geding tussen dezelfde partijen’ zoals de wet voorschrijft.
De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dus afwijzen. De overige verweren, zoals die over de geldigheid van de cessie, hoeven daarom niet te worden besproken.
De vorderingen op [gedaagde 3]
[de eiser] stelt dat [gedaagde 3] hem samen met [medewerker ABN 1] heeft verplicht om € 25.000,00 aan de bank te betalen uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht. Dat had [gedaagde 3] volgens [de eiser] niet mogen doen omdat hij wist dat Mamelis als schuldenaar en [de eiser] als borg niet toerekenbaar waren tekortgeschoten. Door aan te dringen op betaling van dat bedrag zonder onderzoek te doen naar de feitelijke gang van zaken, heeft [gedaagde 3] volgens [de eiser] niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam bankier mag worden verwacht. Op die grond spreekt [de eiser] [gedaagde 3] aan om de schade die hij daardoor heeft geleden aan hem te vergoeden. Die schade is het bedrag van € 25.000,00.
[gedaagde 3] betwist dat hij [de eiser] heeft gevraagd onder de borgstelling voor de schuld van Mamelis te betalen. Ook betwist hij dat [de eiser] € 25.000,00 heeft betaald. Als dat al anders is, meent [gedaagde 3] dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld omdat niet vaststaat dat de bank onrechtmatig jegens Mamelis heeft gehandeld door het krediet te verstrekken.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de bank naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig gehandeld en is zij niet tekortgeschoten doordat zij aan Mamelis krediet heeft verstrekt. Het is niet in geschil dat [de eiser] persoonlijk tot € 150.000,00 borg stond voor dit krediet, en ook niet dat Mamelis niet aan haar verplichtingen kon voldoen. Als [gedaagde 3] namens de bank onder die omstandigheden [de eiser] als borg heeft aangesproken tot betaling van € 25.000,00, dan heeft hij daarmee niet onrechtmatig jegens hem gehandeld. Reeds daarom is er geen grond om [gedaagde 3] te veroordelen tot vergoeding van schade.
Overigens heeft [de eiser] , ook desgevraagd, niet concreet kunnen aangeven hoe en wanneer hij het bedrag van € 25.000,- aan de bank zou hebben betaald. In het licht van de gemotiveerde betwisting van het bestaan van die betaling door [gedaagde 3] , die heeft verklaard dat die betaling niet in de systemen van de bank is terug te vinden, acht de rechtbank de stelling van [de eiser] dat hij daadwerkelijk € 25.000,- aan de bank heeft betaald onvoldoende onderbouwd. Zeker gelet op het feit dat [gedaagde 3] het bestaan van de betaling al in zijn conclusie van antwoord had betwist, had van [de eiser] mogen worden verwacht dat hij op de mondelinge behandeling ten minste kon verklaren wanneer en hoe die betaling volgens hem heeft plaatsgevonden. [de eiser] kon dit echter niet. Hij is niet verder gekomen dan een vaag verhaal over een mogelijke betaling voor hem door een van zijn vennootschappen. Hiermee heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan. Ook hierom bestaat er geen grond om [gedaagde 3] te veroordelen tot vergoeding van schade. Dat [de eiser] op de mondelinge behandeling bewijs heeft aangeboden van de gestelde betaling ‘door te gaan zoeken naar het betalingsbewijs en door [gedaagde 3] als getuige te laten horen’, maakt dit niet anders. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat [de eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
De vorderingen van [de eiser] op [gedaagde 3] zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen. Andere verweren, zoals de betwisting door [gedaagde 3] van de stelling dat hij [de eiser] heeft verzocht om € 25.000,- te betalen en het beroep op verjaring, hoeven daarom niet te worden besproken.
Proceskosten
[de eiser] zal jegens alle gedaagden in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.
[de eiser] vordert van de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen betaling van een concreet bedrag, maar hij begroot de schade van Mamelis c.s. op een miljoen euro en stelt dat het hof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 25 september 2018 de uitsluitend door hem ( [de eiser] ) en [betrokkene 1] geleden schade in redelijkheid en billijkheid heeft bepaald op € 565.000,00. Daarom zal de rechtbank de advocaatkosten in de procedure voor zover die ziet op de vorderingen tegen de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vaststellen op basis van liquidatietarief VIII, behorend bij zaken met een belang boven een miljoen euro.
[de eiser] zal tevens worden veroordeeld tot vergoeding van rente over proceskosten en nakosten voor zover de procedure ziet op de vorderingen op de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zoals door deze partijen gevorderd.
[gedaagde 3] vordert vergoeding van werkelijke proceskosten. Hij meent dat [de eiser] de vordering op hem niet had mogen instellen omdat die vordering evident ongegrond is. Door die vordering toch in te stellen, heeft [de eiser] volgens [gedaagde 3] misbruik gemaakt van procesrecht dan wel onrechtmatig gehandeld.
[de eiser] brengt hiertegen in dat [gedaagde 3] geen belang heeft bij een veroordeling in de proceskosten als hij meent dat de bank voor hem moet instaan.
De rechtbank zal [de eiser] niet veroordelen tot vergoeding van werkelijke proceskosten. [gedaagde 3] heeft in deze procedure niet gesteld – laat staan onderbouwd – wat zijn werkelijke proceskosten zijn. Bovendien dringt [gedaagde 3] erop aan dat de rechtbank ten aanzien van hem geen tussenvonnis zal wijzen, maar een eindvonnis. De rechtbank zal [de eiser] daarom niet veroordelen in de werkelijke proceskosten, maar de proceskosten begroten op de gebruikelijke wijze.
Incidenten
De bank heeft bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank [de eiser] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dat ook gedaan. Daarop heeft de rechtbank in haar incidentele vonnis van 23 april 2025 overwogen dat de gronden die de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvoor hebben aangevoerd materiële verweren zijn, dat de zaak niet meebrengt dat daarop eerst en vooraf moet worden beslist en dat zij deze zal behandelen gelijktijdig met de hoofdzaak. De beslissing in de incidenten heeft zij aangehouden.
Uit de overwegingen in de hoofdzaak volgt dat de materiële verweren die de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het kader van een incident hebben gevoerd, niet meer aan de orde hoeven te komen. De bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden geen incidenten hoeven opwerpen om deze materiële verweren te voeren. De vorderingen in de incidenten zullen daarom worden afgewezen. Door incidenten op te werpen, hebben de bank en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nodeloos proceskosten veroorzaakt. Zij zullen in die proceskosten en in de nakosten worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden.
6. De beslissing
De rechtbank,
In de hoofdzaak
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten en de nakosten,
begroot de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van de bank op € 2.889,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII) en de nakosten op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,
begroot de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op € 1.325,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII) en de nakosten op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,
begroot de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van [gedaagde 3] op € 1.325,00 aan vast recht en € 1.672,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief III) en de nakosten op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest,
verklaart de veroordelingen in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
In het door de bank opgeworpen incident
wijst de vorderingen af,
veroordeelt de bank in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [de eiser] begroot op € 653,00 aan salaris voor de advocaat (1 punt, tarief II), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,
verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
In het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgeworpen incident
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [de eiser] begroot op € 653,00 aan salaris voor de advocaat (1 punt, tarief II), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,
verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers, mr. E. Boerwinkel en mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
1011 / 560